Foto bij Hoofdstuk 30

Hoe?’ vroeg ik, nadat ik een hele tijd in stilte langs Tobio gewandeld had. ‘Hoe heeft ze geprobeerd je te vermoorden?’
‘Doet dat ertoe?’ Tobio staarde strak voor zich uit. Het leek wel alsof hij niets liever wilde dan me compleet negeren. Zag hij mij nu ook als een vijand, omdat ik met Noël omging? Of was hij gewoon boos omdat ik überhaupt zo stom had kunnen zijn om haar te vertrouwen? Of voelde hij zich schuldig, omdat hij me een grote leugen voorhield zodat hij verdeeldheid in onze groep kon strooien en we elkaar af zouden maken? Ik wist het niet. En die onwetendheid maakte me gek. Op dit moment kon ik alleen mezelf vertrouwen.
‘We zijn er bijna,’ zei Tobio. We stonden aan de voet van een berg, die zelfs een ervaren bergbeklimmer niet zou kunnen beklimmen. ‘We moeten alleen nog een kilometer omhoog.’
‘En daar is de draak met mijn spin?’
‘Ja. We hebben geluk. Boris is er ook.’ Er speelde een uitdrukking op Tobio’s gezicht die ik niet helemaal vertrouwde. Daarna zei hij: ‘Jouw spin is niet bepaald een klein spinnetje, ofwel?’
‘Ze groeien zo snel.’ Ik deed alsof ik een traantje wegpinkte.
‘Ach, hou op.’ Hij keek naar boven en richtte zich daarna tot mij. ‘En die andere jongen daarboven… Die hoort ook bij jou?’
Of ik Pim expres had verzegen… Ik wist het niet. Ik had alleen zo het gevoel dat Tobio niet de persoon was die snel iemand zou vertrouwen, zeker na wat hij had meegemaakt de afgelopen tijd. Dus ik dacht dat, wanneer ik hem zou vertellen over Pim, ik al helemaal niet meer hoefde te rekenen op zijn hulp.
Uiteindelijk gaf ik maar gewoon toe dat Pim ook een deel was van ons groepje.
‘Wil je nog steeds weten hoe Noël me probeerde te vermoorden?’ Tobio kon ook echt van de hak op de tak springen. ‘Ze viel me langs achter aan met een mes.’ Ik deed alsof ik niet echt onder de indruk was, maar ik voelde waar hij heen wilde. ‘Vreemd, niet?’
‘Toen Emilia ons aanviel, gebruikte ze ook geen magie. Bij de giftige paddenstoelen evenmin.’ Ik keek naar boven en stiekem was ik bang voor hetgeen wat daarop me lag te wachten: Boris en de draak – het klonk bijna als de titel van een kinderboekje. ‘Het kan natuurlijk niks zijn. Misschien gebruikt ze niet graag magie wanneer het niet nodig is.’
‘Dat is een leugen en dat weet jij ook.’ Tobio strekte zijn armen naast zich in een nogal vreemde houding. Eigenlijk wilde ik niet eens weten waar hij mee bezig was. ‘Het lijkt wel alsof ze haar magie kwijt is.’ Ik zag hoe hij lichtjes begon te rillen. ‘Of alsof… ze haar magie spaart.’
‘Om Zafron te vermoorden?’
‘Mogelijk.’ Hij dacht aan iets helemaal anders dan ik en ik wist dat hij een vaag vermoeden had over wat er echt gaande was, maar hij hield zijn lippen stijf op elkaar en ging nog wat meer op in zijn vreemde ‘ik wil al mijn spieren strekken’ houding.
‘Ik denk niet dat ze me vertrouwt.’ Ik beet op mijn lip. ‘Ik denk dat ze denkt dat ik iets met Zafron te maken heb.’
‘Heeft ze gelijk?’ Tobio keek me half geïnteresseerd, half ongelovig aan.
Ik wilde snel ‘nee!’ roepen, maar hoe langer ik naar hem keek, hoe minder zeker ik van mijn antwoord werd. Uiteindelijk besloot ik voor een nuchtere ‘ik weet het niet’ te gaan.
‘Hoe kwam ze dan bij de conclusie?’ Toen ik niet meteen antwoordde, vervolgde hij: ‘Ze is geen domme meid. Ze gaat niet zomaar denken dat een idioot als jij banden heeft met Zafron.’
‘Ze zei dat het lijkt alsof het bos van me houdt.’ Ik wist niet waarom, maar tegenover Tobio schaamde ik me voor die woorden. Misschien omdat het een beetje schijnheilig leek: ik had geen enkele band met dit bos en toch leek alles eerder positief voor me uit te pakken. Volgens mij werd Noëls vermoeden alleen maar bevestigd bij de giftige paddenstoelen: ik had een hoge val naar beneden overleefd en was weer helemaal gezond en wel naar boven gekomen, terwijl zij een enorm verlies hadden geleden. Het kon gewoon toeval zijn, maar Noël zag er niet uit alsof ze geloofde in het toeval.
‘Dat is nogal verdacht, ja.’ Tobio strekte nu ook zijn vingers en ik had geen idee waar die jongen mee bezig was. Ochtendjoga in de late namiddag? ‘Zet je schrap,’ zei hij.
‘Schrap voor wat? Gaan we vliegen of zo?’
Was het maar gewoon vliegen geweest… Een grote waterstroom raasde op ons af en voordat ik als een bang dier weg kon rennen, nam de waterstroom me mee en werd ik stijl naar boven gestuwd tegen een enorme snelheid. Het water zat rondom heel mijn lichaam, maar mijn mond en neus waren vrij zodat ik ongestoord kon ademen. Na een minuut in de meest helse achtbaan van mijn leven, belandde ik op de grond, middenin een grot die minder duister was dan ik had verwacht door de brandende fakkels die tegen de muur hingen.
Voor me lang een slapende draak. Ik schrok op en moest mezelf inhouden om niet te schreeuwen. Het dier zag er niet uit zoals de gewoonlijke draak. In plaats van schubben had hij een witte vacht. Hij had meer weg van een uitvergrootte albino vleermuis dan van een draak. Even twijfelde ik of Tobio ons wel naar de juiste grot had gewaterstroomd.
Pas toen merkte ik dat het beest heel erg dichtbij me lag, gevaarlijk dicht. Eén verkeerde stap en hij – of zij – zou gegarandeerd wakker worden.
‘Tobio?’ Ik herkende die stem: Boris. Hoewel ik had geweten dat hij hier zou zijn, voelde ik toch nog steeds een steek in mijn maag toen ik hem zag verschijnen.
‘Ja,’ zei Tobio. Daar bleef het bij. Geen vriendelijke ‘oh, hallo Boris’. Misschien was hij nog aangedaan van de moordpoging op hem en sprak hij daarom zo koel tegen iedereen.
‘Is Emilia hier?’ Ik tuurde in de grot, maar tot mijn groot ongenoegen zag ik dat alleen de voorkant was verlicht. Hoe dieper ik in de grot zou gaan, hoe donkerder het werd. En na de duisternis – de duisternis die me had doen twijfelen aan mijn eigen bestaan – die ik had meegemaakt die ene nacht, vertrouwde ik geen enkele duisternis meer. ‘En Pim?’ Ik zag de twee nergens.
‘Emilia?’ zei Boris. Zijn ogen begonnen op te lichten. ‘Je bedoelt Zuza?’ Hij maakte een sprongetje. Op dat moment begreep ik wat Tobio had bedoeld toen hij zei dat Boris geen vlieg kwaad deed. Daar was hij te onschuldig voor. Te… kinderlijk zelfs. ‘Is ze niet geweldig?’ Hij glimlachte alsof hij zonet een tekening had gemaakt en de leerkracht had gezegd dat hij de nieuwe Picasso was. ‘Ze is één van mijn favorietjes.’
‘Ieder dier in dit bos is één van je favorietjes,’ zuchtte Tobio.
Boris negeerde Tobio’s opmerking compleet. ‘Ik was zo verdrietig toen ze doodging. Gelukkig wist Alluka haar Kern te redden. Ik was er ook niet zo’n fan van dat hij haar Kern aan jou gaf, maar alles is toch goed uitgedraaid. Zuza is toch echt een schatje, hè? De braafste schootspin die ik ken. Zelfs een schoothondje valt in het niets bij Zuza’s geweldigheid.’
Gesproken over een verkeerde eerste – en tweede – indruk. Had die jongens soms een verborgen persoonlijkheid? Eentje die alleen maar bovenkwam wanneer hij Noël zag of besloot even een vreemdeling te bezoeken in een beknellende duisternis? Of was de persoonlijkheid die hij eerder aan mij had getoond zijn ware aard en wilde hij alleen onschuldig lijken voor Tobio? (Al zou ik niet weten wat hij daarmee zou kunnen winnen, het kon Tobio waarschijnlijk niet veel schelen hoe Boris zich gedroeg.)
‘Je hebt helemaal gelijk,’ beaamde ik. ‘Maar waar is onze überschattige Zuza?’
‘Daar.’ Hij wees naar het duistere gedeelte van de grot. ‘Jouw vriend is er ook. Zuza heeft hem gered van Rin.’ Toen Boris mijn verwarde blik zag, verduidelijkte hij dat Rin de naam was die hij aan de draak had gegeven en ratelde hij nog wat door over alle namen die hij zijn diertjes had gegeven. Het zou me niet verbazen als hij ieder dier in dit bos een naam had gegeven.
Terwijl Boris een nieuw verhaal startte over alle avonturen die hij ooit samen met Zuza had beleefd, sloop ik geniepig weg en hoopte ik dat hij niet zou merken dat ik ervandoor was gegaan. Na tien seconden had hij door dat ik er niet meer was, en koos hij Tobio als zijn nieuwe slachtoffer. Beter hij dan ik.
Ik nam een van de fakkels van de muur en liep dieper de grot in. Hoe verder ik stapte, hoe meer vreemde geluiden ik hoorde. Iedereen kent dat gevoel wel wanneer je een vreemd geluid hoort dat je eigenlijk niet kent, maar omdat je bang bent, denkt je brein dat je het wel kent. Dat gevoel had ik nu, en mijn brein vond het blijkbaar leuk om onbekende geluiden op gebrul, gekauw en gehijg te laten lijken.
Ik begon te trillen en slaagde er niet meer in om ook maar één stap naar voren te zetten. Langzaam deinsde ik achteruit, en een hand werd op mijn arm gelegd – een hand die zo zwaar was dat ik meteen door mijn knieën zakte en op de grond viel.

Reacties (4)

  • Altaria

    Emilia - Emiel - Zuza, die spin heeft wel superveel namen XD

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    ‘Ze groeien zo snel.’ Ik deed alsof ik een traantje wegpinkte.


    Hahaha (':

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Oh wacht. Het bos is een fantasie van Zafron, het zijn Zafron de gedachtes. En het bos houdt van Jesse. En Erin lijkt op Zafron.... 0.0

    3 jaar geleden
  • Croweater

    Ik vond dit in het begin echt een heel tof verhaal, maar ik kan alle personages niet zo goed uit elkaar houden. :x
    Is het misschien mogelijk om daar wat meer overzicht in te scheppen? (Tenzij ik de enige ben met dat probleem)

    Ik ben zelf ook niet zo'n vlotte lezer en daardoor ben ik de draad een beetje kwijtgeraakt. Het enige wat me nog helder bijstaat is dat de ik-persoon ruzie kreeg met zijn vriend en dat die daarna verdwenen is. Mocht je nog eens tijd hebben om mijn geheugen wat op te helderen, heel graag! Want ik vind het wel een heel origineel verhaal. ^^

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen