Foto bij Hoofdstuk 28

Toen ik er achterkwam dat die sukkel van een Pim ook nog eens mijn lieve kleine Emi-lia met zich mee had genomen, kon ik niet anders dan een reddingsactie ondernemen om ze allebei te redden. Stevey had eerst mee willen gaan, maar na een lange preek van Noël besloot ze dat het toch beter was als ze bij haar zou blijven. Mij had Noël echter niet om kunnen praten. En daarom was ik hier.
Helemaal verdwaald.
Ik had echt het gevoel dat ik de goede weg op ging en ik had Noëls wegomschrijving helemaal gesnapt en toch had ik geen enkel idee waar ik me nu bevond. Ik dacht terug aan Alluka die me had gewaarschuwd voor voorvallen als dit; het bos had geen vaste vorm. Het veranderde om de zoveel tijd – vooral ’s nachts – en dan was het natuurlijk geen zware opgave om te verdwalen.
Als ik nu maar gewoon iemand kon vinden die me de weg kon wijzen zelfs nu het bos constant veranderde… Alluka zou een goede hulp kunnen zijn, maar de kans dat ik hem toevallig tegen het lijf zou lopen was vrij klein. Neminis vertrouwde ik niet en Boris al helemaal niet. Dat waren dan ook meteen alle (zeemeer)mensen die me zouden kunnen helpen.
Nadat ik zeker een half uur door het bos had gedwaald en alle gevaren had weten te vermijden, kwam ik uit bij een grote rivier die het bos in twee splitste. Dit was mijn kans. Misschien kon ik Alluka hier ergens vinden, hij was immers iemand die je enkel alleen bij het water aan kon treffen.
Ik knielde neer bij de rivier en staarde naar het helderblauwe water. Het water was zo schoon dat ik de bodem van de waterstroom kon zien, ook al was de rivier zeker meer dan drie meter diep. In dat heldere water zag ik mijn eigen weerspiegeling en God, wat zag ik er vermoeid uit. Ik had net zo goed door kunnen gaan voor een zombie!
Ik maakte een kommetje met mijn handen en gooide wat water in mijn gezicht, waarna ik mezelf opnieuw bekeek. Dit keer zag ik echter niet alleen mijn eigen reflectie in het water, maar ook die van… Wacht, was dat nu een slijmmonster dat achter me stond?
Vol afschuw draaide ik me om. Ik had me inderdaad niet vergist, tegenover me stond een groen, slijmerig monster. Het was letterlijk een grote doorzichtige brij slijm met twee vissenogen en organen die ik in de slijmmassa zag bewegen. ‘Shit,’ zei ik gedempt, terwijl ik rechtsprong en probeerde weg te lopen. Het slijmmonster versperde me echter de weg.
Uit zijn slijmmassa maakte hij een soort arm. Een paar druppels slijm dropen van zijn lichaam en belandden in het groene gras, dat meteen bruin werd zodra het getroffen werd door het slijm. Dit was niet zomaar een slijmmonster; dit was een dodelijk slijmmonster.
‘Shit,’ zei ik voor de tweede keer. Ik beet op mijn lip en zette een stap naar achter, verder weg bij het slijmmonster. Wat waren mijn opties? Ontsnappen door gewoon weg te rennen had ik al geprobeerd, maar het wezen was sneller dan het eruit zag en het was onmogelijk dat ze me niet te pakken zou krijgen als ik het op een lopen zou zetten. Misschien kon ik over de rivier springen? Het plan was goed, maar er was een klein detail: de rivier was te breed. Dan maar… in de rivier springen? Het enige nadeel was dat ik niet wist wat er in die rivier leefde. Misschien wachtte er in het water een nog afschrikwekkender monster op mij – of misschien helemaal niet.
Het was nu het moment om een keuze te maken. Eigenlijk was het niet echt een kwestie van keuzes maken, ik kon alleen maar het water in duiken. Maar wat als het slijmmonster kon zwemmen en het me gewoon achterna besloot te springen?
Mijn hart bonkte in mijn keel en ik kneep mijn ogen dicht. Zonder erover na te denken, wierp ik mezelf in de rivier. Het water was warmer en minder vijandig dan ik had gedacht, maar hoe magisch het water ook mocht lijken, het was nog steeds even verstikkend als normaal water.
Ik schopte hevig om me heen en probeerde weer boven water te komen zodat ik aan de overkant weer uit de rivier kon klimmen en het hazenpad kon kiezen, maar om de een of andere reden wist ik niet in welke richting ik me moest draaien om mijn longen terug te kunnen vullen met verse lucht.
Het water had niet diep geleken, maar nu ik eenmaal op de bodem lag, voelde het alsof er zeker een ganse ton water op mijn borstkas drukte en alle lucht die er nog overbleef uit mijn borstkas perste.
Was dit het dan? Ik was al eens eerder bijna verdronken door Alluka’s verrassingsaanval, maar toen had hij nooit echt de intentie gehad om me te vermoorden. Dit water, daarentegen, was vijandig en wreed. Er was niemand die me kon redden en de rivier, hoe mooi die ook mocht zijn, zou mijn leven niet sparen.
En Erin? Was heel deze tocht voor helemaal niks geweest en zou ik nog steeds niet weten wat er met Erin was gebeurd – en of hij zelfs nog wel leefde? Ik kon niet eens mijn vriend redden, laat staan de wereld redden van de blindheid die bijna iedereen trof. Nutteloos, dat was wat ik was.
En ik dacht echt dat het voorbij was, zeker toen ik voelde hoe de laatste luchtbelletjes uit mijn mond ontsnapten en hun weg naar het wateroppervlak verder zetten. En toen, net wanneer een beklemmende duisternis me mijn zicht benam, voelde ik hoe iemand zijn vingers om mijn arm wikkelde en me omhoog trok.

Reacties (2)

  • Altaria

    Wordt ie toch nog gered!

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Als het Tobio is ga ik lachen :')

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen