Foto bij ~013

Als we uit de spelonk zijn, staan we op het malse, groene gras van de vallei. Ten oosten van me zie ik de holle boomstam waardoor ik een tijdje geleden ben afgedaald. Ik loop er langs en zie Zivil, het babydraakje, naar de holle boomstam staren. “Zivil!”, roep ik en hij draait zijn hoofdje meteen mijn kant op. “Wat is dat?”, zegt Balhan terwijl ik het diertje oppak en in mijn armen hou. Ik vertel hem het verhaal over zijn moeder en hij knikt dan instemmend dat ik hem inderdaad moet houden. ‘Als je hier naar het zuiden gaat, kom je vanzelf uit het Duistere Woud.’, zeg ik tegen Balhan. Hij kijkt me met grote ogen aan: “Ben je mijn woorden vergeten? Ik sta bij je in het krijt, dus ik keer niet van je zijde.” Ik draai met mijn ogen en we keren terug naar het pad. “Zoals je wilt.”, zeg ik en we zetten koers naar het noorden.

We zetten onze voettocht door de vallei voort en zien de donkere muur van het Duistere Woud voor ons opdoemen. Het pad voert rechtstreeks het dichte kreupelhout in, en al gouw lopen we tussen hoge bomen en opeengepakte doornstruiken. Het is er stil en donker. Na niet al te lange tijd komt het pad bij een kruising. We beslissen om naar het noorden te gaan.

Op de grond voor ons ligt één enkel goudstuk. “Mag ik?”, vraagt Balhan en ik knik ‘ja’. Hij raapt het op, gooit het met een tik van zijn duim in de lucht en stopt het dan in zijn zak.

“Waarom ben jij eigenlijk hier in het Duistere Woud?”, vraagt Balhan onderweg en ik zeg enkel dat ik op een queste ben, en dat de rest geheim is. “Ow, en wat is je naam?” ‘Takari’ “Wacht, ben jij niet de dochter van Tranduil?”, vraagt hij dan verbaast en blijft stilstaan. ‘Waarom zo verbaast? Wil je mij vermoorden of wat?’, zeg ik plagerig en hij wordt lijkwit. ‘Als ik een wapen had tenminste, ik kan me zelfs niet verdedigen.’, zegt hij nog even gespannen. “Balhan? Wat moet je me vertellen.”, zeg ik maar ik geef hem toch een mes om zichzelf te verdedigen. ‘Laten we verder gaan.’, zegt hij dan en hij loopt me voorbij. Ik kijk Zivil onbegrijpend aan, die hij beantwoord met diezelfde blik.

Terwijl we over het pad lopen, zie ik een klein mannetje met een ijzeren helm op en een maliënkolder aan op een houtblok naast het pad zitten. Het is een Dwerg, en hij is kennelijk niet zo blij ons te zien. Ik stap dichterbij de Dwerg in de hoop een gesprek te beginnen, maar de hand van Balhan houd me tegen. ‘Kunnen we hem wel vertrouwen?’, fluistert hij en ik geef hem Zivil. “Daar komen we zo achter.”, zeg ik en draai me weer om naar de Dwerg, die nog altijd een zuur gezicht heeft.

Ik vraag de Dwerg of hij uit Erabor komt. Hij kijkt me woest aan, springt overeind en grijpt zijn bijl. Hij zegt tegen me dat hij niks moet hebben van de Dwergen van Erebor en dat hij in het Duistere Woud op zoek is naar de Arkenstone van Thorin om hem mee terug te nemen naar zijn dorp, Zompwater, in het westen. Hij vertelt ook dat hij Drummel heet en dat hij zijn lievelingsadelaar heeft verloren toen die Thorins Arkenstone probeerde buit te maken. Ik besef dat ik met de vijand van Erabor te maken heb. Balhan had gelijk, dit was een slecht idee.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen