Foto bij ~008

Ik heb ongeveer een uur liggen slapen wanneer ik wakker wordt van een zwaar gegrom. Zonder enig geluid te maken sta ik op en grijp mijn zwaard. Dan wacht ik luisterend af. Er staat een volle maan aan de hemel en het licht werpt overal ijzingwekkende schaduwen. Ik hoor zachte voetstappen en gesnuffel, gevolgd door nog een diep gegrom. Dan stapt er uit de schaduwen rechts van me een op een mens lijkende gestalte tevoorschijn; wanneer hij naderbij komt, zie ik dat zijn borst, armen en gezicht met dik bruin haar zijn bedekt en dat er lange tanden uit zijn mond steken. Het is een Weerwolf, en ik moet wel met hem vechten.

Buiten een paar schrammen ben ik er goed van uitgekomen, de Weerwolf daarentegen niet echt. Ik maak me gereed om weer te gaan slapen, maar ineens begin ik te sidderen en te beven. Het zweet breekt uit mijn lijf, en toch heb ik het erg koud. Ik bedenk me opeens dat ik misschien wel in een Weerwolf kan veranderen door die opgelopen wonden! Met Wolfskers kan ik dat tegen houden, maar ik heb dat niet bij me.

Met een branderig gevoel in mijn lichaam zink ik weg in een hevige koorts. De koorts houd me in zijn greep en zie ik tot mijn afgrijzen dik bruin haar op de rug van mijn handen verschijnen. Al ben ik zwak van de koorts, het lukt me toch rechtop te gaan zitten. Ik pak een mes en, terwijl ik mijn tanden stevig op elkaar zet, snij ik in mijn vel op de plek waar de Weerwolf me heeft gebeten. Er stroomt snel bloed uit de wond weg, en hopelijk stroomt de ziekte mee.

Mijn plan werkt en de koorts zakt. Het haar op de rug van mijn handen verdwijnt gelukkig, en uitgeput val ik weer in slaap. De volgende morgen raap ik mijn spullen bij elkaar en trek noordwaarts over het pad de heuvels in.

De grond is tamelijk steil wanneer het pad de heuvels in voert. Tegen de tijd dat ik de top heb bereikt is de zon al behoorlijk warm. Waar ik ook kijk zie ik in de verte de donkergroene kring van het Duidster Woud. Over het hoger gras achter me hangt nog nevel, maar recht vooruit zie ik een zonnige vallei. Er heerst alom rust. Wanneer ik aan de andere kant van de heuvel begin af te dalen, zie ik een kruising in het pad. Ik kan verder noordwaarts trekken, of naar de nieuwe aftakking naar het oosten koersen.

Ik ga maar eens die nieuwe aftakking proberen. Het pad loopt over een heuvelrug en komt weer bij een kruising. Ik zie dat de weg naar het zuiden naar de rivier terugvoert, dus besluit ik weer naar het noorden te trekken.

Reacties (1)

  • Allmilla

    Ocharme de weerwolf! :|

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen