Foto bij Proloog

Zijn ene hand gleed over het harde, ruwe gesteente, terwijl hij met zijn andere hand het zweet van zijn verhitte voorhoofd veegde. Zijn laatste energie verbruikend, zette de oude man met een diepe zucht zijn rechtervoet op de witte rots, die als een perfect voetensteuntje voor hem lag. Met beide ellebogen leunde hij op zijn pijnlijke knieën, die - hij leek er maar even tevreden mee - nog goed onder zijn mantel bedekt waren. Gelukkig.

'Het moet wel heel belangrijk zijn, dat hij per se helemaal híér wilde afspreken,' mompelde hij en hij likte zijn droge, gebarsten lippen. Lichtelijk geïrriteerd kreunend keek hij naar zijn handen, die met schrammen bedekt waren van de tocht vol vallen en opstaan, die hij zojuist achter de rug had gehad. 
Hij bracht zijn hand boven zijn ogen om ze tegen de zon te beschermen, die met haar gouden stralen de hele vallei beneden hem verlichtte. Een deken van mist bedekte de hele ondergrond en onttrok de details van het gebied uit zijn zicht. Hij probeerde zich van Noord en Zuid te oriënteren aan de stand van de zon en hij fronste zijn wenkbrauwen. 
Ergens aan de linkerkant, besefte hij een ogenblik later, lag Talluron, de hoofdstad van de staat Wegolium. Aan de andere kant, goed verstopt tussen de bergen, lag zijn eigen huisje in het bos. Hij verlangde er nu al naar om weer thuis te zijn, veilig verscholen tussen de beschermende naaldbomen.

Hij ging even verzitten. 'Als die verrekte knul nou eens opschoot,' schold hij, 'ik heb niet alle tijd van de wereld...' 
Hij had geen idee hoe lang het nog zou gaan duren. Ze hadden via briefpost afgesproken om precies wanneer de zon op zijn laagst was, bij de witte steen op de Grote Berg te staan. Hier dus. 
Hij zuchtte eens diep. 'Die jeugd van tegenwoordig...'

Alsof zijn stille wens op magische wijze verhoord werd, had hij zijn scheldwoorden nog nauwelijks uitgesproken of hij hoorde een mompelende stem van een eindje verderop.
'Dat werd tijd, zeg,' bromde de man.
Hij rechtte zijn rug en spitste zijn oren.
De luid vloekende stem klonk als die van een jongeman, misschien ergens midden twintig.
Langzaam draaide de oude man zich om en zag een gestalte recht op hem afkomen. Het verbaasde hem dat zijn stem zoveel ouder had geklonken, want zijn gestalte was net als die van een puberjongen. Maar hoe dan ook, dat moest hem zijn.

'Gegroet!' sprak hij formeel en stak daarbij zijn hand omhoog, om de jongen te laten zien dat hij hem al verwachtte.

'Goedenavond,' antwoordde de ander, 'ik denk dat we elkaar gevonden hebben.'
De oude man knikte instemmend en streek even over zijn witte baard.
Ondertussen bekeek hij zijn kersverse gezelschap eens van top tot teen. Veel bijzonders was er niet aan hem op te merken, behalve dat hij een lange zwarte mantel droeg met de kap tot ver over zijn ogen. Maar dat hadden tegenwoordig steeds meer mensen, wist hij uit eerdere ontmoetingen. Meestal niet de mensen uit Wegolium, maar uit Scura, de aangrenzende staat die andere kant van de bergen gelegen was. Zo kon je goed zien wie waarvandaan afkomstig was. 
Dat verschil in klederdracht was zeker nodig, aangezien de verhoudingen tussen Wegolium en Scura de laatste tijd niet zo soepel meer verliepen.

'Goed, laten we maar meteen ter zake komen,' begon hij, 'Waarom wilde je me ook alweer spreken?'

'Dus u bent echt de Draoidhe?'

'Ja, dat ben ik,' zei hij wat knorrig, waarna de jongen een korte buiging maakte.

'Wat een eer om u eens in levende lijve te mogen ontmoeten.'

'Ach joh, doe maar normaal. Ik ben ook maar gewoon een krakkemikkige oude opa,' zei hij onverschillig en vervolgde wat zachter: 'Al beklimmen hoogbejaarden zoals ik niet zomaar een berg als deze. Maar goed, we dwalen nu al af. Vertel me nou maar waarom je me nodig had.'

De jongen balanceerde van zijn ene op zijn andere been en bracht zijn handen bij elkaar. 'Ik heb een toverdrank nodig,' antwoordde hij snel, 'en ik dacht dat u me daarbij wel zou kunnen helpen.'

De Draoidhe krabde aan zijn neus. 
'Hmm... ik weet het nog niet zo goed.' Hij dacht even diep na en koos zijn woorden zorgvuldig. 'Het hangt er in ieder geval vanaf wát voor één en waarvóór je hem nodig hebt. Ik geef niet zomaar een toverdrank weg aan de eerste de beste onwetende dreumes, snappie?' Zijn vingers gingen ongeduldig op zijn bovenbeen op en neer. Hij probeerde het gezicht van de jongen te zien, maar die duwde de kap van zijn zwarte mantel nog een stukje verder voor zijn gezicht, waardoor dat zo goed als onmogelijk werd. Hij leek niet of nauwelijks gekwetst door zijn bijdehante opmerking over dreumesen, maar ging ongestoord verder. 'Ik dacht aan iets met de Rode Kleur. Ik heb namelijk...'

'Wat?!' brak de grijsaard zijn zin plotseling ruw af, 'De Dath-dearg?! Ben je nou helemaal betoeterd. Die zal ik nooit of te nimmer aan iemand weggeven, veel te gevaarlijk!' Hij voelde zijn woede oplaaien en zijn ogen spoten vuur. Dat die kleuter dát durfde te vragen! Hij was dan misschien wel oud en wat stram, maar daarentegen echt niet achterlijk.

'Wacht even,' zei de jongen terwijl hij zijn evenwicht weer naar zijn andere been verplaatste en balanceerde op de bal van zijn voet, 'ik heb hem nodig voor iets heel belangrijks.'

'Ha, dat mag ook wel, wil je me overhalen dat ik je de Dath-dearg geef,' smaalde de oude Draoidhe en spuwde onbejaarde-achtig op de zanderige grond.

'Laat me nou even uitpraten,' zuchtte de ander, en het leek alsof hij alle geduld van de wereld had, 'het is namelijk een keus die uitloopt op leven of dood. Voor het hele rijk.' Hoopvol keek hij op naar de steenharde ogen van de grijsaard, die - zo leek het tenminste - zich al voor een gedeelte overgaven. 'Ik wil er ook wel voor betalen, als dat nodig is. Geld speelt geen rol.'
Nu kwam er een andere blik in de ogen van de oude man en zijn gezicht werd serieus. Hij stond op en ademde even diep in en uit. 
'Goed,' perste hij eruit, 'vertel me de reden, dan zal ik erover beslissen.' Met een vertrokken gezicht wreef hij over zijn pijnlijke knieën, die vervaarlijk kraakten bij iedere beweging.

De in zwart gehulde jongen begon. Hij wist maar al te goed dat hij niks meer te verliezen had, maar juist dát maakte hem heel nerveus. Dit was de laatste en enige hoop die hij nog over had. 
Het verhaal kwam als een zee van woorden uit zijn mond, niemand kon hem nu nog stoppen. Hij kon zich niet herinneren dat hij ooit zoveel achter elkaar had gesproken, bedacht hij achteraf.

Langzaam werd het donker. De zon verdween achter de bergen en slurpte al het licht als een draaikolk achter zich aan. Na een tijdje kwamen heldere sterren tevoorschijn vanachter wat overdrijvende flarden wolken. 
Toen was de jongen uitgepraat.

De Draoidhe was ondertussen alweer op zijn steen gaan zitten en had aandachtig zitten luisteren naar het verhaal van zijn gunstvrager. Hij streek nogmaals over zijn baard en zuchtte diep. Moeilijk geval.
'Ik heb begrip voor je moed, ook al ken ik je niet goed.'

Met een afwachtende blik in diens ogen kruiste de jongen zijn vingers. Als hij de Draoidhe niet kon overhalen hem de drank te geven, zou het afgelopen zijn. Of hij zou het op een andere manier moeten proberen, maar dat zou lastig worden. Hij schuifelde met zijn voeten over de steenachtige ondergrond, terwijl hij zijn handen in de wijde mouwen van zijn mantel trok. Een ongemakkelijke stilte en een omringende duisternis, liet zijn zenuwen hard opspelen en hij rilde.

Toen opende de stokoude man zijn mond. Een rij bleekwitte tanden spiegelden in het licht van de maan, en in een fractie van een seconde vroeg de jongen zich af hoe die man ze zo wit kon krijgen. Onmerkbaar schudde hij zijn hoofd. Nu geen tijd voor verbeeldingen.

De oude magiër fronste zijn wenkbrauwen, waardoor er een diepe rimpel in zijn voorhoofd zichtbaar was. 'Goed. Je krijgt hem.' Zijn stem klonk plots helder door de duisternis.

De jongen slaakte - voor zijn gevoel iets te luid - een zucht van verlichting, en besefte toen pas dat hij zijn adem al een minuut had ingehouden.

'Maar op één voorwaarde.' De man dwong de jongen hem aan te kijken. 'Als er iets mis gaat, is het jouw verantwoordelijkheid. Waarschijnlijk zal het dan je einde zijn. Ho, wat zeg ik, het zal dan hoe dan ook je einde zijn!' Hij zwaaide woest met zijn armen en even leek het alsof hij daarbij zijn evenwicht ging verliezen. De jongen kon er niets aan doen, maar hij grijnsde breed. 'Maar los van dat,' ging de eerste verder, 'ik zal thuis kijken of ik nog iets heb liggen.'

De zwarte gestalte keek hem dankbaar aan vanonder de kap van zijn mantel. 'Het is bij mij in goede handen. Ik zal er voorzichtig mee zijn, dat zweer ik.'

De Draoidhe knikte goedkeurend terwijl hij voor de laatste keer zijn baard gladstreek. 'En dat is je geraden ook.'

Reacties (1)

  • Lorem

    Oeh, leuk proloog. XD

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen