Foto bij Agent Holemen: Ring of Fire [Part 1]

Rome, New York, 10:30 PM EST, December 12th 2015

Mijn vakantie had heel rustig kunnen verlopen als ik onderweg geen demonen tegen was gekomen.
      Ik bevond me in Rome. En dan niet die ene in Italië, maar een iets minder indrukwekkende namaak in de staat New York. Het was nog zo'n vijf à zes uur naar Philadelphia en het was laat, dus ik besloot te overnachten bij een motel.
      Dat had ik beter niet kunnen doen.
      Met mijn zware tas vol kleding (en enkele wapens) liep ik naar mijn kamer toe. Het was buiten nog steeds koud en er lag sneeuw, dus ik popelde om mezelf in een warme deken te wikkelen.
      Ik liep mijn kamer binnen, dumpte mijn tas op het bed en zuchtte eens diep. Bijna de hele rit van het hoofdkwartier van SHIELD naar hier had ik mijn hoofd zitten breken over al de vragen die ik had. Ik was dan wel een halfgod, maar ik voelde me niet echt goddelijk.
      Ik deed wat lichten aan en keek even door het raam naar de parkeerplaats voor het motel. Mijn auto, een blauwe Dodge Challenger RT Hemi uit 1971, stond er pas net, maar nu al lag er een dikke laag sneeuw op. Dat werd ruiten krabben morgen.
      Ik zag wat mensen lopen, maar ik dacht er niet gelijk iets bij. Er waren vast genoeg mensen op doorreis om nog op tijd thuis te zijn voor Kerst. Ik moest ook nog cadeautjes kopen. Een taak zoals dat leek bijna absurd normaal.
      Ik deed net mijn dikke winterjas uit en hing die aan een haakje toen ik opeens geklop op de deur hoorde. Nogal wantrouwig pakte ik mijn Goddelijk Bronzen dolk uit mijn tas en liep naar de deur.
      'Wie is daar?'
      Geen antwoord.
      Ik legde mijn hart op de deurknop en besefte dat ik beter even kon kijken. Ik deed de deur open op een kiertje.
      Niemand. Huh, dat was vreemd. Wat deden belletje lellers bij een motel? Ik deed de deur wat verder open om beter naar buiten te kunnen kijken.
      'Oké, dat is dus echt niet grappig,' mompelde ik. Ik stond op het punt om de deur weer dicht te doen toen er opeens wél iemand verscheen. Een man, iets ouder dan ik, stond voor me.
      En zijn ogen waren zwart.
      'Toch niet alweer, hè?' zei ik, voordat hij me naar achteren terug mijn kamer in duwde.
      'Rebecka Holemen,' zei hij terwijl achter hem nog meer mensen met zwarte ogen verschenen. 'Eindelijk hebben we je gevonden.'
      Ik richtte mijn dolk op hem. 'Wat willen jullie van me?' De man stapte naar voren en ik deinsde achteruit. 'Blijf bij me uit de buurt! Ik ben gewapend!'
      Hij liet een kille lach horen. Waarschijnlijk had hij ook door dat ik met een kleine dolk niet veel uit kon halen tegen zo'n zestal... whatever ze waren.
      'Geef je aan ons over en we zullen je ongedeerd meenemen,' zei de man. 'Onze leider heeft je nodig.'
      'Nou, ik heb niks van hém nodig, dus waarom zou ik?' Ik keek even naar mijn tas op het bed, waar een pistool in zat dat ik nu heel goed kon gebruiken. Ik moest heel snel zijn om daarbij te kunnen komen en het op hen te richten.
      Ik dacht: Ach, wat zal het ook? Ik kan het op z'n minst proberen.
      Ik maakte een schijnbeweging naar links, alsof ik langs mijn tegenstanders naar de deur wilde rennen. Een paar van hen bewogen die richting al op, totdat ik plotseling mijn koers wijzigde en naar mijn tas sprintte. Ik ritste een vak open en voelde mijn pistool al tussen mijn vingers als ik onverwacht naar achteren werd getrokken.
      Instinctief sloeg ik mijn elleboog in het gezicht van degene die me vast hield. Ik draaide me om om hem gelijk een knietje in zijn kruis te geven. Eén neer, nog vijf te gaan.
      De overige monsters kwamen op me af. Ik raapte mijn mes van de grond – mijn pistool kon ik zo snel niet vinden – en maakte me klaar voor een gevecht.
      Een van probeerde mijn hoofd te slaan, maar ik dook weg en stak het mes in zijn zij. Gelukkig was hij ook echt een monster en werkte het wapen. Terwijl hij op de grond viel, stortte iemand anders zich op me. Hij pakte me bij mijn linkerarm vast en ik probeerde om mijn mes in hem te steken, maar hij had dat al voorzien en hield nu ook mijn andere arm vast.
      'Een halfgod,' zei hij neerbuigend. 'Zonder een machtig zwaard ben je niets. Onze informant had ons gewaarschuwd, maar waarvoor eigenlijk?'
      'Ach, hou toch je mond,' snauwde ik. Ik schopte hem in zijn maag en stak mijn dolk in zijn nek.
      Ik nam niet de tijd om te zien wat het mes eigenlijk precies met hem deed, maar hij vocht niet meer terug. Ik draaide me net om naar de overige drie monsters, die nogal ongelovig, maar nog steeds dreigend, naar de afslachting keken, toen de deur opeens opensloeg en twee mannen naar binnen tuimelden.
      Ik hoorde een van hen zeggen: 'What the hell...?'
      Ik had niet de tijd om met ze te babbelen. De drie monsters merkten op dat ze nu drie tegenstanders hadden en splitsten zich op. Twee liepen er op mij af, wat ik nogal oneerlijk vond.
      De eerste sloeg mijn mes uit mijn handen en schopte mijn benen vanonder me vandaan. Ik kwam op de vloer terecht en vanuit mijn ooghoek zag ik opeens iets glimmen. Voordat de twee monsters me ook iets aan konden doen, pakte ik mijn pistool en schoot op een van hen. Gelukkig zaten er Goddelijk Bronzen kogels erin, ik wist niet wat ik anders had moeten doen als dat niet het geval was.
      Ik krabbelde snel weer overeind om met mijn volgende tegenstander af te rekenen. Tegelijkertijd zag ik ook hoe de twee late binnenkomers met het andere monster vochten. Een van hen, degene met het lange haar, haalde een mes tevoorschijn en stak daarmee naar het monster.
      Ik kon niet langer kijken, want mijn aandacht werd opgeëist door mijn eigen probleem. Ik hield hem op afstand door het pistool op hem te richten en zei: 'Vertel op. Wie is jullie leider?'
      'Daar zul je vanzelf wel achter komen,' grauwde hij. Hij viel aan, zorgde met een klap ervoor dat mijn pistool uit mijn hand viel en ontweek mijn mes. Ik deinsde achteruit en hij wist nog net een kras met een van zijn nagels in mijn gezicht te maken. Ik duwde hem achteruit en hij viel neer.
      Ik hield hem met mijn knieën op zijn torso gedrukt op de grond. 'Wie is jullie leider?' herhaalde ik, nu iets strenger. 'Wie wilt mij zo graag zien? Ik heb met niemand een afspraak.'
      Hij gaf nog steeds geen antwoord. Ik zag hoe zijn spieren bewogen en dat hij op het punt stond om me van hem af te duwen, dus ik deed het enige logische.
      Ik liet mijn mes neerdalen op zijn borst. De punt had hem amper aangeraakt, maar gelijk had het effect. Het lichaam van het monster lichtte op, zijn oogkassen leken haast weg te branden, en toen was het voorbij. Hij lag dood onder me.
      Ik stond op en richtte me naar de twee mannen die nu klaar waren met het andere monster. De een was nogal lang en had haar tot net boven de schouders, de ander was een stukje kleiner en had kort haar. Ze staarden me nogal verbaasd aan.
      'En wie zijn jullie?' vroeg ik.
      'Ik ben Dean Winchester, dit is mijn broer Sam,' zei de korte. 'Heb je nou zo net al die demonen zelf afgehandeld?'
      'Uh, ja. Wat moest ik anders doen?' Ik keek even naar de lichamen om me heen. Een paar zouden waarschijnlijk nog wel wakker worden, een paar niet. 'Ik denk niet dat die aardige moteleigenaar hiermee erg blij zou zijn.' Ik raapte mijn pistool van de grond. 'Ik ben trouwens Rebecka Holemen, hoi. Bedankt dat jullie me hebben geholpen. Wat zijn demonen precies?'
      Sam keek Dean even aan. 'We hebben volgens mij een hoop uit te leggen.'
      'Zij anders ook aan ons.' Dean staarde mij even aan terwijl ik onschuldig terugkeek. 'Wat deden die demonen hier? Wat wilden ze van je?'
      'Dat wilde ik eigenlijk aan jullie vragen,' zei ik. 'Trouwens, wat doen we met die lichamen hier?' Ik schopte tegen een arm van een demon aan. 'Ik krijg nogal problemen als we ze hier laten.'
      'Uh, dan kunnen wij wel regelen,' zei Sam. 'Ik denk dat je beter met ons mee kan gaan naar ons motel, voor het geval dat er nog een paar anderen hierheen komen.'
      'Goed idee.' Ik legde mijn bebloede mes en pistool terug in mijn tas. 'Let's go, mensen. Allons-y!'


Rome, New York, 11:43 PM EST, December 12th 2015

'Dus, als ik het goed begrijp,' zei ik, 'zijn jullie Hunters en bestaan er wezens zoals demonen en engelen? En Hemel en Hel bestaan ook? En jullie proberen min of meer er voor te zorgen dat zij niet al te veel chaos onder de mensen veroorzaken?'
      'Daar komt het op neer,' zei Sam. 'Weet je zeker dat je geen pleister op die snee in je wang wilt?'
      'Nee, ik red het wel,' zei ik. 'Goh, Coulson en Fury zouden helemaal flippen als ze dat horen. Nog meer vijanden...'
      Dean fronste. 'Wie?'
      'Niemand,' zei ik. We zaten in de motelkamer van de Winchesters. Nadat we de demonen gedumpt hadden, had ik de jongens in mijn eigen auto hierheen gevolgd. Ze bleken een Chevy Impala '67 te hebben, die ik ook zag toen ik Amy ontmoette en twee gorgonen moest bevechten. Misschien was het toevallig een ander exemplaar, of misschien niet.
      'Wat we nog steeds niet weten,' begon Dean, 'is waarom de demonen jou aanvielen. Je bent geen Hunter. Wat waren dat mes en dat pistool dat je had? Normale wapens werken meestal niet tegen ze.'
      'Oh, deze?' Ik ritste mijn tas open en haalde mijn nog steeds bebloede dolk en mijn pistool eruit. 'Ze zijn van Goddelijk Brons, als dat iets verklaart.' Ik hield mijn hoofd even schuin. 'Volgens mij moet ik jullie ook even vertellen dat ik niet honderd procent menselijk ben.'
      Sam en Dean keken nogal geschrokken. 'Wat?' Ze wilden nog meer zeggen, maar ze werden onderbroken door een 'woesj'-geluid.
      Opeens stond er nog iemand in de kamer. Hij had donker haar, droeg een pak en daaroverheen een lichtbruine trenchcoat. Er was nog iets aan hem dat ik niet helemaal kon plaatsen.
      'Cas!' zei Dean, klaarblijkelijk opgelucht. 'Heb je iets gevonden?'
      'Nee, niet echt,' zei Cas. En toen tegen mij: 'Wie ben jij?'
      'Uh, ik ben Rebecka,' zei ik, nog steeds proberend om te achterhalen wat er nu zo vreemd aan hem was.
      'Ik ben Castiel.' Hij liep naar me toe en legde een paar vingers op de snee in mijn wang. Ik voelde hoe de wond zichzelf sloot. Castiel stapte weer achteruit.
      'Oh, bedankt,' zei ik terwijl ik aan mijn wang voelde. 'Weet je, dat had echt niet gehoeven-' Ik hapte naar adem.
      Castiel had zich omgedraaid naar de Winchesters toe, waardoor ik zijn rug kon zien. Eerst wist ik niet echt wat het voor moest stellen, maar hoe langer ik keek, hoe duidelijker het werd. Het leek op een soort donkere schaduw die aan zijn schouderbladen vast zat. Ik moest een paar keer knipperen om echt goed uit te maken wat ik zag, maar de schaduw leek veel op vleugels. En dan wel vleugels die nogal kapot en gewond leken, alsof ze een heleboel slechte dingen mee hebben gemaakt.
      'Je bent een engel,' zei ik zacht, maar ze hoorden me nog wel.
      'Wacht,' zei Dean, 'je kan zijn vleugels zien?'
      'Ja,' zei ik fronsend en ik probeerde om nog een scherper beeld van ze te krijgen. 'Maar incompleet, een soort schaduw.'
      Dean keek naar Castiel. 'Je zei dat de zintuigen van mensen te zwak zijn om die waar te nemen. Dus Rebecka,' hij keek me een beetje dreigend aan en één ding wist ik gelijk zeker: je moet Dean Winchester niet als je tegenstander hebben, 'wat ben jij precies?'
      'Dat wilde ik dus net zeggen,' zei ik. 'Ik ben een halfgod.'
      Dean en Sam keken elkaar aan. 'Niet alweer,' mompelde Dean.
      'Niet alweer?' herhaalde ik. 'Dus jullie zijn eerder halfgoden tegengekomen.'
      'Ja,' zei Sam. 'Een zoon van Prometheus. Maar hij was een stuk jonger dan jou, nog niet eens een tiener.'
      'Alleen hem?' vroeg ik verbaasd. 'Ik zou verwachten dat jullie nog veel meer tegen waren gekomen. Hoewel...' Ik dacht even na. 'Gezien de mythische tak die jullie bevechten... misschien ook wel niet.'
      'Hoeveel van jullie zijn er precies?' vroeg Dean.
      'Oh, best wel veel,' zei ik grijnzend. 'En dan heb ik het nog niet eens over de Romeinse kant. Maar hé, jullie hoeven niet bang te zijn. We vermoorden geen onschuldige Hunters. Alleen monsters.'
      Ik liet mijn dolk aan hen zien. 'We kunnen niet eens stervelingen verwonden. Dit is van Goddelijk Brons. Werkt goed tegen Griekse monsters, en blijkbaar ook tegen demonen, maar het gaat recht door stervelingen heen. Probeer maar.'
      Ik stak de dolk met het handvat naar voren naar Sam uit, die het dichtst bij me zat. Hij pakte het aan en wilde voelen aan het blad, maar zijn hand ging er recht doorheen, als in een illusie. 'Woah.'
      Hij gaf het mes aan Dean, die het ook inspecteerde. 'Kan je toevallig nog meer van zulke dingen regelen?'
      'Misschien,' zei ik. 'Het is niet alsof ik ze op Amazon kan bestellen.'
      Hij gaf de dolk weer aan me terug. 'We moeten nog steeds weten waarom die demonen naar jou op zoek waren. Enige ideeën?'
      'Ze zeiden dat hun leider me nodig heeft,' vertelde ik nadenkend. 'En een aantal dagen hiervoor ben ik ook een demon tegengekomen die me aanviel. Hij zei dat we elkaar 'snel weer zouden weerzien'. En hij gooide me tegen een muur aan. Dat was niet zo fijn.'
      'Hij vertelde toevallig niet wie hij was?' vroeg Sam.
      'Nee,' zei ik. 'Hij verdween zomaar.' Ik maakte een gebaar met mijn handen. 'Poef.'
      'Dean,' zei Castiel. 'Wat nou als Crowley haar nodig heeft voor het voorwerp dat hij zoekt?'
      'Oh! Ik ken een Crowley,' zei ik opgewekt. 'Hij woont in Londen, luistert naar Queen en rijdt rond in een zwarte Bentley.'
      Sam en Dean keken elkaar even aan. 'Uh...'
      'Ah, dus het is niet hem,' zei ik, mild teleurgesteld. 'Alhoewel, ik zag hem al niet aan voor een demonenleider of zoiets. Dus, wie is jullie Crowley?'
      'The King of Hell,' zei Dean. 'Alleen is zijn machtspositie nogal gaan wankelen en is hij op zoek naar iets waarmee hij weer controle en macht krijgt over zijn demonen.'
      'Ik dacht dat Satan de Hel bestuurde,' zei ik.
      'Het is een lang verhaal. In ieder geval denken we dat het om een wapen van Oud-Griekse origine komt. En het zou dan goed kunnen dat hij een Griekse halfgod nodig heeft om dat wapen te vinden.'
      'Wat nu helemaal zeker is doordat jij bent aangevallen,' ging Sam verder.
      'Dus hij wilt me gebruiken,' concludeerde ik. 'Goh, wat aardig. Kon hij me niet gewoon bellen in plaats van kidnappen?'
      Dean snoof. 'Hij zal er alles aan doen om dat spul te vinden. Luister, als dat ding net zo machtig is als The Machine van die ene Finch, dan hebben we een probleem. Een tweede Professor X moeten we niet hebben.'
      Ik fronste. Hè? 'Sorry,' zei ik. 'Ik spreek geen Winchester.'
      'Dat voorwerp dat Crowley zoekt,' begon Castiel, 'is zo machtig dat het er ook voor kan zorgen dat de hele mensheid door hem in de gaten gehouden kan worden. In het ergste geval kan hij er ook mee mensen besturen en dan zouden er een heleboel slechte dingen gebeuren. En dan kunnen wij hem niet meer stoppen.'
      Ik zuchtte. 'En wat is het plan nu dan? Gaan we naar hem toe en zeggen we wat we er precies van vinden?'
      'Nou, we weten niet waar hij is,' zei Sam. 'We kunnen op het internet zoeken of er ergens hier vlakbij nog meer demonenactiviteit geweest is, maar tot nu kunnen we niet veel doen.'
      'In ieder geval ga ik jullie wel helpen,' zei ik snel voordat Dean ertussen kon komen, die er nu nogal ontsteld uitzag. 'Kijk niet zo, Dean. Ik mag dan wel geen Hunter zijn, maar ik kan me prima verdedigen. Je zag wat ik met die demonen gedaan heb.'
      'Klopt,' zei hij. 'Hoe komt het eigenlijk dat je zo kan vechten? Is er een soort kamp voor halfbloeden die daar getraind worden?'
      Ik grijnsde. 'Die is er, meerdere zelfs. Weet je, er zijn een hoop dingen waar jullie geen weet van hebben. Maar dat kan later ook wel, we hebben werk te doen.'
      Sam zuchtte en klapte zijn laptop open. 'Jup, het zij zo.'


Rome, New York, 12:15 AM EST, December 13th 2015

'Dus, jullie doen dit al heel lang?' Terwijl mijn eigen laptop bezig was met opstarten bekeek ik wat spulletjes van de broers. In een metalen bakje zaten een heleboel identiteitsbewijzen, inclusief die van de FBI.
      Sam humde iets instemmend, Dean ging onverstoord verder op zijn computer en Castiel zat wat geschriften door te bladeren.
      Ik pakte twee bewijzen van de FBI. 'Agent Mulder en Agent Scully? Serieus? Deze zijn allemaal vals. Jullie weten dat je daarvoor gearresteerd kan worden.'
      'Het is niet echt alsof we op een andere manier informatie over slachtoffers van bovennatuurlijke monsters kunnen krijgen,' zei Dean chagrijnig.
      'Hmm. Jullie moeten blij zijn dat ik jullie niet laat arresteren.' Ik legde de kaarten weer terug. 'Trouwens, het is nogal laat. Moeten jullie niet gaan slapen?'
      'Hoe eerder we Crowley vinden, hoe beter,' zei Sam.
      'En je bent niet onze moeder,' voegde Dean daar aan toe.
      'Oké, dat is waar,' zei ik. Ik bleef een beetje ronddrentelen en ging toen maar achter mijn laptop zitten. Ik zag gelijk dat ik een nieuw bericht van Clint binnen had gekregen.


Ben je al in Phillie? Kom snel terug, we missen je nu al xxx

Ik haalde een wenkbrauw op. Die x'jes waren nou echt niet nodig. Ik typte snel iets terug.

Nope, er is iets tussengekomen. No worries, doe de groetjes aan de anderen.

Na nog even twijfelen voegde ik daar iets aan toe.

En waarom al die x'jes? Is dit nieuwe codetaal van SHIELD dat ik nog niet ken?

Ik kreeg haast direct een antwoord terug: :-)

Oké, een beetje creepy. Niet echt bepaald Clint-achtig.
      Ik bedacht me dat er in de databases van SHIELD misschien informatie te vinden was over recente ongevallen die te maken konden hebben met demonen. Ik keek even naar de Winchesters en Castiel. Ze wisten helemaal niet dat ik eigenlijk een agent was van een geheime organisatie. Ik wist niet zeker of ik ze wel genoeg vertrouwde om dat te zeggen.
      Ach ja, ik had toch vakantie. Technisch gezien dan.
      Technisch gezien hoorde ik nu te slapen, of op z'n minst zorgen te maken over mijn moeder en mijn halfgodenachtergrond. En wie mijn vader eigenlijk was. En hoe raar mijn leven eigenlijk was geworden.
      Ik vroeg me af hoe het met Rivka en Clint ging. Toen ik wegging hadden ze een nieuwe missie gekregen, iets met een zieke gast die mensen in robots veranderde die continue 'YOU WILL BE DELETED' schreeuwden. Ik wist zeker dat ze er mee om konden gaan.
      En ondertussen zat ik zelf met mijn eigen problemen. Ik vroeg me af hoe lang Sam en Dean dit al deden. Ze zagen er nogal moe uit, of misschien lag dat gewoon aan het tijdstip.
      Een engel, twee Hunters en een halfgod zaten in een motelkamer in Rome, research aan het doen naar waar The King of Hell zou kunnen uithangen. Het leek bijna het begin van een slechte grap.
      Ik zuchtte. Dit zou nog een lange nacht worden.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen