Foto bij Hoofdstuk 35

Erin?’ herhaalde Boris, terwijl hij zijn ogen dichtkneep. ‘Waar sloeg dat nu weer op?’
Zafron had geen zin om het uit te leggen en gelukkig – al wist hij niet echt of hij van geluk mocht spreken – gaf Noël hem daar de kans niet toe. ‘Dat was enorm slim, Zafron. Wat ben je toch geweldig. Je aanwezigheid maskeren en Alluka een verrassingsaanval laten doen, om zo je lieve vriendje te redden… Ik had hem zo goed kunnen gebruiken… Ik had het allemaal moeten zien aankomen. Hij stonk al naar jou de dag dat ik hem het eerst zag.’
‘Noël,’ begon Zafron. ‘Laten we dit vredig oplossen. Er hoeft geen gevecht te komen. Er hoeft niemand te sterven. Je bent het verkeerde pad opgegaan, maar het is nooit te laat om terug te gaan.’
‘Dat zeg je alleen omdat je weet dat je zal verliezen als je het eenmaal tegen mij op moet nemen. Zeg het dan! Zeg dat ik beter ben dan jij en misschien overweeg ik dan op de levens van de andere bosleiders te sparen. Behalve de waterleider. Hij had nooit mogen leven, maar daar is het nu te laat voor. We kunnen hem beter uitschakelen voordat hij nog meer schade aanricht, niet? God, dat kind is zo gevaarlijk. Ik krijg er rillingen van als ik denk wat hij ooit zou kunnen doen met die irritante krachten van hem.’
‘Ik wil je niet vermoorden,’ probeerde Zafron nogmaals.
‘Weet je, toen je me trainde in de academie had ik een oogje op je. Kun je dat geloven? Ik kan mezelf er bijna voor slaan.’ Ze lachte uit volle borst, ze lachte zoals iemand die uit in instelling was ontsnapt zou lachen. Er was geen manier meer om haar te redden, dat zag Zafron nu ook in. Als hij toen meer zijn best had gedaan om de heksenbond te overtuigen… Misschien was het dan nooit zo ver gekomen.
‘Noël…’
‘Spreek me niet aan alsof we vrienden zijn,’ zei Noël kort. ‘Want dat zijn we niet. We zijn vijanden, concurrenten misschien. Ik ga je vermoorden, Zafron.’ De speelsheid die eerst in haar ogen had gestaan, namelijk de schijn dat ze vond dat dit allemaal een spelletje was, verdween van haar gelaat. ‘Ik heb mijn energie opgespaard, Zafron. Er is geen enkele manier waarop je me kunt verslaan.’
‘Neem het me niet kwalijk, maar ik ga het toch proberen.’ Zafron vergrootte de zeis, die altijd als een bedeltje aan een armbandje had gehangen, tot zijn originele grootte en hield het wapen klaar voor de aanval. Meteen wierp Noël haar gigantische hand in de strijd, maar Zafron sneed hem met alle gemak door midden. Hij wist dat Noëls reuzenhand maar een klein spectrum van haar kracht was. Die hand was slechts kinderspel voor haar. Dit was gewoon oefentijd.
Zafron zette zich schrap voor een nieuwe aanval, maar die bleef uit. Hij vroeg zich af wat Noëls volgende zet zou zijn, al wist hij het antwoord al. Toen hij eerder met haar had gevochten, had ze getoond wat ze kon: dingen laten verschijnen, vlak voor haar tegenstander. Ze kon opeens een bijl laten verschijnen, middenin de zwaai van het ding, op amper een millimeter van de hals van haar tegenstander. Zo’n aanval kon je als ervaren strijder drie, misschien vier keer stoppen. Als je niet wist waar het wapen vandaan zou komen, of wat het wapen zelfs maar zou zijn, vergde het enorm veel energie het te stoppen. Het was een uitputtingsslag.
Noëls eerste wapen was een metalen kubus die pas in de laatste meters van zijn val – en dus met een enorme snelheid – vlak boven Zafrons hoofd verscheen. Hij kon nog net op tijd wegduiken om zichzelf te redden, maar Noël gunde hem geen pauze. Zafron was nog niet eens neergekomen, of ze liet een zwaard verschijnen in zijn rug. Net op tijd slaagde zafron erin een magische muur te creëren tussen het wapen en zichzelf. Meteen na die actie vervloekte hij zichzelf.
Hier kwam de enorm smerige kant van Noëls magie in werking. Zodra ze een magievorm van de tegenstander zag, kon ze die blokkeren. Op die manier een nog magische muur laten verschijnen, was op dit moment dus onmogelijk voor Zafron. Hij beet op zijn kaken, wist dat hij eigenlijk nog een aanval moest afwachten, maar vreesde dat hij dit keer niet kon ontkomen en gaf het teken dat hij pas veel later had moeten geven.
Tobio’s kracht was zo onstabiel als die van Noël in het begin. De kans dat het echt zou werken, zeker nu het teken te vroeg kwam, was klein, maar ze moesten het proberen. Voor het bos. Voor alles en iedereen dat erin leefde.
Tobio, die zich in de bosjes had verstopt en wiens aanwezigheid verdoezeld werd door zowel Neminis’ als Boris’ magie, schoot de meest krachtige magieaanval die hij kon uitvoeren op Noël af. Het ijs raakte haar perfect in haar zij en Zafron voelde een vlaag van opluchting door zich heen gaan toen Noëls volledige lichaam, op haar hoofd na, gewikkeld werd in een pakket magieabsorberend ijs.
Zoals gepland kwam Alluka in actie. Hij greep Noël beet bij haar benen en sleurde haar het water in. Vijf minuten lang wachtten ze af, daarna besloten ze dat ze feest mochten vieren, want hoewel Noël een heks was, bleef haar lichaam menselijk. Ze was gestikt. Ze was dood. Het plan had gewerkt en het bos was gered. Zafron voelde een enorme verantwoordelijkheid van zijn schouders afvallen en sprintte naar Tobio, om hem vervolgens een knuffel te geven. ‘Bedankt,’ fluisterde hij.
‘Zafron,’ zei Neminis. ‘Dat was toch lang niet alle magie die jij beheerst?’ Neminis zag eruit alsof iemand hem zonet bedrogen had. ‘Noëls magie was smerig, maar het was toch niks wat jij niet had kunnen tegenhouden als je eenmaal alles uit de kast haalde?’
‘Mijn plan was om Noël te stoppen voordat ik alles uit de kast moest halen. Haar magie is traag, dat is haar grote nadeel. Ze heeft veel tijd nodig om haar sterkste magie te “laden”. Plus, voordat ze haar magie überhaupt kan gebruiken, moet ze eerst genoeg sparen. Daarom gebruikte ze de laatste dagen amper magie.’
‘We hadden haar toen uit moeten schakelen,’ zei Boris. ‘Had ons veel werk bespaard.’
‘Ik hou er niet zo van om ongewapende meisjes te vermoorden als ik niet zeker weet dat ze ook echt slechte intenties hebben.’
‘Ik ook niet, tenzij ze Noël heten,’ zei Boris. ‘Maar het maakt niet uit. Opgeruimd staat netjes.’
‘Zafron,’ zei Tobio. Zafron hoorde hem wel, maar door alle euforie leek het niet tot hem binnen te sijpelen dat Tobio hem aanspraak.
‘Ik vind het toch wel jammer,’ zei Neminis. ‘Ze was geen slecht mens toen we met haar samenwerkten.’
‘Zafron,’ zei Tobio opnieuw.
‘Niemand is ooit een volledig slecht mens,’ zei Zafron. ‘Toen ik haar trainde, was ze ook nog een goed kind. Ongeveer.’
‘Zafron!’ zei Tobio nogmaals, dit keer harder, met meer kracht en meer onrust in zijn stem.
‘Wat is er?’ vroeg Boris, die geen vuiltje aan de lucht zag. ‘Noël is weg, relax.’
‘Alluka,’ bracht Tobio uit. Zafron zag het mislopen. Hij zag hoe de ogen in Tobio’s ogen sprongen en hij wist al wat er gezegd ging worden nog voor het gezegd werd. ‘Alluka is verdwenen, ik voel zijn aanwezigheid niet meer,’ bracht Tobio hysterisch uit, voordat hij gillend door zijn knieën zakte. ‘Hij is weg,’ piepte hij. ‘WEG!’

Noël had verloren. Er was geen enkele manier meer om dit bos over te nemen. Ze had Zafron uit kunnen schakelen. Ze had zelfs die twee idioten van een bosleiders aangekund, maar die waterleider… dat was een heel ander paar mouwen. Een paar mouwen dat haar niet leek te passen. De aanval was er geweest. Ze had hem moeten zien aankomen – ze had het gevoeld moeten hebben – maar ze had hem pas opgemerkt toen ze al geraakt was.
Het was smerig, dat hij een aanval zo geniepig op haar af kon sturen. Het rotkind. Ze had meer mannen op hem af moeten sturen nadat de waarzegster Felicia had voorspeld dat de nieuwe waterleider die dag een bezoekje zou brengen aan Zij Die Liefde Verbannen Hebben. Nu ze erover nadacht, was het vrij ironisch. Had ze niemand op die jongen afgestuurd, was hij waarschijnlijk nooit in het bos gevlucht en was er nooit een nieuwe waterleider geweest. Met als gevolg dat ook niemand een verrassingsaanval had kunnen uitvoeren.
Ze had theoretisch gezien haar eigen doodvonnis getekend. Ze had moeten weten dat het lot altijd wel een manier vond om zichzelf waar te maken. En oh, wat verachtte ze dat alleswetende lot, dat altijd maar zijn eigen gangetje ging.
Hoelang was ze al onder water? Ze wist het niet, maar het was waarschijnlijk al een hele tijd. Haar zicht begon wazig te worden en haar hoofd voelde slaperig aan. Haar longen schreeuwden naar lucht die ze nooit zouden krijgen.
Als ze zou sterven – wat ze hoe dan ook zou doen – zou ze op zijn minst die lelijke waterleider met zich meenemen, en Zafron, en Boris, en Neminis en Alluka kon er ook nog bij; ze zou dit hele behekste bos meenemen in haar dood. En als laatste zou ze dat miezerige lot, dat altijd maar zijn weg leek te vinden, vernietigen – omdat ze zelf nooit haar weg had kunnen vinden.
Ze opende haar mond en liet een laatste vervloekte luchtbel ontsnappen. Het was haar sterkste kracht, de kracht waarvoor Zafron de heksenbond had gewaarschuwd. Ze noemde het ‘zwart gat’. Het was een duistere kracht die alles en iedereen opslokte in een straal die zijzelf bepaalde. Het begon altijd met een kleine bal, die zich eerst heel langzaam en dan heel snel uitzette, tot hij zijn straal overschreed en verdween – samen met alles wat hij aangeraakt had.
Ze werd zelf als eerste opgeslokt, maar haar ziel bleef lang genoeg ronddwalen om te zien hoe heel het bos, inclusief al zijn rotte inwoners, werd verteerd door haar kracht, en het bezorgde haar een gevoel van tevredenheid en euforie.

Reacties (6)

  • Altaria

    Wait, what?

    3 jaar geleden
  • Grace

    WHAAAAAAT

    3 jaar geleden
  • Slughorn

    Wow. Opeens een heel snel einde, zonder de hoofdpersoon? :o
    En is nu opeens alles alsnog vernietigd... Huh?

    3 jaar geleden
  • LilsEvans

    Noooo Zafron/Erin moet overleven zodat hij en Jesse lang en gelukkig samen kunnen leven.

    3 jaar geleden
  • Croweater

    Hij zag hoe de ogen in Tobio’s ogen sprongen

    Creepy...

    Maar eh, nu zijn ze allemaal dood ofzo?

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen