Foto bij Ijzerhart

Ik opende voorzichtig mijn ogen. Inkt, saffier, perkament. 'Matsuda?' Hij grijnsde zo breed dat ik er bijna bang van werd. 'Erza!!! Weet je alles weer?!' 'Ja...' Zei ik zwak. Ik had nog steeds hoofdpijn. 'Alleen niet hoe ik mijn geheugen weer heb.' 'Nou,' Begon hij enthousiast. 'Er waren Wezens, dat zijn een soort visachtige wezentjes, en één van die wezens, Nymph heette ze, heeft je genezen!' 'Oké.' 'Hoe voel je je?' Ik knipperde langzaam. 'Moe. En ik heb hoofdpijn.' 'Je mag slapen.' Ik rolde op de grond. 'Weet je, ik zou graag weer een keer in een echt bed willen slapen. Ik heb overal beurse plekken.' Matsuda knikte instemmend. Ik deed mijn ogen dicht, maar kwam maar niet in slaap. Ik opende mijn ogen even. 'Hé, Mat! Ik kan niet slapen als je zo naar me zit te koekeloeren.' 'S-sorry.' Mompelde hij. 'Ik keek net toevallig.' Ja ja, dacht ik. Het lukte me om even in slaap te vallen, maar even later werd ik ruw gewekt. 'Wakker worden!' Ik opende mijn ogen slaperig. 'Eikel, ik sliep net.' De eikel pakte mijn hand en sleurde me mee naar ene boom. 'Er komt een ridder langs stomkop.' Ik moest mijn best doen om niet te lachen. We gebruikten scheldwoorden (voor hoe ver dat scheldwoorden zijn) naar elkaar alsof het koosnamen waren. De ridder was voorbij. Ik zuchtte opgelucht. 'Misschien moet je maar niet weer gaan slapen. Zo lukt het vannacht niet meer. Ik knikte. 'Ik wou nog even zeggen dat ik heel blij ben met mijn geheugen.' Zei ik uit het niets. Matsuda lachte.

'Hee, kijk! Nog een dorp!' Ik wees. 'We komen er wel veel tegen zeg!' 'Laten we gaan kijken.' Zei Matsuda. Het dorp was klein en bijna uitgestorven. De verf bladderde van de meeste huizen en winkels. Bij één winkel stond het bordje: magie voor beginners. 'Even kijken.' Zei Matsuda, en hij liep naar binnen. Ik liep achter hem aan en bekeek in het voorbijgaan de stoffige etalage waar een boek: tover sneller een maaltijd tevoorschijn dan je 'honger' kunt zeggen. Een lange, dunne toverstok, en een korte dikke. Ze zagen er uit alsof ze hun beste tijd gehad hadden. Matsuda bestudeerde het bordje die met de kant 'gesloten' naar buiten hing, en haalde zijn schouders op. Er lagen meer boeken, inkt, flesjes, ketels en dode dieren die veel weg hadden van salamanders. We keken een tijdje rond, maar plots hoorden we voetstappen buiten, en ene hand op de deur. Voor ik iets kon doen trok Matsuda me een bezemkast in. Net op tijd. De bezemkast was donker en ongelofelijk klein. Ik voelden mijn wangen warm worden, want we stonden vol tegen elkaar aan geperst. 'Eigenlijk gesloten... Voor jou uitzondering... Grote eer...' Ik hoorde een paar woorden vallen. Ik hoorde voetstappen steeds dichter bij komen. 'Meneer Oslo in levende lijven in mijn winkel. Wat kan ik voor u doen meneer?' Ik snakte geluidloos naar adem. Oslo? Oslo?!!?! I raakte in paniek. Ik stond hier in een donkere, kleine kast met de persoon die ik het meeste haatte van de HELE wereld in de zelfde winkel. Mijn borst ging steeds sneller op en neer, en mijn ademhaling veranderde in geluidloos hyperventileren. En ik leidde ook nog aan een lichte vorm van claustrofobie! Matsuda bewoog onrustig. Mijn lichaam werd zowat geplet. 'Sta stil!' Siste ik zo stil als ik kon. Het was ongelofelijk ongemakkelijk. Maar toch, liever Matsuda dan een vreemdeling. 'Iets om snel mee te doden.' Zei Oslo. Ik voelde haat door heel mijn lichaam stromen toen ik die stem weer hoorde spreken. Het liefste was ik hem aangevlogen, had ik hem neergestoken, en een pijnlijke, langzame dood laten sterven. Maar ik moest me gedeisd houden. 'Natuurlijk meneer. Zo veel als u wilt. Gratis natuurlijk.' Zei de verkoper gluiperig. De voetstappen verdwenen allebei de deur uit. Ik wou de deur openduwen, maar Matsuda hield me tegen. 'Niet doen. Misschien komen ze terug.' Door de stem van Oslo weer gehoord te hebben overspoelde verdriet me plots. Ik beet mijn kiezen op elkaar en balde mijn vuisten. Niet huilen, niet huilen, huilen is voor baby's. Spoorde ik mezelf aan. Toen voelde ik Matsda's hand op mijn hoofd. 'Rustig maar.' Hij wreef heen en weer. Hoe wist hij nou dat ik verdriet had? 'Ik voel me prima.' Loog ik. Ze kwamen niet terug, en ik rende bijna de deur uit. Ik had weer ruimte om me heen! Buiten scheen de zon en zongen de vogels. Er was geen enkel spoor van Oslo te zien in het vervallen dorpje.

'Zullen we hier gaan slapen? Er is hier een rivier, en zo te zien hebben er al eerder mensen geslapen. Er staan resten van een kampvuur, en kijk! Ze zijn hun dekens vergeten.' 'Of ze zijn hier nog.' Zei ik. 'Nee, dat kampvuur moet al minstens een maand lang uit zijn.' 'Oké, dan vind ik het goed.' Zei ik. 'Ik ga boven op de heuvel wel een vuur maken, dan kan jij je wassen in de rivier. Ik weet niet hoe ik dot vriendelijk kan zeggen, dus ik zeg het zo wel: je stinkt. En ik ook, dus ik ga na je.' Zei Matsuda. 'Oké, ik kom zo wel naar je toe. En niet kijken, anders vermoord ik je!' 'Hoezo zou ik kijken?' Vroeg hij doodserieus. Ik lachte en duwde hem de heuvel op. De zon had in de middag nog geschenen, maar nu waaide er een koude wind die me liet rillen. Ik keek naar boen en zag Matsuda druk met wat hout bezig zijn. De kust was veilig. Ik kleedde me snel uit. Mijn ondergoed lede ik droog ergens langs de kant, en mijn kleren legde ik in het water. Toen stapte ik het ijskoude water in. Ik kreeg kippenvel, maar toch was het koude water niet zo erg. Mijn vingertoppen gleden door het zilveren water. Ik keek even om naar Matsuda. Ik kon me niet meer voorstellen dat ik hem gehaat had. Hij zat met zijn tong uit zijn mond zich hard te consenteren op een vuur maken. Ik kreeg kriebels in mijn buik. Wat?! Waarom? Het koude water. Hield ik mezelf voor. Ik stapte wat dieper de rivier in. De punt van mijn vlecht hing in het water als een natte kwast. Ik voelde iets kriebelen op mijn rug, en toen een beetje prikken. Ik haalde mijn hand in een onnatuurlijke hoek naar mijn rug toe. Een mug vloog weg. Ik probeerde het dier dood te klappen, maar hij was al te ver weg. Getver. De muggenbeet jeukte als een gek. Ik streek mijn vlecht over mijn schouder. Het werd saai, misschien moest ik iets anders in mijn haar proberen. Dat zou Matsuda leuk vinden. Matsuda Matsuda Matsuda! Wat was er toch met me?! Oké, ik moest mezelf niet langer voor de gek houden. Ik was verliefd op Matsuda, en niet een beetje ook. Bij die gedachte schrok ik heel erg. Ik had het nog zo erg proberen te ontkennen! Maar ja, hij was wel zowat álles wat je in een jongen zocht. Hij was aardig, behulpzaam, grappig, knap, sterk, meelevend. Ik zuchtte. Maar ja, natuurlijk zou hij nooit zoiets voor mij voelen. Ik was gewoon 'een vriendin'. Eigenlijk had ik ook nog nooit iets voor een jongen gevoeld. Mijn hart was gewoon kieskeurig. Erza ijzerhart. Ik lachte schamper. Ik moest maar weer terugkeren. Maar opeens voelde ik me veel zenuwachtiger. Wat nou als ik er per ongeluk uitflapte dat ik hem leuk vond?! Of als ik het juist nooit van mijn leven zei, en dan nooit zou kunnen trouwen! Niet te veel over nadenken. Dwong ik mezelf. Ik trok mijn ondergoed aan, en rilde hevig toen de koude wind langs mij streek als ene koud mes. Shit. Mijn kleren waren nog doorweekt, en als ik ze aantrok werd ik ziek. Ik legde mijn kleren in en gras en bekeek mezelf in het water. Ik was eigenlijk niet tevreden met mezelf. Mijn haar had ik al uit de vlecht gehaald, en hing klitterig langs mijn gezicht. Ik was veel magerder geworden, en mijn weinige vormen leken nu nog erger weg te vallen. Ik probeerde een paardenstaart. Nee, het leek nu net alsof ik bijna geen haar had. Misschien twee vlechten. Ja, dat zag er wel leuk uit. Ik zag er schattiger uit, maar niet kinderachtig. Ik liep langzaam de heuvel op. Matsuda horde me aankomen. 'Mag ik al kijken?' 'Haha! Een echte heer!' Hij keek op, en kreeg een rode blos op zijn wangen. 'Erza! Waarom heb je bijna geen kleren aan?!' Riep hij geschrokken. 'Die zijn nat. Sorry, ik had er niet goed over nagedacht, maar als ik ze aantrek word ik ziek.' 'Hmm... Je hebt gelijk. Eigenlijk moet ik mijn kleren ook wassen. Nou ja, niks aan te doen. We hebben geluk dat de vorige mensen hun dekens achtergelaten hebben. En o ja! Ik heb het vuur al aangekregen!' Na dat gezegd te hebben rende hij met een enorme vaart de heuvel af. Et vuurtje was nog klein, en ik probeerde daarnaar te kijken. Het was moeilijk om toch niet even stiekem te kijken, zeker nu ik uitgevist had wat ik werkelijk voor mijn beste vriend voelde. Het was alsof iemand een kanon naast je afschoot en riep: 'Niet naar luisteren!' Het was gewoon onmogelijk, en mijn ogen flitsten héél even naar Matsuda. Godzijdank, hij had zijn onderbroek nog aan, en stond zijn kleren in de rivier te leggen. Ik stond op, en legde de dekens onder een boom. De eerste twee dekens legde ik op de grond, de anderen twee er boven op. Toen ging ik op zoek naar grote takken om tegen de boom aan te zetten als beschutting. Ik vond reusachtige bladeren van een boom die ik vaag herinnerde van een plaatje uit één van Dubhe's boeken. Toen ik weer bij het vuur ging zitten zat Matsuda er al. 'Hoi.' Ik moest mijn best doen om normaal te blijven ademen. Mijn hart, mijn ijzerhart, versnelde met tikken. Waarom moest hij niet gisteren, toen ik het nog niet wist, halfnaakt voor mijn neus gaan zitten?! Ik draaide me gauw om om niet te staren naar zijn magere, gespierde, lichaam, en deed alsof ik de dekens recht legde. Hij snakte naar adem. 'Wat?!' Vroeg geschrokken om me heen kijkend. 'Je-je rug!' 'Wat is er met mijn rug?!' 'Die líttekens! Er steken zelfs nog veren uit!' Ik ademde opgelucht uit. 'Oh, godzijdank ik dacht dat er echt wat ergs was.' Ik plofte naast hem neer, en keek automatisch weer naar hem. 'Maar dat is wél erg!' 'Het valt mee.' 'Niet waar! Die afgrijselijke dingen lopen over je hele rug!' Ik zuchtte. 'Zal ik in elk geval de veertjes eruit plukken?' Het voelde alsof iets eventjes in mijn hart kneep, en ik kreeg zweethanden. 'O-oké.' Zei ik verlegen, en draaide mijn rug naar hem toe. Hij legde zijn hand op mijn nek, mijn hart versnelde meteen weer, en pakte voorzichtig een klein, afgebroken veertje vast, en trok zachtjes. Het deed pijn, maar was niet heel erg. Een grotere trok hij er sneller uit, en daar wad ik dankbaar voor, want ik had bijna gejammerd. 'Oké, klaar.' Ik ademde uit. 'Ik zag daar ergens een bessenstruik. Ik ga wel wat plukken.' Zei ik gauw, en weg was ik. Van achter de struiken gluurde ik naar hem. Wat was hij knap! Ik wou extra veel eten mee nemen. Hij had het duidelijk nodig, en ik ook. Somber dacht ik aan mijn figuur dat veel weg had van een plank. Een ander meisje van mijn leeftijd zou mij vast uitlachen en zich afvragen waar mijn kont was. Ik spotte ook een appelboom, een perenboom, én een sinaasappelboom. Toen ik terugkwam keek Matsuda verlekkerd naar al het eten. 'Erza je bent geweldig!' Zei hij vermoeid. Ik zag nu pas dat hij donkere kringen onder zijn ogen had. 'Wat is er? Hoe kan je zo uitgeput zijn?' 'Ik heb slecht geslapen de afgelopen dagen. Stress en zorgen om jou.' Ik voelde me schuldig en gevleid tegelijk. 'Sorry.' 'Hoezo verontschuldig je je? Jij kan er niks aan doen. Het is mijn eigen stomme rotschuld.' Zei hij sip. 'Daar kan je niks aan doen.' Zei ik. 'Denk je dat ik me geen zorgen om jou maak?' 'Waarvoor?' Vroeg hij verbaasd. Ik werd een beetje zenuwachtig. 'Nou, uh, gewoon. Oslo of weet ik veel wat.' Was dat te veel gezegd? Hij glimlachte naar me. 'Dat is aardig van je. Kom zitten, ik zie dat je bevriest. Het vuur is al groot.' Ik zag nu pas dat hij heel de tijd naar me zat te staren. Zijn blik gleed over mijn hele lichaam. Ik ging gauw naast hem zitten, hopend dat hij in het vuur zou kijken, in plaats van naar mij. Ik was al onzeker genoeg zonder dat ik me ook nog zorgen ging maken over wat Matsuda over me dacht. We zaten een tijdje en keek hoe de vlammen dansten, de wind zong in vreemde talen, en ons bevroor met zijn mysterieuze kou.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen