Foto bij Toverdranken

'Hier.' Ik gaf de waterfles aan. 'Dank je.' Hij pakte het aan, maar onze vingers raakten elkaar. Ik keek blozend naar de grond. 'Sorry.' Mompelde hij. Tijdens het lopen zei Matsuda: 'Het Feeënrijk kan toch niet ver weg meer zijn?' Ik keek op. 'Nee, volgens mij zijn we al redelijk dicht bij. Ik verstijfde. Er stond een man op het pad. Hij had een kar bij zich. 'Moeten we vluchten? Hij heeft ons nog niet gezien.' Fluisterde Matsuda. 'Nee, laten we even gedag zeggen. Ik ken deze man.' Het was de oude man dienst bij de zwarte bron tegen was gekomen en waar ik mijn toverdranken gekocht had. Ik had eigenlijk niet verwacht dat hij nog in leven was, aangezien zijn kleindochter dood was. 'Hallo!' Riep ik. De man schrok op. 'Ken ik jou niet... De zwarte bron hé?' 'Ja meneer.' Zei ik vriendelijk. Toen kuchte ik ongemakkelijk. 'Gecondoleerd met uw kleindochter.' De man keek somber. 'Dus je weet het van Isabella?' Ik knikte. 'Ja, ik heb haar gezien. Het was verschrikkelijk.' Ik zag tranen in zijn ooghoeken. 'Kunnen wij iets van u kopen?' Vroeg ik gauw. 'Wat wil je?' 'Helingsdrank zou fijn zijn.' Zei Matsuda. De man pakte een potje en Matsuda betaalde het bedrag. Toen we weg waren vroeg hij: 'Wat had dat te betekenen? En wie is Isabella?' 'Ik heb deze man al eerder ontmoet, en wat van hem gekocht. Hij had een kleindochter, maar die is vermoord. Het verbaasde me dat hij nog leefde.' 'Ja.' Zei Mat afwezig. 'Waar denk je aan?' Vroeg ik, en ging achterstevoren voor hem uit lopen. Ik was in een goede stemming, en wou daar gebruik van maken om me eens normaal tegenover Matsuda te gedragen. 'We zijn al dicht bij het Feeënrijk. Ik zit te denken over hoe het daarna verder gaat, de terugreis, het leven daarna...' Hij zuchtte. Ik beet op mijn lip. Ja, wat dan? Zou ik hem nooit meer zien? Mijn knokkels werden wit toen ik mijn handen tot vuisten balde. Nee, ik zou hem nog komen opzoeken, dat moest! Het kwam wel goed... Ik hield mijn adem in, er was een vreselijke gedachte in me opgelkomen: wat als het geen nut had om het blaadje te planten? In takjes en blaadjes zat geen zaad, dat had dus eigenlijk geen zin! Maar het was niet zomaar een takje! Het kwam uit het Feeënrijk! Misschien konden we eerst van die Helingsdrank over heen gieten. 'Luna!' Riep ik. De melkwitte draak streek naast mij neer en keek me aan het haar zwarte oogjes. 'Wat is er?' Seinde ze. 'Ik wil dat je gaat kijken hoe ver het Feeënrijk nog is.' Zei ik hardop. Ze knipperde even met haar oogjes, en leek te zeggen: nee, ik wil niet. 'Toe maar.' Spoorde ik haar aan, en ze vloog weg. Toen we gingen slapen was ze nog niet terug.

Ik werd wakker en zag in de plaats van Matsuda's gezicht de maan die in mijn gezicht scheen. Slaperig wreef ik in mijn ogen en keek naar Matsuda. Hij sliep, maar zijn gezicht stond niet vredig. In tegendeel: zijn wenkbrauwen waren gefronst, en zijn ogen dichtgeknepen. Hij woelde heen en weer en mompelde dingen die ik niet verstond. Dit had ik al eerder meegemaakt! Maar nu kleurde zijn haar niet wit, er gebeurde niks met zijn uiterlijk. Aarzelend stak ik mijn hand naar hem uit en gaf hem een zachte por in zijn zij. 'Wakker worden.' Zei ik op normale toon, en bleef kalm. 'Hou op.' Zei hij, bang als een klein kind die gestraft werd. 'Het is oké, gewoon wakker worden.' Ik schudde aan zijn schouder. Toen opende hij zijn ogen en schoot overeind. 'Wie? Wat?' 'Je droomde weer.' Zei ik bezorgd. 'Oh.' Hij keek neerslachtig naar de grond. 'Maar je haar is nog gewoon.' Hij knikte en we zaten in een ongemakkelijke stilte naar het gras te staren alsof dat zo interessant was. 'Het is wel vreemd hé?' 'Wat?' Vroeg ik, nogsteeds naar het gras starend. 'Dat jij altijd later wakker wordt dan ik, maar als ik vervelend droom, jij opeens wakker bent en mij kan wekken.' Ik fronste. 'Ja.' Zei ik instemmend. 'Kijk!' Riep Matsuda. Ik volgde zijn uitgestoken vinger naar de hemel, en zag Luna. 'Luna!' Riep ik blij. Zachtjes straal ze naast mij neer, en snoof. 'Geen eten?' Vroeg ze in mijn gedachten. 'Ga zelf maar een muis vangen.' Seinde ik glimlachend terug. 'Heeft ze iets gevonden?' Vroeg Matsuda. Ik haalde mijn schouders op terwijl ik dat in gedachten vroeg. 'Ze zegt dat het niet ver weg meer is, maar ze weet niet hoelang dat voor ons lopen is.' Hij knikte. 'Praat jij nou echt met haar?' 'Een soort van.' Zei ik, oogcontact vermijdend. Luna liep weer weg, op zoek naar eten. Wij probeerden weer te slapen, maar dat lukte niet, en na een tijde lagen we grapjes te maken. Ik lachte om al zijn grapjes, zelfs als ze niet grappig waren. Ik merkte dat het weer makkelijker werd om met hem te praten, maar ik en nog steeds niet aan durfde te kijken. Maar toen de zon op begon te komen begonnen mijn oogleden zwaar te worden. De geur van het gras maakte me duizelig en ik viel weer langzaam in slaap.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen