“Hé, heb je al nieuws?” vraag ik Silvia, die net komt aanrennen.

Ze schudt haar hoofd. “We weten nu waar Austin heen gaat als hij de training verlaat.”

“Perfect, laten we maar eens gaan kijken,” zegt Mark, die ook aan komt lopen.

“Mag ik met jullie mee?” hoor ik iemand achter me vragen.

“Axel?” Ik kijk hem aan.

“Ja, jullie zijn niet de enigen die zich zorgen maken om Austin.”

“Oké, waar wachten we nog op, jongens?”

“We wachten tot Silvia vertelt waar we heen moeten,” antwoord ik droog en ik kijk haar verwachtingsvol aan.

“Oh, ik dacht dat ik jullie de weg zou wijzen…” mompelt ze.

“Nergens voor nodig, jij bent hier vast nuttiger. Waar is het?”

“Oh… Eh… We zagen hem een restaurant binnen gaan. Hier rechtdoor, dan links, dan meteen rechts en dan…” Het gaat allemaal mijn ene oor in en mijn andere oor weer uit. Niet dat het veel uit zou maken als ik het zou onthouden, want zo heel erg lang wonen we hier nog niet en ik ben erg goed in verdwalen, zoals je misschien al is opgevallen. Ik doe maar of ik het snap, knik braaf en hoop vurig dat Axel en Mark de weg weten, want op Cassi hoef ik ook niet te rekenen in zo'n situatie.

“Oké, bedankt, dag Silvia!” zegt Cassi, en dan trekt ze ons mee naar weet-ik-veel-waar. Niet de goede kant op.

“Ehm… Cassi… Zal ik de weg wijzen?” vraagt Axel.

Cassi wordt een beetje rood en grijnst. “Ja, doe dat maar.”

“Een restaurant… Wil dat zeggen dat Austin de training verlaat om naar een restaurant te gaan?” peinst Mark na een minuut of tien lopen.

“Ik weet het niet, misschien dat-” Een luid, ronkend geluid onderbreekt me. Als ik opkijk, zie ik een jongen op een motor, die mij en Cassi grijnzend aankijkt.

“Wat doen zulke mooie meisjes in deze wijk?” vraagt de jongen. Wacht, wat?!

“Hé, wie ben jij?” vraagt Mark.

Maar de jongen negeert hem. Hij kijkt enkel ons aan. “Kom op, meiden. Vergeet die losers toch. Kom met ons mee, dat wordt gezellig. Of niet jongens?” Nog drie jongens stappen tevoorschijn. Ik weet niet waar dit heengaat, maar waar dat ook is, het is sowieso niet de goede kant. Dit is niet oké. We moeten hier weg. NU.

“Geen gedoe, jongens,” mompelt Cassi. “We moeten een belangrijke wedstrijd spelen.”

“Ja, ik weet het,” antwoordt Mark. Hij loopt de jongens voorbij. “We hebben haast. Kom mee, we gaan.”

Ik knik en loop achter hem aan. En dan opeens sluit een hand zich stevig om mijn pols. Niet die van Axel, of die van Cassi. Die van de jongen.

“Wacht jij eens even,” zegt hij, nog altijd grijnzend. “Kom toch met ons mee, schoonheid, dan kun je lachen.”

“Laat haar onmiddellijk los!” klinkt het in koor. Ik hoor de razernij in hun stemmen. Ik heb Cassi nog nooit zo kwaad gezien, en Axel ook niet.

“Ik zou me er maar niet mee bemoeien als je geen problemen wilt.” Hij klemt zijn hand nog steviger om mijn pols. Ik moet weg. Hij moet mijn pols loslaten. Ik moet ontsnappen. NU.

Zijn grijns is de druppel. Ik haal uit en met een harde klap plant ik mijn vuist tegen zijn wang. Maar hij laat me niet los, integendeel. Hij klemt zijn hand nog steviger om mijn pols en kijkt me kwaad aan. “Jij kleine… Nu zit je in de problemen, meisje.”

“En mogen we ook weten over wat voor soort problemen je het hebt?”
Archer.

In die ene seconde dat hij afgeleid is haal ik opnieuw uit. En deze keer laat hij me wel los. Ik vlieg Axel onmiddellijk in de armen, trillend van schrik.

Hij trekt me sussend tegen zich aan en geeft me een kus. “Rustig maar, er gebeurt niets.” Hij laat me langzaam los en draagt me over aan Cassi.

Ze slaat haar arm om me heen en trekt me tegen zich aan. “Ademhalen, Fay, het is oké nu. Er is niets meer aan de hand. Wij beschermen je wel.”

Langzaam wordt mijn ademhaling minder schokkend en begin ik minder te trillen. Een plotselinge windvlaag steekt op, en Cassi trekt me snel tegen haar aan. Was dat… Die windvlaag… kwam dat door Archer?

Ik kijk op, en inderdaad: Archer staat een paar meter verderop en kijkt kwaad naar de jongens.

“Dat trucje kennen we onderhand wel. Een hoop gebakken lucht,” zegt de jongen die mijn arm vastpakte minachtend. Hij laat zijn knokkels kraken en loopt dreigend op Archer af. Wat is hier aan de hand? Ik volg het allemaal niet meer.

Opeens springt Mark ervoor, wat het allemaal nog verwarrender maakt. “Wegwezen jij. Archer is deel van ons team. Hij hoort bij ons. Als jij ruzie zoekt, dan kom je maar naar mij.”

“Aanvoerder…” probeert Archer, maar het heeft niet het gewenste effect.

Mark draait zich om en kijkt hem recht aan. “Dat geldt ook voor jou, Archer. Als je zo nodig moet vechten, vecht dan maar met mij, begrepen?”

“Nah, het is wel goed zo. Ik heb genoeg gehoord voor vandaag,” zegt de jongen terwijl hij weer op zijn motor stapt. “Maar ooit zien we elkaar terug, Archer, en dan zijn je vriendjes er niet bij.” Hij werpt mij nog een vuile blik toe, en dan rijdt hij weg.
De andere drie jongens zitten trillend op de grond. Archer loopt naar hen toe en knielt bij hen neer. “Ik was nogal hard tegen jullie en dat spijt me,” zegt hij. De jongens kijken met een mengeling van verbazing en angst naar hem op. “Maar hoe hebben jullie het zover kunnen laten komen?”

“We hadden geen keus, Archer!” antwoordt een van de jongens.

“We doen wat de baas van ons vraagt,” vult een ander aan. “We vallen aan wie we van hem aan moeten vallen. Zelfs onze vriend.”

“We weten dat het niet goed is wat we doen, maar we kunnen ons niet tegen hem verzetten. We hebben de moed niet, we zijn laf, Archer,” zegt de derde jongen.
“Kom terug bij ons, kom weer bij de bende. We hebben je nodig, Archer.”

Hun smeekbeden helpen niet. Archer staat op. “Dat zijn jullie zaken. Daar heb ik niets mee te maken.” Hij keert ze de rug toe, waarop de jongens opstaan en weg sjokken. Dan richt hij zich tot ons. “Het spijt me dat ze zo tegen jullie deden.”

“Oh, dat maakt echt niet uit, Archer,” zegt Mark meteen. Eh, sorry, maar dat maakt ik wel uit. Ik wrijf over mijn pols, die best wel zeer doet. “Maar wie waren die jongens eigenlijk?”

“Sorry, aanvoerder, maar daar praat ik liever niet over. Het zijn oude zaken die weer boven komen drijven.”

“Oké, wat je wil,” antwoord Mark, waarop Archer zich omdraait en wegloopt. “Oude zaken die weer boven komen drijven?” mompelt Mark zodra Archer ver genoeg weg is. “Misschien moeten we ons gewoon niet teveel bemoeien met dingen die ons niet aangaan. Net als bij Austin.”

Huh? Wat? Nee! Ik maak me zorgen om Austin en ik wil weten wat er aan de hand is.

“Luister, Mark,” zegt Axel, alsof hij mijn gedachten kan lezen, “Als we ons zoveel zorgen maken over Austin, dan is dat toch omdat hij onze vriend is? Vrienden heb je om fijne dingen mee te delen en om te steunen als het slecht gaat. Volgens mij heb ik dat zelfs van jou geleerd, of niet, Mark?”

Mark lacht. “Dat zou kunnen. Oké jongens, we gaan.”

Ik pak Axels hand en hij trekt me even tegen zich aan. “Gaat het weer een beetje?”

Ik knik. Nog wel wat trillerig door de schrik, maar ik heb niets te vrezen. Bij Axel ben ik veilig.

Reacties (3)

  • DeNaamIsGideon

    ik vind het mooi hoe Archer niet mag vechten terwijl Fay die klootzak net twee tikken had verkocht.

    2 jaar geleden
  • Opperbibbsie

    Jep, Fay. Je bent veilig bij Axel.


    ''Luister, Mark,'' zegt Axel, alsof hij mijn gedachten kan lezen.


    Stiekem kan hij dat ook.
    xD

    2 jaar geleden
  • Amberfoster

    Je weet me altijd happy te maken c;

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen