Vanuit mijn ooghoeken zag ik mijn moeder opkijken van haar bezigheid. Meteen werd ik alert en behoedde mezelf al op de vraag die komen ging.
'Nikore, zijn er nog aardappels?'

Zuchtend zette ik de bezem tegen de muur en sloeg mijn armen robuust over elkaar.

'Nee mam, dat vraag je nu ook al voor de duizendste keer. Er zijn géén aardappels meer.' Met een ongelovige blik in mijn ogen keek ik mijn moeder recht aan. Zei ze dat nou om mij weer te pesten, of was ze echt zo ontzettend vergeetachtig? Wist ze dan echt niet meer dat de aardappels al bijna een week op waren?

'Wil je dan even voor me naar de markt gaan?' vroeg ze met haar liefste, bijna zangerige stem. Het klonk als een gewone vraag en elk onwetend mens zou dat ook denken, maar ik wist dat het eerder een bevel was dan een verzoek.

'Het zal wel moeten,' mompelde ik binnensmonds.

'Wat zei je?' riep mijn moeder vanuit de hoek van de kamer.

'Niks, ik ga al!' Ik had de neiging om te kreunen, maar hield me wijselijk stil.

Mopperend liep ik naar de deur en stapte in mijn oude schoenen. Bij het bukken schampte ik met mijn schouder langs de muur, en ik vloekte binnensmonds. 
In de muur naast me waren wat spijkers getimmerd, die als een soort kapstok dienden. Ik trok mijn jas eraf en tegelijkertijd opende ik de deur. Een koude vlaag kwam me tegemoet en liet mijn blonde haren wapperen. Ik rilde, koud.

'Nikore, doe die deur eens dicht. We stoken hier niet voor de vogeltjes.'

Met een enorme klap gooide ik de deur dicht, zodat hij wild schudde in zijn voegen. Wat nou vogeltjes, die zitten met dit weer heus wel allemaal goed verscholen op warme plekjes.

'Iets zachter mag de volgende keer ook wel, hoor,' klonk mijn moeders stem kleintjes door het hout heen.

Ik grijnde breed en maakte een verwensend gebaar door met mijn hand langs mijn keel te gaan. Hier kon dat tenminste, dacht ik vreugdeloos, zonder opgemerkt te worden of een snauw naar mijn hoofd geslingerd te krijgen. Buiten kon ik eindelijk mezelf zijn, hier kon ik doen wat ik wilde. Ik zuchtte diep en een wit dampwolkje verliet mijn mond. Vrij voor een klein uurtje.

Ik schopte tegen een hoop sneeuw zodat de kleine stukjes wit door de lucht vlogen. Mijn schoenen waren vrijwel meteen helemaal nat van binnen, maar dat deerde me niet.
Het liefst, het klonk misschien hard, had ik dit gedaan met mijn moeder. Haar aan stukken schoppen, zover totdat er niks meer van haar te vinden zou zijn. Diep van binnen, of eigenlijk overal in mijn hele lichaam, walgde ik van haar. 
Maar wat zou er gebeuren, als ze weg zou zijn? Verdwenen van het aardoppervlak? Dat bedacht ik stiekem wel eens als ik 's avonds in bed lag. Ik zou dan samen met mijn broers de baas zijn over ons huis. Verder zou er niks veranderen, aangezien wij het huishouden toch zelf al deden.
Althans, ik deed het huishouden en mijn broers zorgden voor het geld, door elke dag in de steenmijnen te werken. Veel leverde het niet op, maar alle kleine beetjes hielpen. Elke helpende hand was hartelijk welkom. 
Maar mijn moeder zat dag in, dag uit met mijn kleine broertje op schoot en staarde enkel wat voor zich uit. En gaf mij bevelen, natuurlijk. Waarom, weet ik niet. 
Ik slaakte een diepe zucht terwijl ik mijn handen in mijn zakken wurmde voor wat schamele warmte.
Soms dacht ik dat het kwam, omdat ze aan haar man dacht. Mijn vader. Hoe zou het zijn als hij er nog was geweest? Mijn kleine broertje was het laatste aandenken wat hij nog bij zijn vrouw had achtergelaten. Hoe lang was hij nou al weg? Een jaar of vier? Elke dag dat hij langer wegbleef, werd het leven zwaarder. Hij zou voor een paar dagen wegblijven om bij een oom op bezoek te gaan, maar nooit is hij teruggekeerd.

Plotseling werden mijn gedachten ruw onderbroken door het gehinnik van een stel paarden die een wagen voorttrokken. Nou ja, probéérden te trekken. De wielen zaten diep in de sneeuw en de koetsier duwde uit alle macht om ze uit de kuil te krijgen. Ik bedacht me geen moment en liep in een sukkeldrafje eropaf.

'Kan ik misschien helpen?' vroeg ik aan de man. Zonder dat ik het doorhad, hield ik mijn hoofd wat schuin.

'Graag, je kan me wel helpen duwen. Ik ben niet bepaald de jongste meer, en mijn paarden ook niet.'

Ik glimlachte terwijl ik naast de man kwam staan. Ik zette mijn voeten stevig vast in de sneeuw en duwde uit alle macht. Niet dat ik sterk was, maar blijkbaar werkte mijn gewicht tegen de houten kar wel. De paarden hinnikten luid toen ze weer beweging in de wagen voelden.

De koetsier wreef in zijn handen. 'Volgende keer misschien toch maar een slee gebruiken als er sneeuw ligt...' lachte hij, 'ik ben maar wat blij dat jij me kwam helpen!'

Ik bloosde een beetje en knikte.

'Is er iets wat ik voor je zou kunnen doen, ter betaling van je hulp zonet?' vroeg hij.

Ik aarzelde. Wat moest ik nu zeggen? Kon ik zomaar iets van hem aannemen?

'Zeg maar wat je wilt,' drong de man aan, 'je mag werkelijk alles vragen. Het wil niet zeggen dat ik alles kan volbrengen wat je wilt, maar we komen vast een heel eind.' Zijn harde schaterlach galmde door de omgeving, en ik merkte op dat hij enkele voortanden miste.

Ik dacht nog even goed na, en maakte daarbij een kort 'hmm'-geluid.
'Nou, goed dan,' Ik schuifelde wat met mijn voeten door de sneeuw, 'Ik zou graag wat sneller op de markt zijn dan lopend.'

'Dus, je bedoelt dat je graag daarheen gebracht wil worden?'

Ik knikte opgelucht.

'Komt voor de bakker. Spring maar voorop.' En ik klom op de bok, waarna de man op het plaatsje naast de mijne kwam zitten.
'En,' begon hij, terwijl hij een paar lichtgrijze handschoenen aantrok, 'ook alweer vroeg op pad?'

Ik humde wat, staarde verlangend naar de handschoenen en voelde mijn ijskoude handen. 'De aardappels waren weer eens op.'

'Oh, maar hee!' Zijn ogen begonnen te glinsteren als die van een kleine jongen, 'Ik heb nog twee zakken aardappels achterin liggen,' Hij grijnsde breed, 'Pak er daar maar een van. Of allebei, zo je wilt.'

Ik keek de man dankbaar aan en wilde alweer op de grond springen, toen hij me tegenhield.
'Wacht maar, doe geen moeite. Ik breng je meteen wel even naar huis.'

'Dat hoeft echt niet, hoor,' verdedigde ik, maar ik wist dat het er niet heel overtuigend uitkwam. Ik ging maar wat graag met de man mee, zo zou ik een heel eind lopen besparen.

Hij keek me vreemd aan. 'Natuurlijk wel, jij hebt me immers uit de sneeuw geholpen!' Hij begon weer aan een schaterlach en spoorde tegelijkertijd de paarden aan de slee te draaien. 'Jij wijst ons de weg. Hoppaah.' En de terugtocht kon beginnen.

Wat wel jammer was, besefte ik, was dat het werk meteen weer moest beginnen thuis. Als ik lopend was geweest, had mijn vrijheid een stuk langer geduurd. Maar dit was ook niet erg, dacht ik en liet me achterover tegen de rugleuning zakken.

'Hier rechts,' wees ik, 'en daar is het alweer.'

'Kort stukkie,' zei de koetsier, 'als je me ooit nog nodig hebt, roep je maar! Oh, en vergeet de aardappels niet.'
Hij remde af door aan de teugels te trekken. 'Hooo...' Meteen minderde de koets vaart en enkele ogenblikken later stond hij stil.

Ik sprong van de bok af en bedankte de man. 'Ik zou u graag een keer bij mij thuis uitnodigen, maar deze keer komt dat niet heel handig uit. Heel erg bedankt nog voor de rit. En de aardappels.'

'Ach, kleine moeite. Jij ook bedankt.'
Ik knikte en trok één van de zakken aardappels van de achterbank. De man keek vriendelijk toe en begon alweer om te draaien, toen hij nog iets riep. 'Neem die tweede zak ook maar mee!'

Verward staarde ik naar mijn gevulde handen, twijfelde nog een ogenblik, maar pakte uiteindelijk ook de tweede zak. 'Dankuwel!'

Slenterend kwam ik bij de deur aan, en zag de kar met de paarden alweer wegrijden.

'Dag hoor!' riep de aardige man terwijl hij uitbundig zwaaide.
Ik grinnikte en trok de schamele deur alweer open. Dat was een korte rit geweest.
Een behaaglijke warmte kwam me tegemoet, en zag dat het haardvuur aanstond.

'Zo Nikore, dat is snel. Heb je de aardappels?'

Triomfantelijk hield ik de twee zakken omhoog. Verbaasd keek mijn moeder me aan.

'Twee zakken?'

'Er was een aanbieding,' loog ik lachend, 'Twee zakken voor de prijs van één.'

'Mooi zo. Voor de verandering zal ik vandaag het eten een keer klaarmaken.'

Ik keek haar vreemd aan. Dat deed ze normaal gesproken nooit, hier zat vast een addertje onder het gras.

'Natuurlijk heb ik dan ook een klusje voor jou. Het hout is bijna op, en de voorraadschuur is ook leeg. Misschien moet je even hout gaan hakken.'

Ik zuchtte, maar haalde mijn schouders op. 'Oké.' Ik had er totaal geen zin in, maar ik zat er ook niet op te wachten om straks in een koud huis te zitten. Er zat niet veel anders op. 'Ik ga over vijf minuutjes.'

Reacties (1)

  • Lorem

    Ik vind het verhaal erg leuk geschreven. :3

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen