Foto bij Alle puzzelstukjes

'Misschien moeten we iets doen om onze zonden goed te maken.' Stelde Matsuda voor. 'Goed idee, maar hoe?' Vroeg ik peinzend. 'Als we ín het Feeënrijk zijn, dan kunnen we wat goeds doen!' De frustratie in mijn stem was goed te horen. Uit het niets legde Matsuda zijn hand weer op het hek, en kneep zijn ogen stijf dicht. 'Wat doe je?' Vroeg ik. Teleurgesteld liet hij zijn hand zakken. 'Ik probeerde het hek te dwingen, en uit te leggen wat jij net zei.' 'Het hek kan je niet horen hoor...' Zei ik sarcastisch. Hij grijnsde beschamend. 'Kan jij niet een of andere Feeënkracht op dat hek smijten?' Ik lachte. 'Kon ik het maar!' Matsuda staarde weer peinzend naar de lucht. 'De drager van het Ossenteken... Een uitverkorene...' Mompelde hij. 'Wat? Wat heeft dat er mee te maken?' Vroeg ik met een raar gevoel. 'Ik ben het niet met je eens als je vind dat jij niks meer kan nu je je vleugels kwijt bent. Je bent niet zomaar de drager van het Ossenteken. Je moet je krachten nog gewoon ontdekken. Jij bent bijzonder, Erza.' Ik bloosde. 'Maar misschien ben ik dat wel niet. Het betekend niet meteen dat ik het ben omdat jij er over gedroomd hebt.' 'Maar wat verklaart dat litteken op je arm dan?' Hij had gelijk. 'Je hebt gelijk.' Gaf ik toe. 'Geef me gewoon wat tijd, zullen we gaan slapen?' Ik gaapte. 'Als jij het zegt.' Hij leek teleurgesteld, en dat wou ik niet. Ik wou hem helpen, ik wou dat hij trots op mij kon zijn. Want héél, héél misschien, als ik iets goeds zou doen, als ik iets deed waar hij van onder de indruk van kon zijn, dan zou hij misschien meer voor mij kunnen gaan voelen. Maar de kans dat zijn gevoelens op mijn hoogte zouden komen, én hij het zou zeggen was zó klein dat ik het maar beter op kon geven. Want we waren vrienden, en ja dat deed pijn, maar toch mocht ik daar al heel erg van boffen. En ondanks alles, was de pijn misschien niet zo erg. Ik kon er mee leven. Ik was oké. Zelfs als ik was gevallen, en er was geen hand om me omhoog te te trekken, ik was oké. Ik kon zelf opstaan, alleen. Ik leefde nog, dus ik was oké, ik was gelukkig. Zelfs als ik geen schouder had om tegen te huilen, ik hand alsnog zijn troostende woorden, en die boden bijna even veel troost. Ik kon mijn eigen tranen drogen. Ik ben oké. Ik glimlachte. Het was waar. Hij hoefde zich geen zorgen over mij te maken, en als dat toch nodig was, dan kon ik nog altijd een glimlach forceren. Maar toen zuchtte ik. Emoties kon je niet forceren. Was het maar zo.

Ik opende mijn ogen. Waar was ik? Ik lag in een mistig grasveld. De waterige zon kwam op boven de bergen. Kleine huisjes stonden in een vallei onder aan een heuvel. Ik keek om me heen, op zoek naar Matsuda, maar die was er niet. 'Hallo.' Ik keek verwilderd om, op zoek naar wie dat gezegd had. Er kwam een vrouw uit de mist stappen. Ze had héél lang, blond haar, en vleugels! Maar het waren geen Feeënvleugels. Ik keek bang naar haar op, maar zij glimlachte vriendelijk. 'Hallo, drager van het Ossenteken. Ik heb jou kreten om hulp gehoord, en besloot jou te bezoeken. Ik heb al eerder met jou vriend, Matsuda, gepraat.' Nu besefte ik dat ik droomde. 'Dus ik ben het? De drager van het Ossenteken?' Vroeg ik. Ze knikte. 'Maar hoe weet ik dat dit echt is?' 'Hier.' Ze pakte mijn hand, en ik voelde een ring in mijn handpalm vallen. 'Neem deze mee. Dot is niet zomaar een droom, en zo kan je weten dat dit niet zomaar een fantasie is. Maar we moeten snel zijn. Ik kan de lichtmagiddie wat afnemen. Jou vriend Matsuda is een slimme, hij wistdat jullie iets moesten doen om jullie zonden goed te maken, en het verband leggen.' Duizende vragen spoelden mijn hoofd binnen. Welk verband?! Uiteindelijk vroeg ik: 'Wie bent u?' 'Ik ben Astrea. Ik ben een Beschermer. Eigenlijk heet ik Doorkruist Diepe Wateren, maar de raad van de Beschermers was tegen mij omdat ik jullie wou helpen. Beschermers helpen bijzondere mensen met een 'puur' hart, en ze waren er tegen omdat jullie gemoord hadden. Maar iedereen weet dat zelfs de beste mensen af kunnen dwalen naar het duistere pad. Dus heb ik mijn naam veranderd en ben ik gevlucht. Jij bent bijzonder en ik zal jullie helpen. Ik kan de lichtmagie proberen tegen te houden, maar jullie moeten doen wat jullie moeten doen. Dag.' Ze stapte de mist weer in. En toen werd ik wakker.

'Ik heb met Astea gepraat!' Zei ik meteen. 'Huh? Wat? Wíé?' Vroeg Matsuda verbaasd en slaperig. 'Astea! De vrouw die jou steeds stoort in jou dromen! Ik heb met haar gepraat, en ze zei dat we onze zonden goed moesten maken en dat ik de drager van her Ossenteken ben!' 'Erza, kalm aan mens. Ik vertel jou dat al heel de tijd, en hoe weet je dat het niet gewoon een droom was? Jij hebt geen wit haar of wat dan ook. Je kan het je gewoon verbeeld hebben.' Ik liet gauw de ring zien. 'Deze gaf ze me mee. Het was niet zomaar een droom. Maar heb jij enig idee hoe we onze 'zonden' goed kunnen maken?' Hij haalde zijn schouders op. 'Misschien moeten we onze wapens weg doen.' 'Ik ga de boog die ik van jou heb gekregen ga ik echt niet weg doen, hoor! Ik heb er ook niks mee gedaan!' 'Dan doe je die toch niet weg? Ik denk dat het vooral om onze dolken gaat.' Ik pakte mijn dolk en keek er voor het eerst oas echt goed naar. Ik snakte naar adem. Dit kon ik niet weg doen! Het was naar mij teruggekeerd! Alle puzzelstukjes vielen ineen. Hoe kon ik zo stom zijn geweest dat ik dit niet eerder heb gezien!? 'Wat is er?' Vroeg Matsuda die me zag kijken. 'Mijn familiewapen staat er op.' Zei ik. 'Het moet van mijn vader geweest zijn, zijn dolk was een tijd geleden gestolen, en nu heb ik het weer teruggestolen.' Hij maakte een bewonderend geluidje. 'Maar er is meer, kijk maar.' Ik gaf hem de dolk aan, en hij keek er aandachtig naar. 'Sorry, ik zie niks.' 'Weet je nog wat je gisteren zei? Over dat jij ene wolf bent en ik een draak? En over mijn Teken? Kijk nou goed!' Spoorde ik hem aan. 'Een man met hetzelfde Teken die vecht met een draak... En een roedel wolven op de achtergrond!' Zei hij. 'Dat moet mijn over-over groot opa zijn geweest. Maar was hij dan ook en drager van het Ossenteken?' Zei ik bedenkelijk. Het was alsnog dom dat ik niet eerder had opgemerkt dat mijn familiewapen er zo uit zag. 'Erza! Dit is geen toeval!' Ik schrok op. 'Het is niet zomaar toeval dat dit jou familiewapen is! Het is geen toeval dat ik die dromen had, en dan precies jou tegenkwam, degene waar het over ging! Geen stom toeval dat precies jij, de Uitverkorene de enige overlevende fee is! En dat we Maarten, een andere drager van een Teken, een andere uitverkorene, de andere Ijzerhart, tegenkwamen! Geen toeval dat de uitverkorene er net in deze oorlog tegen Oslo is! Het is geen toeval dat jij jezelf een draak noemt, Luna jou totemdier is, ik mezelf een wolf noem, en dat we er dan achterkomend dat jou familiewapen er zo uit ziet! Het is geen toeval dat jij die dolk weer in jou bezit kreeg! Misschien ligt er zelfs wel een band tussen de kleur van mijn haar en jou totem! Jij bent bijzonder, en op de een of de andere manier ben ik daar bij betrokken!' Ik bloosde diep. Was ik speciaal? Betekende dit dát onze ontmoeting voorbestemd was? Dat we ondanks dat we elkaar gehaat hadden, voorbestemd voor elkaar waren? Of juist dat is mijn 'heldenpad' alleen moest lopen? 'Maar wat als ik dat niet ben? Speciaal? Ik heb geen enige idee hoe ik nou zo speciaal kan zijn. Ik hen nog nooit íets gedaan!' 'Dat komt nog wel. Je zult het zien.' Zei hij kalm. 'Zullen we nog een bij die poort gaan kijken? Ik weet zeker dat er iets is dat we kunnen doen!'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen