Met een harde duw werd ik op de grond gegooid. De bemanning van het schip keek me verdwaasd aan, tot de tweede stuurman het dek op stormde en beschuldigend naar me wees. 'We zijn belogen,' bulderde hij, 'Al die weken op zee waren we in gevaar! Het is een wonder dat we nog leven!' Hij kwam bij me staan en keek op me neer. 'We hadden een vrouw mee aan boord.' Gebiologeerd zag ik hoe de gezichtsuitdrukkingen van de mannen rond me veranderden. Van onbegrip naar verrassing en uiteindelijk naar het onmiskenbare afschuw.
'Een vrouw?' durfde een jongen, die het dek kuiste, uit te brengen. 'Dat kan toch niet? We kennen Jonathan en-'
'Oh ja?!' schreeuwde de stuurman, waarop hij me omhoog sleurde en het hemd van mijn lijf scheurde. Ik sloeg mijn ogen neer, wetende wat de mannen rond me zouden zien. De zorgvuldig aangebrachte stukken linnen die strak rond mijn torso zaten en mijn boezem moesten verbergen. Ik hoorde hoe ze sisten en sommigen spuwden in mijn richting.
Mijn hart klopte wild maar ik wist dat ik er niets tegenin kon brengen. Al die weken wist ik dat dit kon gebeuren. Iedere keer als ik me omkleedde of in een onbewaakt moment mijn stem niet lager maakte, wist ik het. Iedere dag kon ik betrapt worden, maar ik had geen keus. Ik had geen thuis in de stad en ik zou zonder twijfel gestorven zijn in de verlaten straten, zonder voedsel of enige bron van warmte. Het gebons van de wilde golven en het zout in mijn haar daarentegen gaven me het gevoel dat ik leefde - een gevoel van vrijheid. Het was ieder risico waard.
'Wat moeten we nu?' vroeg de lichtmatroos. 'Iedereen weet dat een vrouw aan boord ongeluk brengt. Brengen we haar aan land?'
'Nee,' klonk een barse stem achter het groepje. Meteen week iedereen achteruit, het hoofd respectvol gebogen, zodat de kapitein bij me kon komen. 'We zitten op koers en die gaan we niet veranderen. Het duurt nog maanden voor we aan wal steken.'
'Maar kapitein,' begon de tweede stuurman, die me betrapt had. 'Ze kan hier niet blijven.'
'Natuurlijk niet,' sneerde hij. Een wrede grijns verspreidde over zijn gezicht. 'We laten haar de plank lopen.'
Meteen werden woorden bij daden gevoegd en vier mannen sleepten de houten plank richting de rand van het schip. De stuurman nam theatraal een lang stuk touw en knoopte dat rond mijn benen en polsen. Ik zag hoe de mannen rondom me, die ik nog minder dan een half uur geleden mijn vrienden kon noemen, op me neerkeken. Ze sleepten me hardhandig naar de plank, waar ze me dwongen recht te staan.
'Alsjeblieft,' begon ik, wetende dat het tevergeefs was. 'Jullie weten wie ik ben, we zijn al zo lang samen op zee!'
'Zwijg,' grauwde de stuurman, die zijn pistool op me richtte. 'Je weet wat te doen.'
Hij had gelijk. Ik had zoveel verschillende mannen - vijanden - zien verdwijnen op de bodem van de zee, hun geschreeuw verstomd door het geruis van de golven. Met kleine stapjes liep ik naar de rand van de plank, die gevaarlijk wankelde.
'Nog enige laatste woorden?' vroeg de kapitein met zijn donkere ogen. Ik perste mijn lippen opeen en schudde mijn hoofd, terwijl de golven van angst net zo woest door me heen gingen als de zee onder me. 'Dan groet ik je nu vaarwel Jonathan - of hoe je ook moge heten. Het ga je goed, daar op de bodem van de zee!' Hij juichte en de bemanning volgde snel, stampend met hun voeten en met vuisten in de lucht. Hij nam zijn pistool, schoot eenmaal in de lucht en gaf toen een ferme trap tegen de plank. Angstvallig probeerde ik mijn evenwicht te bewaren maar één misstapje en ik suisde door de lucht.
Het ijskoude water ving me op en sneed als kleine mesjes door me heen. Ik schreeuwde alle lucht uit mijn longen, waardoor honderden belletjes in het water omhoog borrelden. Ik kronkelde mijn lichaam in verschillende bochten maar de strakke touwen maakten het onmogelijk vooruit te komen. Een paniekerige stem schreeuwde in mijn hoofd terwijl ik als een steen zonk, richting de dieperik onder me.
Langzaam werden mijn bewegingen trager, werd de stem in mijn hoofd zachter. Het koude water werd een omringend deken, dat zwaar op de drukte. Stil maar, leek het te zeggen, je hoeft niet meer te vechten. Laat je gaan. Slaap. Ik kon niet meer vechten, kon niet meer hopen, dus ik gehoorzaamde. Boven me zag ik hoe de maan op het watervlak scheen en hoe de nacht zich over me ontfermde. Alles werd zwart.

Hoewel ik duidelijk het water in mijn middenrif kon voelen, trok iets me terug naar bewustzijn. Ik zonk nog steeds, maar ditmaal kon ik duidelijk dingen onderscheiden in het zwarte water onder me. Wat was er in vredesnaam aan de hand?
Ergens hoorde ik een gedempte stem, hoog en verleidelijk. Hij vulde me met hoop en het leek wel alsof mijn lichaam omringd werd door een gouden gloed. Op dat moment voelde ik hoe mijn vastgebonden benen, veranderde. Mijn gebruinde vel maakte plaats voor een dun laagje schubben en de scheiding tussen mijn benen verdween. Waar de touwen mijn enkels hadden vastgebonden, verschenen twee reusachtige vliezen. In ruil voor mijn vastgebonden, hulpeloze benen kreeg ik een meerminnenstaart.
In het begin voelde het erg onwennig, maar na een tijdje kon ik normaal ademhalen dankzij de kleine kieuwen achter mijn oren. Verwonderd keek ik naar mijn lichaam. Natuurlijk had ik de mythes gehoord die de bemanning bij een warm vuur deelde. Verhalen over prachtige vrouwen die naïeve mannen op zee naar zich toe lokten met hun gezang. Zodra ze dicht genoeg waren, grepen deze wezens de mannen bij de keel om ze naar bedenen te sleuren en God weet wat ermee te doen. Het enige dat we zeker wisten was dat geen enkele man zoiets overleven zou.
Terwijl ik kleine rondjes zwom en probeerde uit te zoeken hoe ik me kon voortbewegen, drong het tot me binnen. Zeemeerminnen waren niet gewoon mystieke wezens, verzonnen door één of andere sprookjesverteller. Ze waren de verloren vrouwen, gedoemd tot een verdrinkingsdood die hen opgelegd werd door - hoe kon het ook anders - goedgelovige mannen. Dit was hun tweede kans, hun kans op wraak.
Zodra de puzzelstukjes op hun plaats lagen, zwom ik naar het wateroppervlak. Daar, in de verte, zag ik hoe het schip dat ik niet langer mijn thuis kon noemen richting de horizon vaarde en het opbotsend schuim achter zich liet. Tijd om mijn staart te testen.
Met twee armen voor me uit maakte ik een soepele beweging met mijn staart en schoot pijlsnel vooruit. Het was verbazingwekkend, ik was sneller dan elk schip dat ik in mijn korte leven was tegengekomen. Het gevoel van het water dat langs me heen gleed bezorgde me een intense glimlach. Dit was geweldig.
Het duurde niet lang voor ik het schip had ingehaald en vanuit het water kon zien hoe alles terug zijn gewone leventje ging. Een kleine steek ging door me heen, maar ik schudde het snel van me af en ging op een kleine rots zitten, die net uit het water kwam. De tweede stuurman. Hij had alles in gang gezet, hij had het verdiend.
De eerste noten die uit mijn keel kwamen, klonken fragiel en dunnetjes maar geleidelijk aan ontdekte ik de kracht van mijn stem. En terwijl mijn keel nog steeds prikte van al het zeezout dat ik had binnen gekregen, zong ik.
Het leek wel alsof hij slaapwandelde. Met ogen weid open gesperd, liep de stuurman over dezelfde plank als die waar ik nog enkele momenten geleden op had gestaan. De rest van de bemanning had niets in de gaten, tot hij net over de rand stond. Ze riepen zijn naam, vroegen wat hij in godsnaam aan het doen was. Zijn grote ogen keken nietszeggend naar de zee, zo enorm onder zijn voeten.
Een kleine glimlach verspreidde over mijn lippen terwijl ik de laatste noten zong en hem overhaalde. Eén klein sprongetje en hij belandde in het water. Terwijl de bemanning naar de rand van het schip rende om te kijken waar hij gebleven was, zwom ik naar de stuurman toe. Ik nam hem bij zijn pols en zwom recht voor hem, mijn donkere lokken rond mijn gezicht verspreid. Ik zag hoe hij me herkende, eindelijk uit de betovering gebroken. Hij opende zijn mond, klaar om te schreeuwen. Ik trok hem naar beneden, dieper en dieper.
Zo ging ik door tot alle verraders hetzelfde lot vonden. De kapitein, de vrienden die me zo verraden hadden en niets hadden gedaan. Ze lagen allemaal op de bodem van de zee, met opengesperde monden en wilde ogen.
Daarna bleef ik de rest van mijn leven zwerven op zee. Ik had mijn wraak gekregen en gebruikte mijn lokstem dan ook niet meer. Jarenlang bleef ik rond dwalen maar vond geen thuis zoals ik dat gekend had aan boord. Uiteindelijk gebruikte ik mijn stem één laatste keer en lokte mezelf. Daar vond ik rust, tussen de vrienden waar ik zoveel om gegeven had. Daar was ik thuis.

Reacties (3)

  • Navarro

    Dit is echt heerlijk gemakkelijk weg te lezen en gewoon begrijpelijk. Ik hou daar echt van.

    3 jaar geleden
  • Awgeangel

    Je beschrijvingen zijn bae en je schrijfstijl is lekker gedetailleerd maar luchtig tegelijk.

    3 jaar geleden
  • Semantiek

    *begint Als een druppel in de zee opnieuw te lezen*

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen