Foto bij Hoofdstuk 31

Oe, ga je neerliggen?’ O nee, hij weer. ‘Als je op je rug gaat liggen, is de seks wel iets intiemer, maar op zijn hondjes gaat ook.’
Ik dacht dat hij een trauma zou hebben, dat hij doodsbang in een hoekje zou zitten, wenend en vol ellende. Maar hier was hij dan, in al zijn glorie. ‘Ga weg, Pim.’
‘Sorry, kon het niet laten.’ Hij raapte mijn fakkel van de grond en trok me overeind. ‘Waarom ging je door je knieën?’
Ik schudde mijn hoofd en legde mijn hand op mijn schouder, die gloeide alsof ik hem zonet had verbrand. Hoe meer ik me op de pijn focuste, hoe meer de paniek toesloeg. Ik stond net op het moment in tranen uit te barsten, toen Tobio me langs achter beet greep en boos snauwde: ‘Ga je er nog lang over doen? Het is verdomme nog geen vijftig meter. Ik wil hier weg.’
‘Waarom?’ vroeg Pim. Hij trok een wenkbrauw op. ‘Kennen wij die gast?’
‘Het voelt niet goed,’ zei Tobio haastig. ‘Iets klopt hier niet. Boris voelde het ook.’
‘Ik voelde helemaal…’ Pim zweeg. ‘Jesse voelde het ook.’
Tobio draaide me om en beval me om mijn shirt uit te trekken.
‘Hé, niet zo snel,’ bromde Pim. ‘Voor hem ga je wel je shirt uittrekken?’ Ik negeerde Pim compleet en trok mijn T-shirt uit, om iets te zien wat ik liever niet had gezien. Over mijn schouder, en zelfs over een deel van mijn borstkas en mijn rug, liep een gigantische hand: een brandplek.
‘Noël,’ fluisterde ik.
Tobio haalde een kleine drinkfles uit zijn heuptas, wikkelde zijn hand in water en legde die op de brandplek. ‘Ik wist niet dat ze ook normale mensen aan zou vallen,’ zei Tobio. ‘Je bent geen bosleider.’
‘Ik heb er niks van gevoeld,’ zei Pim. ‘En ik ben ook een normaal mens.’ Over de kwestie of hij al dan niet een normaal mens was, hield ik even mijn mond. Maar hij had een punt: ik werd aangevallen en hij niet – Noël had me definitief de rug toegekeerd. Er was genoeg rede om aan te nemen dat ze eigenlijk niet te vertrouwen was – of dat ze mij genoeg wantrouwde om me iets aan te doen. Hoe dan ook, ik kon Pim niet laten terugkeren naar zo’n gek wijf. We moesten Stevey daar zo snel mogelijk zien weg te krijgen.
‘We kunnen niet terug naar Noël,’ besloot ik. Ik keek Pim aan om zijn mening te peilen, maar voor het eerst in een heel lange tijd, vertelde zijn blik me helemaal niets. Zijn ogen waren dof en zelfs een beetje doelloos. Zijn ondeugendheid was weggevaagd. Had ik iets verkeerd gezegd?
‘Natuurlijk gaan we niet terug naar Noël,’ zei Pim. ‘Ik was nooit van plan om terug te gaan naar Noël. Weet je waar wij naartoe gaan? Thuis. Dat ze hun geld maar houden, mijn leven is net dat tikkeltje belangrijker.’
‘Waar komt jouw afkeer vandaan?’ vroeg Tobio. Die nieuwsgierigheid was ik niet gewoon van hem.
‘Toen die draak kwam, wierp ze me bijna letterlijk in zijn armen. Ik ben het beu. Ze is onvoorstelbaar. Haar plan was helemaal niet om ons veilig te houden. Haar plan was om ons veilig te houden, tot het moment waarop ze ons nodig had om op te offeren en zo haar eigen leven te redden.’
We zwegen, terwijl Tobio zijn waterbehandeling stopzette. Er was bijna niets meer van de brandwonde te zien. Vriendelijk, maar zonder al te veel leven in mijn stem, bedankte ik hem. Samen liepen we in stilte terug naar Boris, die tegen de buik van zijn draak in slaap was gevallen.
Opeens voelde ik me ver verwijderd van de realiteit. Het drong nu pas tot me door dat Noël me had aangevallen – en dat ze me ieder moment opnieuw aan kon vallen. Misschien – waarschijnlijk zelfs – had Pim gelijk. We konden beter rechtsomkeer maken en terug naar huis gaan. Haar gave reikte waarschijnlijk niet zo ver. Dan waren we veilig.
Maar Erin was daar nog ergens, en zelfs al was hij al lang geleden gestorven, dan nog kon ik Stevey niet aan haar lot overlaten. Dus zodra Tobio ons weer naar beneden gewaterstroomd had, zei ik tegen Pim dat ik dit bos nog niet kon verlaten. Hij leek niet al te blij met die opmerking. ‘Nee,’ zei hij kort.
‘Het was geen vraag.’
‘Denk je nu echt dat ik helemaal alleen de weg terug ga zoeken? No way! Ik ben al dood voordat ik honderd meter ver ben.’ Emilia, die de hele tijd op Pims schouder had gezeten, porde hem in zijn wang.
‘Je hebt Emilia toch,’ zei ik glimlachend.
Hij keek me indringend aan. ‘Emilia.’ Daarna krulde zijn mondhoeken omhoog en wees hij naar me alsof hij me ergens van beschuldigde. ‘Ik zei het toch! Ik zei het toch! Ik zei het toch!’
Tobio passeerde me en zei bijna toonloos: ‘Je hebt vreemde vrienden.’ Daarna verdween hij in de bosjes.
‘Ik zei het toch!’ ging Pim verder. ‘Ik zei toch dat Emiel een vrouwelijke spin was!’
‘Dat zei je, ja,’ erkende ik. Ik probeerde van onderwerp te veranderen, maar Pim bleef maar doorpraten over hoe hij had voorspeld dat Emilia een vrouwelijke spin was. Hij begon, zeker toen hij begon aan heel de biologie van de spin, steeds meer weg te hebben van Boris. Alleen was het nu haast onmogelijk om stiekem bij hem weg te sluipen, aangezien zijn ogen constant op mij gericht waren, en bovendien was ik van mening dat we beter bij elkaar bleven, voor zolang dat nog mogelijk was.
‘Maar, je bent dus niet meer bang van Emilia?’
Pim keek even naar Emilia die op zijn schouder zat en schudde zijn hoofd. ‘Ze is een aardige spin – de enige aardige spin op deze aarde. Ze was de enige die iets deed toen de draak me meenam, dus nee, ik ben niet meer bang, al moet ik zeggen dat ze er nog steeds vrij eng uitziet.’ Opnieuw porde Emilia met haar poot tegen Pims wang, dit keer harder dan voordien. ‘Au!’ riep hij uit. ‘Oké, ik neem het terug. Je ziet er werkelijk prachtig uit, Emilia.’ Zodra Pim dat gezegd had, legde ze haar hoofd in zijn nek alsof ze een of ander verliefd stel waren.
‘We kunnen niet teruggaan,’ zei ik. ‘Echt niet. Ik kan niet teruggaan.’
‘Waarom ben je hierheen gekomen, Jesse? Niet voor het geld, ofwel?’ Pim zette zich op een van de rotsen aan de kant van de berg en keek me geduldig aan. ‘Ik ken je niet zo goed, en jij kent mij niet zo goed, maar mijn mensenkennis zegt dat er meer speelt.’
‘Mijn vriend,’ zei ik. ‘Ik kreeg die brief van Zij Die Liefde Verbannen Hebben en hij was er heel erg op tegen. We hadden ruzie. We hebben wel vaker ruzie. God, iedereen heeft wel eens ruzie, dus ik dacht dat het gewoon over zou gaan, maar zodra ik op de uitnodiging was ingegaan, belde mijn broer om te vragen waar hij was, dat iedereen naar hem op zoek was, dat zijn rugzak terug was gevonden aan de rand van dit bos. Ik voelde me zo schuldig over alles. Ik dacht dat ik hem hier zou vinden.’
‘Maar je hebt hem nog niet gevonden?’
‘Nee.’
‘Denk je dat je hem nog zult vinden?’
‘Ik hoop het.’
Pim zweeg even, en ik waardeerde de stilte. Ik dacht dat ik Erin al een plaats had gegeven, maar zijn verdwijning spookte nog steeds door mijn hoofd. Nu ik erover was begonnen, besefte ik dat ik het nooit achter me zou kunnen laten, tenzij ik hem terugvond. De schuld die ik ervoer, wetende dat Erin was weggelopen door die stomme ruzie met mij, was verterend.
‘Stilte zet me aan tot filosofische gedachten,’ zei Pim plots, zomaar uit het niets. Hij sprong overeind. ‘Heb je er ooit al eens aan gedacht dat we echt geen liefde kunnen voelen, geen enkele vorm van liefde? Misschien zijn we harteloos zonder het zelf te beseffen.’
‘Wat brabbel jij nu weer?’
‘Ik heb mensen blind zien worden, en jij vast ook. Mijn beste vriend werd blind door een crush op een stomme trut die hem niet eens zag staan. Weet je hoe hij het tegen mij verwoorde? “Voordat ik zelfs maar doorhad dat het liefde was, of dat het zelfs gewoon verliefdheid was, kon ik niets meer zien.” Of het nu een stomme crush is of niet: iedereen voelt dat gevoel van verliefdheid – en wordt blind. Maar wij niet. Ik heb heel lang gedacht dat we gewoon uitzonderingen zijn, dat we wel liefde voelen, maar dat de aandoening ons gewoon niet te pakken krijgt. Maar eerlijk? Ik heb nog nooit vlinders gevoeld in mijn buik. Ik heb nog nooit gedacht: damn, met hem of haar wil ik de rest van mijn leven doorbrengen. Ik ben nooit verliefd geweest op mijn ouders – wat bij vele kindjes wel het geval is. Soms denk ik gewoon dat ik het niet kan, verliefd worden.’
‘Misschien denk je er gewoon te veel over na.’
‘Misschien denk ik over alles te veel na.’ Pim keek weg. ‘Maar wat gaan we nu doen?’
‘Ik ga Erin zoeken en Stevey redden.’
‘Nobele missie, maar wat over de bevolking redden van hun blindheid?’
Nu was het mijn beurt om weg te kijken. ‘Ik weet het niet.’

Reacties (5)

  • Altaria

    Pim is raar, maar hij lijkt tenminste eerlijker dan Noël

    3 jaar geleden
  • Grace

    Je humoristische schrijfstijl is echt zo geweldig! ♡

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    Oke, Pim blijft echt een rare gozer.
    Maar hier krijgt hij enige sympathie van mij. Hij is bijna aardig zo (':

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Pim is een rare gozer haha maar hij is iig tienduizend keer beter dan Noël. Maar ik vraag mij wel af hoe het nou precies zit met die blindheid. Het was Noëls missie dat te stoppen. Hmmmm

    3 jaar geleden
  • Croweater

    Ik weet al die tijd nog niet zo goed wat ik nu van Pim moet vinden :')

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen