Foto bij Oude legendes

'Hoe kunnen we dat zwaard ooit vinden?' Zuchtte ik na een dag zoeken. Het regende, de druppels gleden over mijn kap, en bleven hangen aan de rand. Bij elke vermoeide stap lieten er een paar los. We waren de vorige nacht niet van plan geweest om te slapen, maar toen de zon op begon te komen zakte Matsuda tijdens het uitrusten in elkaar, en begon zachtjes te snurken. Ik kon niet slapen. Daarom was ik nu doodmoe. We waren zo wanhopig opzoek naar een oplossing om van elkaar af te komen, maar hoe meer we zochten, hoe aardiger we elkaar begonnen te vinden. Straks werd het nog lastig om afscheid te nemen. Dat mocht niet gebeuren. 'Het lijkt alsof je er een streep bij hebt.' Zei ik, wijzend naar zijn haar. 'Toch niet weer gedroomd?' 'D-dat lijkt maar zo.' Hakkelde hij. *zucht* 'Wat zit je nou te zuchten?' Vroeg hij geërgerd. 'Lijk ik soms achterlijk? Ik kan heus weer zien wanneer iemand liegt! Wees nou gewoon eerlijk. Misschien worden we er wat wijzer van.' 'Jij zegt zelf dat ík alles wil weten! Waarom moet ik jou dan wel antwoorden?' Ik sloeg boos mijn armen over elkaar. 'Goed dan... Ik zag een hoop licht en een hoorde een stem.' 'Wat zei die stem?' Drong ik aan. 'Zei zei iets van: " je hebt haar gevonden. Degene die het kwaad zal verslaan." Klinkklare onzin dus.' Degene die er kwaad zal verslaan? Wat was dat nou weer? Was er echt iets raars aan de hand, of had Matsuda gewoon een rare fantasie en een probleem met zijn haar? 'Lekker duidelijk...' We sprongen over een beekje. 'Alsof ik daar iets aan kan doen...' Dar wist ik niets op te zeggen, dus rolde ik maar met mijn ogen. 'Waarom ben je zo chagrijnig?' Hoe durfde hij mij chagrijnig te noemen? 'Ik ben niet chagrijnig, maar...' 'Ongesteld.' Maakte hij mijn zin af. 'Matsuda!!! Nee!!! Stomkop!' Ik gaf hem een harde por in zijn zij. Verdedigend stak hij zijn handen in de lucht. 'Het kan toch?!' 'Nee!' 'Kom op zeg, je zei zelf dat je achttien bent.' 'Weet jij dan ook niks?' Hij keek me beledigd aan, en dat zag er behoorlijk komisch uit. Mijn lippen perste ik op elkaar om niet te lachen. 'Feeën worden dat niet.' Hij keek me niet-begrijpend aan. 'Het is misschien een rare vraag, maar hoe kan dan... Je weet wel...?' 'Mat!' Ik schrok. Gaf ik hem nu ook al een bijnaam? 'Ik weet dat ook niet. Het werkt gewoon anders bij ons... Het enige wat ik weet is dat feeën uitsluitend kinderen met elkaar kunnen krijgen, maat als een fee vervloekt of verzwakt is...' 'Zoals jij.' 'Precies. Dan zouden ze ook kinderen kunnen krijgen van mensen, trollen of andere wezens.' 'Als je je maar geen ideeën in het hoofd haalt.' Ik werd knalrood, en gaf hem een harde duw. 'Matsuda!!! Viespeuk!' Grinnikend krabbelde hij weer overeind. 'Geintje.' Nog steeds met een rood hoofd liep ik verder, en klom over een omgevallen boomstam. Er lagen verscheidende takken op de grond, en nog een omgewaaide boom. 'Wat ik hier gebeurd?' Matsuda kwam naast me staan. 'Er is storm op komst. Hier is er al storm geweest, maar aan de lucht te zien komt er weer een. We moeten schuilen.' 'Je bent toch niet van suiker?' Maar net toen ik dat zei kwam er een harde rukwind, en brak er een grote tak af. Te tak viel met een angstaanjagend krakend geluid op ons neer. Voordat iemand iets kon doen, vielen er nog meer takken op ons. Eentje raakte me zo hard dat ik buiten westen raakte.

Alles werd weer helder, en ik voelde weer grond onder me. Ik lag in een grot. 'Wat?' Vroeg ik. Hoe kwam ik hier? Waar was Matsuda?' 'Hier.' Er werd een vuur aangestoken. 'Mat, hoe kom ik hier?' Waarom noemde ik hem nou Mat? 'Gedragen.' Zei hij kalm. 'Doet je hoofd nog zeer? Die tak was behoorlijk zwaar.' Ik ging rechtop zitten. 'Nee, gaat het ook met jou?' Hij haalde zijn schouders op. 'Met mij is niks aan de hand.' Het regende buiten keihard. Ik rilde, en probeerde mijn mouw onder de handboei te proppen. 'Wat eet je?' Vroeg ik. Matsuda had een stuk vlees vast. 'Een soort vogel...' Mompelde hij. Toen duwde hij te vlees naar mij toe. 'Hier, eet wat.' Ik draaide me weg, en sloeg mijn armen om mijn knieën. 'Kom op, doe niet zo kinderachtig... Oh.' Hij had het door. 'Sorry, ik was vergeten dat je een vogeltje gehad had.' Zei hij zacht, en hij gooide het eten weg. Er heerste een ongemakkelijke stilte. Toen schoof hij naar mij toe, en sloeg ook zijn armen om zijn knieën. 'Wil je tegen mij praten?' Vroeg hij zacht. Ik knikte. 'Zullen we morgen weer verder reizen? Misschien vinden we dan het zwaard van Ikaros.' 'Oké. Maar nu ben ik moe.' Zei ik iets harder. Ik ging liggen, negeerde Matsuda, en probeerde te slapen. Dat lukte echter niet. Pas toe Matsuda's zachte gesnurk door de grot echode viel ik langzaam in slaap.

'Wakker worden, luilak!' Slaperig deed ik mijn ogen open, en keek recht in Matsuda's gezicht dat ondersteboven boven me hing. 'De zon is al lang op. We moeten gaan zoeken.' Ik deed mijn ogen weer dicht. Toen voelde ik iets tegen mijn keel. Matsuda had mijn mes gepakt! 'Opstaan of anders...' Zei hij op komische toon. 'Doe normaal,
gek.' Grinnikte ik, en duwde het mes weg. Toen ik omhoog kwam kwamen onze gezichten heel dicht naar elkaar toe. Mijn hart begon sneller te kloppen, en ik had de neiging om mezelf te slaan. Stom hart! Mijn arm werd omhoog getrokken. 'Heb je zo veel zin om van me af te zijn?' Vroeg ik geërgerd. 'Ik heb best wel honger. En even uitslapen zou ook wel fijn zijn.' 'Ik dacht dat jíj zo graag van míj af wou?' Eigenlijk wou ik zeggen: wil ik ook. Maar ik hield mijn mond. Zuchtend stond ik op, en liep het felle licht tegemoet. Na een tijdje lopen riep Matsuda plots: 'Stop! Sta stil!' Geschrokken stopte ik met lopen. Hij bukte, en pakte iets wat ik niet kon zien. 'Wat heb je...' Hij stak zijn hand op en boog zich over het ding. Het was een platte vierkante steen met rare tekens erin gegrift. 'Misschien zit hier een aanwijzing in. Volgens de legende weten bijna alle mensen die hier in Rotsrijk wonen waar de tempel is. Ze laten vaak sporen en aanwijzingen achter in de hoop
dat iemand die dapper genoeg is het zwaard zal vinden. Nu veroorzaakt het zwaard vaak aardbevingen, maar dat kan gestopt worden door slechts één aanraking gestipt worden...' Ik keek heb bewonderend aan. 'Hoe weet jij dat allemaal?' Hij haalde zijn schouders op. 'Mijn vader vertelde mij en mijn grote broer altijd verhalen en legendes. Dat vonden we altijd reuzen spannend.' Een broer? Daar had hij mij niks over verteld. 'Ik wist niet dat jij een broer had.' 'Ja, ik had niet de kans om het over Jared te hebben. Hij is één jaar ouder dan ik, maar gedraagt zich soms nog behoorlijk kinderachtig.' 'Jij ook.' Ik had er al spijt van toen de woorden uit mijn mond glipten. 'Vind je?' Vroeg hij rustig. 'Zo bedoelde ik het niet. Je doet alleen niet vaak heel serieus. Maar om eerlijk te zijn vind ik dat niet erg. Het laat me mijn problemen vergeten, en maakt de situatie makkelijker.' Ik besefte dat ik te veel gezegd had, en perste mijn lippen op elkaar. Ik keek naar Matsuda om zijn reactie te zien. En toen zag ik iets heek schattigs: Matsuda bloosde. Ik voelde mijn eigen wangen ook warm worden, en keek gauw de andere kant op, op zoek naar iets om over te klagen. 'Kijk uit waar je loopt.' Bromde ik. Het sloeg nergens op, maar ik wou niet laten doorschemeren dat ik hem aardig begon te vinden. Matsuda was nog steeds over de steen gebogen. 'Leuk hoor,' zei ik. 'Maar wat hebben we aan de 'aanwijzing' als we er niet eens kunnen lezen?' Misschien was het wel een aanwijzing, maar als we er niks van begrepen hadden we er ook niks aan. 'Ssst. Ik kan het lezen. Of nou ja, een beetje.' Hij mompelde iets in zichzelf. 'W... Wad... Waf... Wade... Wader.' Toen keerde hij zich naar mij toe. 'Er staat wader. Weet jij wat dat betekent?' Ik schudde mijn hoofd. 'Weet je wel zeker dat er wader stond?' 'Nou, ik denk van wel. Ik zei al dat ik het vreselijk goed kon lezen.' Ik begon weer sneller te lopen. 'Nou ja, we zullen die tempel wel vinden.' Ik had boos kunnen worden, maar ik had echt geen zin in weer een ruzie. We liepen een paar uur, en stopten soms even om iets te drinken of te eten. We hadden nog wat bessen en appels gevonden. Toen we net weer op weg waren kwamen we langs een klein meertje, en zag ik iets merkwaardigs in de grond. 'Stop! Ik zie weer iets!' Matsuda hurkte naast me neer. Het was een steen van de zelfde afmeting als die Matsuda gevonden had. Hier stond een tekening van een zwaard en een knappe vrouw op geverfd. 'We hebben het gevonden! Er stond geen wader maar water!' Ik stond opgewonden weer op, en bekeek hoe we verder moesten. Ik was zo blij! Maar... Ergens voelde ik ook een steek van verdriet. Ik was Matsuda al bijna als vriend gaan beschouwen. Ik wist dat ik dat niet moest doen, maar het ging vanzelf. 'Hmm...' Mompelde hij. 'Ik heb het!' Hij haalde de andere staten tevoorschijn en legde het met de tekens naar benden op de steen waar hoogstwaarschijnlijk Ikaros op geverfd was. De grond begon te trillen, en er kwam een tempel uit het water rijzen. 'Wow...' Fluisterden we tegelijk. Net toen ik een stap erin wou zetten hield Matsuda mij tegen. 'Niet doen! Stomkop! Je moet altijd eerst weten of het wel veilig is!' Hij pakte een kiezelsteen en wierp het in de tempel. Met een zachte 'plok' viel het op de grond. 'Zie je wel.' Zei ik. We stapten het tempeltje binnen. Het was klein, en er kon niks verstopt in zijn. 'Zouden we hier omlaag moeten?' Hij wees naar een steile trap. 'Hmm.' Ik aarzelde. 'Ik denk het wel.' Ik ging voor. De traptreden kraakten. 'Hoe kan dat?' Fluisterde ik. 'Ik heb geen idee. Stenen traptreden kraken niet.' Ik werd een beetje bang. 'Zou het hier spoken?' Ik hoorde Matsuda grinniken. 'Spoken? Nee joh. Hooguit een betovering.' Dat maakte het er niet veel beter op. Ik struikelde bijna toen de trap plots ophield. Het was stikdonker. Matsuda botste zachtjes tegen mijn rug aan. 'Wat nu?' Ik wist eigenlijk niet waarom ik fluisterde. 'Hier heen.' Hij pakte mijn hand. Het liefste had ik hem meteen weer losgerukt, maar anders raakte ik hem kwijt. 'Hoe weet je dat?' 'Ik zie vaag schijnsel in de verte, jij dan niet?' Ik keek goed en zag het ook. 'Au!' Ik was tegen de deur aangelopen. Voorzichtig legde ik mijn hand op de klink, en duwde. Hij ging niet open. 'Hij gaat niet open.' Siste ik. 'Je moet trekken slimbo.' Grinnikte Matsuda. Oeps. We kwamen in een grote, verlichte ruimte. 'Wat nu?' Vroeg ik, maar toet mijn grote schrik zeiden een stuk of twintig stemmen dat ook. Ik keek om me heen, en zag het meest bizarre tafereel dat ik ooit gezien had. Er stonden een stuk of twintig Erza's! Het leek net alsof ik een hoop tweelingzussen had! Stuk voor stuk kastanjebruin haar. Stuk voor stuk mijn grijze ogen. Stuk voor stuk vastgeketend aan Matsuda. Hij keek geschokt. 'Ik moet nu zeker ontdekken wie de echte is...' Mompelde hij. 'Ik!' Riepen een paar nep-Erza's. 'Nee, ik!' 'Niet waar, ik!' Riep ik. 'Geloof die nepperts niet!' Riep een andere. 'Wow, zo veel meisjes bij elkaar. Kan ik jullie niet allemaal houden?' Serieus?! Dit was echt typisch Matsuda. 'Oké, dames. Even rustig aan. Ga allemaal in een rijtje staan.' Ik hoopte dat hij een plan had. Ik gaf een andere Erza een harde klap in har gezicht. 'Steel mijn identiteit niet!' Ik was woedend. Dat had ik niet moeten doen. Alle andere meisjes begonnen ook naar elkaar te schreeuwen en te slaan. Ik kreeg zelf ook een paar klappen, maar deelde er zelf de meeste uit. 'Stilte!!!' Brulde Matsuda. We hielden allemaal geschrokken op met vechten. 'Luister, jullie denken zelf dat jullie de echte zijn, dus bewijs het maar. Doe alles wat ik zeg, en geef eerlijk antwoord op mijn vragen.' Er glom een ondeugende glans in zijn ogen. 'Oké, zeg allemaal mijn naam. Heel lief.' Ik wou mezelf wel slaan. Of nou ja, hem slaan. 'Matsuda.' Klonk er in koor. 'Spring nu zo hoog als je kan.' Wat wou hij toch? Ik zette me af, en kwam het hoogste van allemaal. Had hij het gezien? 'Trek nu allemaal je mantel uit.' Nee dus. Het was ijskoud met alleen een t-shirt. 'Houden jullie van me?' Iedereen riep blij: 'ja!' Behalve ik. Ik hield geschrokken mijn mond. En toen gebeurde het. Plop! Alle andere meisjes verdwenen. 'Ik wist wel dat je geen antwoord zou geven.' Zei hij met een knipoog. Ik pakte mijn mantel weer, en vroeg: 'waarom vroeg je dat dan niet meteen?' Hij haalde zijn schouders op. 'Ik vond het wel leuk, al die meisjes bij elkaar.' Maar net toen ik boos wou worden zag ik dat er nu ook heel veel Matsuda's stonden. Ik kreunde. Ik wist niet meer tegen wie ik net stond te praten. Meteen stonden alle jongens ruzie met elkaar te maken. Eentje legde zijn handen op mijn schouders. 'Je weet toch dat ik de echte ben?' Er rende een andere Matsuda op hem af, sloeg hem tegen de grond, en wreef plagerig over mijn hoofd. 'Kom op, kleintje. Mij herken je toch wel?' Ik kon er niks aan doen, maar genoot er stiekem wel van. De andere Matsuda werd weer opzij geduwd, en ik werd aangesproken door een andere. Een paar jongens stonden verlegen in een hoekje, en ik wist dat één van die de echte moest zijn. Ik speurde één voor één de felblauwe ogen af in de poging een leugen te ontdekken. Maar omdat ze allemaal hem wáren was er niks om te liegen. Voordat ik iets kon zeggen werd ik van achteren beetgegrepen en naar de grond getrokken. De Matsuda sloeg zijn armen om mij heen. Zijn lippen gleden langs mijn nek. Met een rood hoofd wurmde ik me los. 'Ik weet in elk geval dat jij de echt níét bent.' Met een ploppers geluidje verdween hij. De Matsuda's begonnen harder te schreeuwen tegen elkaar. 'Koppen dicht!' Gilde ik. Neg als bij mij keek iedereen verschrikt op. 'Oké, doe allemaal wat ik zeg. Ga zitten.' Iedereen hurkte braaf neer. Het was geweldig om hem te mogen commanderen. 'Zeg nu mijn naam.' Iedereen zei: 'Erza.' Maar één stem hoorde ik zeggen: 'Lisa.' Lachend keek ik hoe alle anderen verdwenen. 'Weet je nou nog steeds niet hoe ik heet?' 'Natuurlijk wel, ik wist alleen dat je zou weten dat ik het was als ik Lisa zei.' Ik wist niet of ik hem moest geloven. Er ging een deur open aan de andere kant van de kamer, en we liepen verder. Ik was bang voor wat we nu aan zullen treffen. Ik keek naar de kamer en zag iets wat alles behalve angstaanjagend was. Een kooitje met een klein wit konijntje erin. De rode oogjes keken bang onze kant op. Matsuda keek me vragend aan. Ik haalde mijn schouders op en liep dichterbij. Toen we voor de kooi stonden merkte ik nog iets op. Er lag een mes met een briefje. Met een bang voorgevoel las ik de brief. Er stonden maar twee woorden. 'Dood het.' Las ik hardop voor. Geschrokken keken we elkaar aan. Ik moest meteen aan Yet, mijn vogeltje die ik gedood had denken. Ik had mezelf beloofd nooit meer een onschuldig dier te doden. Ik beet op mijn lip, maar toen ik bloed begon te proeven hield ik daar gauw mee op. Matsuda zag de pijn in mijn ogen. 'Je hoeft het niet te doen.' Hij pakte het mes, maar deed niks. Zijn hand trilde. Hij sloot zijn ogen, haalde diep adem, en deed nog steeds niks. Het konijntje keek hem bang aan. 'Ik kan het niet.' Zei hij. 'Ik dacht dat Ikaros een goed mens was. Waarom laat ze mensen dit doen? Ik ben teleurgesteld in Ikaros en haar man.' Ik knikte. 'Wat nu?' Matsuda pakte het mes weer. 'Ik ben een watje.' 'Stop.' Zei ik. Hij wou her echt niet. 'Niet doen, ik verbied het je.' 'Het is maar een konijntje.' Hij bracht het mes opnieuw met trillende omhoog, maar deed alweer niks. 'Ik ben echt een enorm watje.' Glimlachend keek ik hem aan. 'Ik vind het juist nobel van je.' 'Door mij kunnen we niet verder.' 'Hoezo?' Vroeg ik. 'Ik wou het toch ook niet doen?' We gingen zitten. Hij leunde lichtjes tegen mij aan. Maar net toen ik bedacht om terug te gaan begon de vloer te trillen. Er schoof een wand weg, naar de volgende kamer. Matsuda klaarde weer op. 'Het was een test! Een test voor nobelheid!' Ik stond vol nieuwe moed op. 'Het is maar goed dat we watjes zijn.' In de volgende kamer stonden twee kleine flesjes. Er lag ook een volgende brief. Hij pakte hem, en las het voor. 'In deze kamer kan je een beslissing nemen. Je kan veilig terug, of van één van deze flesjes drinken. Één flesje zorgt dat je in de kamer met mijn zwaard komt, door de andere kan je alles verliezen. Kies.' Ik bekeek de flesjes. 'Nou er is wel duidelijk wie gaat drinken. Ik heb toch niks om te verliezen. Of nou ja... Jou.' Voordat hij iets kon zeggen voegde ik er aan toe:' niet op die manier hoor, we zijn gewoon vrienden. Min of meer.' Matsuda bloosde opnieuw, waardoor hij nog knapper werd. Waarom dacht ik daar aan?! En gaf me een knuffel. Het was raar, mar niet onprettig. Eigenlijk voelde het best veilig. Ik sloeg mijn armen ook om hem heen. Toen zei hij:' weet je het zeker?' Ik knikte, en bekeek de flesjes. Eentje had een doorzichtige vloeistof, de andere een geelachtige. 'Gif is vaak doorzichtig. Dat andere lijkt op bier.' Zei Matsuda. 'Dan neem ik de doorzichtige. 'Wat?!' 'Heb je het gemerkt? Niets hier is wat het lijkt.' Nerveus trok ik het dopje uit het flesje en bracht het naar mijn mond. Gespannen wachtten we af. 'En?' Vroeg hij bang. 'Niks.' Zuchtte ik. Er ontstond opnieuw een deur naar de volgende en laatste kamer. Er stond een kast. Tegelijkertijd pakten we het deurtje vast. Het voelde alsof er een stroomstoot door mij heen ging. Een onzichtbare kracht duwde me naar beneden, op de grond. Het werd zwart voor mijn ogen, en toen kwamen er allemaal beelden langsflitsen. Het verwoeste feeënrijk. Alle levend verbrandende feeën, en bloederige, verschrompelde lijken. Het gekrijs en het gelach van Oslo. Mijn eigen bloederige vleugels naast me op de grond. De vieze modderige laarzen van Oslo in mijn prachtige haar. Mijn enige trots die ik nog had. De overblijfselen van Yet in mijn hand. De mensen die ik gedood en gemarteld had. Het Witte Woud. Nog meer dode mensen. Nog meer bloed. En toen kwam Matsuda. Ik vroeg me al af wanneer hij zou komen. Ons geschreeuw en gescheld naaf elkaar ging door merg en been. Mijn hulpeloosheid toen hij niet wist wie ik was. En tot slot Matsuda die met bevende handen bij het sneeuwwitte konijntje stond. De druk op mijn lichaam nam af, en toen alle geluiden van de illusie weg waren hoorde ik dat ik had geschreeuwd door de herinneringen. Matsuda stond ook net op. Hijgend en trillend keerden we ons naar elkaar. 'Wat was dat?' Zijn stem klonk schor. 'De kast moest behekst zijn. Ik zag de vreeslijkste dingen.' Hij knikte. 'Zou het veilig zijn om het weer aan te raken?' Ik trok mijn mantel opnieuw uit. Ik wikkelde het om mijn hand en trok de kast open. En daar lag het: het met topazen versierde zwaard. Voorzichtig pakte Matduda het op. We keken elkaar blij aan, en liepen weer terug. We waren nog steeds op onze hoede, maar wisten wat we konden verwachten. De clones waren er gelukkig niet opnieuw. Toen we weer terug ik de tempel waren legden we onze handen op een verhoginkje, en gaf hij het zwaard aan mij. 'Jij eerst.' Ik hief het zwaard op, en zwaaide het soepel naar beneden. Met een hoop gekraak brak de handboei los. Ik keek met grote ogen maar mijn hand. Ik was vrij! Toen gaf ik heg zwaard terug en hakte ook Matsuda zich los. 'WAt doen we nu met het zwaard?' Ik dacht even na. 'We kunnen het in het meer gooien. Het is niet handig om zo'n sterk wapen bij te hebben. Hij knikte. Ik liep naar de rand en liet het zwaard vallen. 'Eeeh, Erza?' Ik draaide me om. 'Ik wou vragen, omdat we tog allebei naar het Feeënrijk moeten, of we samen verder zullen rijzen? Je zei zelf dat je mij als een vriend beschouwde.' Ik haalde heel diep adem en zei het antwoord dat ik altijd al wist:

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen