'Als je maar wel op tijd thuis bent voordat het donker wordt!'

'Jaja, ik weet het,' mompelde ik, terwijl ik me met een diepe zucht omdraaide. Ik stapte weer naar buiten en trok, en tikkeltje zachter dan vanmorgen, de deur achter me dicht.

'Dan is het goed, Nikore.' kwam er nog gedempt door het hout heen.

Terwijl ik het beschermende, nog enigszins warme huisje achter me liet, sloeg ik de capuchon van de wollen trui ver over mijn hoofd. Voor zover het lukte met de zilvergrijze schop in mijn linkerhand, trok ik mijn handen zo diep mogelijk in de versleten mouwen. Het schamele beetje beschikbare warmte was nu echt te kostbaar om te verspillen.

Kleine dampwolkjes verlieten mijn mond en voerden mee met de wind, terwijl ik over de knerpende, versgevallen sneeuw liep.
Mijn voeten stopten als vanzelf met lopen, zodra ik voor het houten schuurtje naast mijn huis stond.

Een dikke laag van de vannacht gevallen sneeuw blokkeerde de ingang. Langzaam liet ik mijn blik omhoog dwalen, en zag een rij lange ijspegels hangen aan het randje van het half verrotte dak.

Ik rilde kort. Het was sinds afgelopen week kouder dan dat het ooit eerder geweest was, en langzaamaan begon het voedsel op te raken. Zelfs het laatste beetje van het noodrantsoen gedroogde vlees, wat nog in het halletje hing, kwam zo langzamerhand ook aan zijn einde. Aardappels hadden we nu echter genoeg, dacht ik grinnikend.

Ik zette de schop even in de sneeuw vast en wreef in mijn tintelende handen, om ze wat op te warmen voor de zware klus die me te wachten stond. Toen nam ik de ijskoude schop weer en begon de sneeuw voor de deur van het oude schuurtje weg te scheppen.

Voor mijn gevoel duurde het een eeuwigheid. Je zou denken dat je het van dat harde werken wel warm zou krijgen, maar dat viel vies tegen met dit weer. Een ijzige wind kwam opzetten, joeg door de gaten van mijn versleten trui en liet me tot op mijn botten verkleumen.

Eindelijk had ik genoeg sneeuw aan de kant geschept om de deur open te krijgen. Ik graaide in mijn zak naar de kromme sleutel om het schuurtje te kunnen openen. Terwijl ik met stijve vingers de sleutel in het gat stak en hem moeizaam omdraaide, piepte het roestige slot vervaarlijk tot de korte "klik" aangaf dat de deur open was. 
Ik stapte naar binnen en kneep mijn ogen tot spleetjes om te wennen aan het schemerige donker.

Tegen de achtermuur stond een platte kar met een touw eraan, dat ik pakte en een paar keer rond mijn hand draaide. De wielen waren van de kar afgehaald, zodat het een soort slee geworden was, die gemakkelijker bruikbaar was als er veel sneeuw lag. Hij schuurde een beetje lomp over de grond achter me aan, terwijl ik me een weg terug door de rommel baande. Met een korte beweging pakte ik de bijl, die rechtop aan de binnenkant naast de deuropening stond.

Eenmaal buiten draaide ik de deur weer op slot en stak de sleutel diep in mijn zak. Met de slee achter me aan en de bijl op mijn schouder, begon ik in de richting van de bosrand in de verte te lopen. Daar zou ik wel genoeg brandhout kunnen hakken voor ruim een week, bedacht ik tevreden.

Terwijl ik met grote passen voort liep, begon de wind ondertussen steeds harder te waaien en blies mijn blonde haren steeds weer in slierten voor mijn gezicht. Donkere wolken dreven over en bepakten de eerst nog redelijk heldere lucht.
Behoedzaam keek ik omhoog. De nu bijna pikzwarte wolken stonden dreigend aan de hemel en konden elk moment hun last laten vallen. Dat kon nog wel eens een stevige sneeuwbui worden, dacht ik in een flits.

Steeds sneller en sneller liep ik door, om bij de veilige bomen van het bos te kunnen schuilen als het noodweer zou losbarsten.

'Kom op, Nikore, je kunt het nog halen.' mompelde ik tegen mezelf, 'Als je snel bent tenminste.'

Ik voelde de eerste sneeuwvlokken al op mijn gezicht neerdalen en langzaam werden het er steeds meer en meer. Ze dwarrelden nu niet meer neer als vredige pluisjes in een zacht winterlandschap, maar striemden als ijzige zwepen over mijn ruwe huid. Ik voelde hoe mijn gezicht werd opengesneden en een straaltje warm bloed zich als een traan een weg naar beneden vond.

De pijn verbijtend, liep ik steeds sneller in de richting van het bos. 
Ik stond te trillen op mijn benen en vroeg me af of ik het wel zou halen, al wist ik dat de bomen in de verte bescherming zouden bieden. 
Maar ik nam nu wel een groot risico. 
De angst besloop me toen ik plotseling dacht aan wat alle kinderen van jongs af aan al aangeleerd was.

Met dit weer kwamen de wolven altijd tevoorschijn.

De wind loeide en ik werd verblind door een witte waas. Alles leek verdovend te werken, terwijl ik nog steeds de slee achter me aansleepte. De bijl was ik onderweg al ergens verloren, al had ik geen besef meer waar en wanneer dat was geweest.

Het geluid van de gierende wind was oorverdovend. Hongerig gehuil van wolven een eindje verderop drong niet meer tot me door.

Ik zag niks meer, voelde niks meer. Alleen de drang om door en door te lopen en op tijd bij de beschermende bomen te komen. 
Echter, die kwamen niet. Overal pijn, maar zonder gevoel. Als een eindeloze, witte nacht.

Heel plotseling hield het geloei op. De storm verdween letterlijk als sneeuw voor de zon, en voorzichtig opende ik mijn betraande ogen. Mijn wimpers filtreerden wat zwakke zonnestralen.

Ik had ze nauwelijks een millimeter of twee geopend, of ik sloot ze alweer. Mijn hart stond een ogenblik stil.
Zo stevig mogelijk kneep ik mijn ogen dicht, om ze vervolgens hyperventilerend opnieuw te openen.
Het was waar.
Ik wilde gillen, de hele wereld bij elkaar schreeuwen, maar een brok in mijn keel maakte dat onmogelijk.
Ik wilde omdraaien en wegrennen, maar mijn voeten stonden aan de grond genageld.
Vastgekluisterd kon ik mijn ogen voor nog geen halve seconde wegrukken uit de betoverende, diepgele ogen van de enorme, pikzwarte wolf...

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen