Foto bij Opnieuw het Witte Woud?

'Nee.' Geschrokken keek hij mij aan. Ik beschouwde hem inderdaad als een vriend, maar we konden niet samen rijzen. Ik wou altijd al alleen rijzen, en een vriend kon dat niet tegenhouden. En wat als hij stiekem toch van Oslo was? Ik wist dat hij me niet zomaar zou laten gaan, dus haalde ik keihard uit naar zijn gezicht. Hij viel slap neer, en ik begon te rennen. Rennen en rennen spoorde ik mezelf aan. Ik mocht niet omkijken. Dat zou te veel pijn doen, en misschien zou ik dan terugkomen op mijn besluit. Ik had geen idee waar ik naartoe rende, maar merkte hoe fijn her was zonder Matsuda. Ik was vrij! Vrij! Ik moest daar aan blijven denken. Aan mijn vrijheid, aan de goede dingen. Aan de goede punten zonder hem. Ik kreeg steken in mijn zij, maar bleef doorrennen. Ik had geen idee waar ik naartoe rende. Ik bleef maar rennen totdat ik uitgeput op de grond neerstortte. Ik voelde me raar heel raar. Had ik toch het verkeerde drankje genomen? Ik was nu echt álles kwijt. Mijn enige bezit was het takje met het lichtroze blaadje. Ja, ik had echt er verkeerde drankje genomen, want ik voelde me slap. De pijn in mijn zij voelde plots lekker aan, en ik lachte krankzinnig. 'Vrijheid! Vrijheid! Hahaha!' Krijste ik. Toen viel ik in een diepe slaap.

Toen ik wakker werd voelde ik me weer normaal. Ik stond meteen op en begon weer te rennen. Ik kon alleen nog maar rennen. Soms struikelde ik door mijn haast, en de steken in mijn zij kwamen weer terug. Ik rede tussen wat bomen door. Ik wist niet waar ik naartoe ging, maar wist wel dat ik zo snel mogelijk naar het feeënrijk moest. Ik struikelde opnieuw. 'Au.' 'Rennen, rennen, rennen.' Zong ik. Wat was het toch heerlijk zonder Matsuda! Oké, ik moest mezelf niet langer voor de gek houden. Ik miste hem nu al. Het was beter zonder hem, maar ik was weer eenzaam. Het voelde alsof ik weer terug bij af was. Alsof ik weer naar mijn moordenaarsleven terugging. Maar het was beter. Dat wist ik. Ik was heel erg moe repelden van het rennen, dus vertraagde ik mijn pas en begon langzaam te lopen. Toen de zon onder was zei ik: 'Welterusten, Mat.' Maar toen besefte ik dat ik hem had laten stikken.

Wat was dat in de verte? Ik liep al een halve dag, maar zag iets in de verte bewegen. Toen ik dichterbij was zag ik dat het een meisje van mijn leeftijd was. Mar hoe dichter ik bij kwam, hoe groter ze bleek te zijn. Het was een reuzin! Geschrokken keek ik hoe ze haar hoofd optilde en mij aankeek. Ze had een betraand gezicht. 'M-mag ik hier langs?' Vroeg ik onzeker. 'Ach, waarom niet?' Ik liep naar haar toe. 'Wat is er?' 'Ben jij niet bang voor me, ben jij niet bang dat ik je opeet?' Vroeg ze verbaasd. 'Je ziet er nou niet echt eng uit.' Zei ik, hopend dat dat haar niet zou beledigen. Ik wist niet hoe reuzen waren. 'Echt niet?' Vroeg ze iets vrolijker. Haar rode haar golfde in de wind als een reusachtig laken. 'Nee, ik vind je best aardig.' Zei ik vriendelijk glimlachend. 'Zelfs de ridders van Oslo renden voor mij weg.' Ik aarzelde, en klopte toe even op haar voet. 'Weet jij soms welke kant het feeënrijk op is?' Ze schudde haar hoofd, en d'r haar zwiepte heen en weer. 'Nou, toch bedankt. Leuk je ontmoet te hebben.' Ik zwaaide en ze zwaaide terug. Ik wist niet hoe lang ik had gelopen toen er een dikke mist om mij heen hing. Ik keek om mij heen en zag kale bomen en nog meer mist. Was dit het Witte Woud?! Ik ging écht weer terug naar mijn moordenaarsleven! Ik probeerde terug te lopen naar waar ik vandaan kwam, mar dat lukte niet. Door de dikke mist had ik niet gemerkt dat de zon al onder was. Ik gaapte en rolde me op.

Ik werd gewekt door een stekende pijn in mijn enkel. Wat? Ik deed mijn ogen open en zag een grote zwarte hond. Hij had zijn scherpe tanden in mijn vlees geboord. 'Au!' Ik schopte nar er dier, maar zijn beet werd steviger. Ik gilde van de pijn. Ik schopte en probeerde mijn voet los te maken. Hij schudde zijn kop woest heen en weer, en ik kneep mijn ogen dicht. 'Mat! Help me!' Riep ik. Maar toen besefte ik weer dat hij er niet was. En toen sleurde de hond me mee. Ik probeerde me overal aan vast te klampen en schopte nog steeds. Toen stond de hond stil. 'Los, Hendrickson.' Kraakte een oude mannenstem. Eindelijk liet de hond los, en ik kreunde van de pijn. Ik keek omhoog naar de man. Hij keek me boos aan. 'Je hebt Hendrickson van streek gemaakt. Je zou gearresteerd moeten worden, vandaal!' Boos liep hij weg met de hond achter zich aan. Verward keek ik hen na. Wat had dat te betekenen? Mijn voet en been bloedden heftig, en ik kon niet op mijn voet staan. Ik sneed een reepje stof van mijn cape af, en bond dat om mijn enkel. Die dag kwam ik niet veel verder, en het enige geluid wat ik hoorde in het Witte Woud was mijn knorrende maag. Ik had heel veel honger, maar met mijn enkel kwam ik nergens. Ik sliep vroeg. De dag daarna kon ik al een beetje strompelen, maar kwam ook niet ver. Als Matsuda hier was dan had hij me geholpen. Zou ik hem ooit nog tegenkomen? Ik hoopte van niet. Het was beter zo. Zou hij dan boos om me zijn? Waar was hij nu? Ging het goed met hem? Wat als het niet goed ging? Zou hij zich zorgen om mij maken? Het duizelde me. Twee dagen later was ik in staat om redelijk te lopen. Ik kwam op een lang, smal pad terecht. Opeens kwam er een oude vrouw op her pad. Ik schrok. 'H-hallo.' Zei ik met trillende stem. 'Dag.' Zei de vrouw. De merkte mijn voet op. 'Oh, dat ziet er pijnlijk uit.' Ik knikte. 'Ik kan het verzorgen als je dat wilt.' Ik aarzelde even. Ik kende har niet, maar ze zag er aardig uit. 'Als dat voor u ook goed is.' 'Natuurlijk. Ik heb al twintig jaar geen echt gesprek met iemand gevoerd.' Ik volgde haar naar haar huisje. Het was een klein huis met één grote kamer. In de hoek stond een bed, in de andere hoek een open haard. Er was een klein keukentje en een ronde tafel. 'Ga zitten.' Ik ging zitten op een stoel. 'Dank u wel.' Ze zette wat thee, en ging naast me zitten. Ik moest mijn voet op een krukje leggen, en ze verbond er voorzichtig. 'Dank u wel.' Zei ik opnieuw. 'Geen dank. Ik vind het gezellig.' Ik pakte mijn thee, en dronk gulzig. 'Wat deed je eigenlijk zo alleen in het Witte Woud?' Vroeg ze. 'Waar zijn je ouders en vrienden?' 'Dood.' Zei ik kortaf. ze schrok. 'Oh...' 'Had je ook geen vrienden?' Ik beet op mijn lip en dacht aan Matsuda. 'Hm.' Mompelde ik. 'Oh jee, liefdesverdriet?' Ik schudde mijn hoofd. 'Je kan mij alles vertellen. Ik ken je toch niet.' Ze had wel gelijk. 'We waren gewoon vrienden. Ten minste, dat denk ik. Ik heb hem ongeveer een week geleden laten stikken. Ik heb hem zomaar verlaten. Zonder enig afscheid. Hij vroeg of we samen zulken rijzen, maar toen had ik gewoon bot 'nee' gezegd, en hem bewusteloos geslagen.' 'Was het een leuke jongen?' Ik glimlachte. 'Leuk... Hij was aardig.' 'En knap?' Nu moest ik echt lachen. 'Nou... Ja.' Zij glimlachte ook. 'Mis je hem?' Ik knikte. 'Dan moet je hem gaan zoeken.' Ik schrok. 'Nee, het is beter zo. Ik reis liever alleen.' De vrouw legde haar hand op mijn schouder. 'Kom op, je mist hem.' Daar had ze wel een punt in. 'En hij is leuk?' Misschien had ze gelijk. Ik was nu ook behoorlijk eenzaam. 'Oké, u heeft gewonnen. Ik ga hem zoeken.' Ze lachte breed naar me. Ik had mijn thee op. 'Heel erg bedankt voor alles.' Zei ik. Ze gaf me een fles appelsap mee, en bedankte mij ook voor het leuke gesprek. Ik zuchtte. Matsuda zoeken... Dat was makkelijker gezegd dan gedaan. Ik kon nog steeds niet goed lopen, maar probeerde het ten minste. Ik liep al twee weken, maar had überhaupt nog geen ander mens gezien, laat staan Matsuda. Toen ik bij een meer aankwam waste ik mezelf en mijn kleren. Ik was vergeten voorzichtig te doen met mijn voet, en haalde de wonden weer open. Toen ik wou gaan staan voelde mijn voet lam van de pijn, en zakte ik er doorheen. Ik jammerde. Toen liep ik nog een dag of twee.

Reacties (1)

  • Tijgerbloed

    Die verandert snel van gedacht!:P

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen