× Empty 03 ×


      Het duurde even voor ik zelf zelfs maar besefte wat ik net had gedaan. Ik bedoelde, wat? Niet zo lang geleden was ik voor nog geen goud gegaan, waarom nu dan wel? 'Omdat Eva meer dan goud is,' fluisterde een klein, kinderlijk stemmetje in me. 'Ze is je enige vriend, daarom redt je haar,'
Zelfs al was ik het niet volledig met dit deel van mij eens, ik wist dat het stemmetje een punt had. Eva had zoveel aan me gegeven, zo vaak haar lunch gedeeld wanneer ik die weer eens vergeten was, vriendschap, hulp wanneer ik dat nodig had -en zelfs wanneer dit niet het geval was- complimentjes, en zelfs de jurk die ik nu aan had. Was haar leven dan wel niet het minste wat ik van dit meisje kon redden?
      Toch leken de mensen om me heen dat niet te begrijpen, en staarden me in doodse stilte aan, de stilte was beangstigend, even effectief als oorlogstrommels. Bij de boete kwam er veel liefde voor, of het gebrek eraan, door de wrede regels van het Capitool. Er werd veel gehuild, veel beloftes afgelegd, maar vrijwilligers waren er niet. Nooit. Want als je thuis bleef, had je tenminste je leven nog, in de arena had je niets aan familie of vrienden, ze zaten alleen maar in de weg, ze waren je geweten dat je tegenhield te doden. Te overleven.
      Poppy tuitte haar lippen een beetje, waardoor het geschilderde hartje er nog misvormder uitzag dan het al was. Haar blik zei alles: "Stel je niet zo aan, no way dat ik jouw begeleider word!"
Haar mond daarentegen, zei er niks van. 'En wat is jouw naam?' rolde eroverheen, in plaats de hele reeks beledigingen die ik in haar ogen weerspiegeld had gezien.
      'Holly Hilde Wakefield,' zei ik zacht, ze trok een wenkbrauw op.
      'Wat?'
      'Holly Hilde Wakefield,' herhaalde ik mezelf, nu luid en duidelijk, geen woede, geen paniek, geen angst. Alleen een kille, starende blik, mijn geelgroene ogen keken in het niets, toen mijn armen eindelijk losgelaten werden door de vredebewakers. Ik liep met langzame, eenzame passen richting het podium, mijn voetstappen weergalmden door het overvolle plein, langzaam liep ik het houten trapje op, dat lichtjes kraakte onder mijn gewicht. Even, heel even, voelde ik me net een soort filmster, of een cowboy die een kroeg binnenliep, zoals alle ogen op me gericht waren.
      Maar kort daarna voelde ik me weer gewoon Holly, die lichtjes trilde van de adrenaline die door mijn lichaam stroomde, en misschien ook door de kou, die door de huilende wind veroorzaakt werd. Ik was geen held, ik was gedoemd.
Poppy daarentegen leek opgewekt, ze leek een soort sprongetje te maken, wat er belachelijk uitzag door haar naaldhakken, het was eerder alsof ze haar evenwicht verloor. 'Wat fijn dat jullie hier eindelijk beginnen in te zien hoe een eer het is om mee te mogen!' kwebbelde ze vrolijk en trippelde naar de bol met jongensnamen, alle jongens hielden opslag hun adem in. Ik zocht Kai en Rowan weer op, en zag hoe ook zij hun adem inhielden, mijn blik gleed over de rest. Vurig hoopte ik dat het niet één van hen was, dat ik hier stond was al een regelrechte ramp, maar tegen hen vechten? Zelfs tegen Rowan zag ik dat echt niet zitten - ook al won ik van hem meestal. Daar ging het ook niet om, het was meer dat ik ze niet wilde doden.
      Poppy had eindelijk het papiertje gepakt, langzaam vouwde ze het open en ook ik hield mijn adem even in. Alsjeblieft niet Kai of Rowan, alsjeblieft, smeekte ik in mijn hoofd.
      'Gido Balder,' las Poppy de naam op, ik slaakte een zucht van verlichting. Toch kende ik deze naam, al was het maar vaag, en dat knaagde aan me, als een hongerige rat, maar op zo'n manier dat ik het maar nauwelijks merkte. De menigte week een beetje uit, en meteen kwam de adrenaline die net een beetje weggeëbt was weer terug, in misschien nog wel ergere vlagen dan daarvoor.
      Niet hem. Alsjeblieft, iedereen was goed -behalve Kai en Rowan- maar niet hem. Ik herkende zijn scheve bruine ogen uit duizenden, het waren dezelfde soort ogen als ik en de rest van mijn familie hadden, maar dan kil, doods, eenzaam. Rowans misschien wel enige vriend, hij was dan misschien geen weeskind, dat betekende nog niet dat hij een vrolijk, onschuldig kind was met een obsessie voor postzegels.
      Helaas. Hij had veel armspieren en een getraind lichaam, hoe hij daaraan kwam wist ik nog niet. Misschien, zei een stemmetje in mijn achterhoofd, wilde ik dat ook wel niet weten. Ik wist dat ik voor een meisje behoorlijk sterk was, maar anders dan bij Rowan, verloor ik mijn akkefietjes met Gido meestal, dus hoe zou ik in hemelsnaam winnen in een dodelijke arena, als ik het zelfs maar over mijn hart kreeg Rowans beste vriend te doden?
      In de tijd dat ik me zorgen maakte om de arena, was Gido inmiddels al bij het podium aangekomen. Anders dan ik, of Kai, had hij redelijk normale kleding aan. Waarschijnlijk was hij te arm om zich echt op te doffen, en zelfs al was dat niet zo - gaf ik hem groot gelijk. Waarom zou je je opdoffen voor dit gebeuren? Dat was net zo belachelijk als je mooi maken voor je eigen executie, of mascara opdoen wanneer je ging zwemmen; nutteloos.
      'Dan zijn de tributen voor de zestigste Honger Spelen,' begon Poppy. 'Holly Hilde Wakefield, en Gido Bolder! Een applaus graag!'
Het applaus kwam niet. Alleen maar protesterende stilte, en dodelijke blikken op mijn toekomstige begeleider gericht. En ze wist dat ik de oorzaak was, dat ik ze hier, zelfs al was het onbewust, tot aan had gezet. Ik had ervoor gezorgd dat mijn district niet mee deed met de eeuwige poppenkast, en ik wist niet goed waarom, maar het voelde geweldig, al wist het maar nauwelijks door de schrik en de woede heen te drijven.

      Toen we waren afgevoerd naar het gemeentehuis, wachtend op de trein, wist ik dat dit misschien wel het enige moment was dat ik nog kon huilen. En eigenlijk, eigenlijk wilde ik dat heel, heel graag. Ik wilde dat de tranen over mijn wangen zouden rollen, als een warme, zoute regen, ik wilde mijn gezicht in mijn handen begraven, zoals ik al zo lang niet meer had gedaan. Ik wilde nu een huilebalk zijn, zelfs al was het maar voor eventjes.
      Maar het lukte gewoon niet. Ik was droog, kurkdroog, net alsof ik het huilen verleerd was, door het zolang binnen te hebben gehouden. Ik ging op de bank zitten, ik wist niet welke stof het nu precies was, maar het was zacht, alsof het een dier was. Ik trok mijn knieën op, sloeg mijn armen eromheen en begroef mijn gezicht in de witte rok, als een vervanging van huilen. Het was huilen zonder tranen, zonder geluid. Er was een mogelijkheid dat ik alles kwijt zou raken, mezelf, mijn geluk, en vooral: Mijn onschuld, voor zover ik dat nog had. Ik wist dat ik er niet toe in staat was om een levend wezen te doden, ik zou mezelf eeuwig blijven verwijten.
      'Holly?' Ik keek op, om in twee chocoladebruine ogen te kijken, ze waren niet leeg, maar ik miste de ondeugende glans erin.
      'Kai,' Ik liet mijn benen zakken totdat mijn schoenzolen tegen de linoleum grond tikten, om hem te omhelzen.
      Aarzelend knuffelde mijn broer even terug, maar maakte zich toen weer los en keek me op een strenge manier aan, waardoor ik het gevoel kreeg dat ik enkele koppen kleiner werd, alleen door die blik. 'Waarom deed je dat?'
Ik richtte mijn blik op mijn laarzen, bestudeerde de krasjes die het leer hadden opgelopen bij de tripjes naar achter het hek.
      'Ik...' Langzaam keek ik weer voorzichtig vanachter de lokken die als een gordijn voor mijn ogen waren gevallen omhoog. 'Ik kon haar niet laten gaan, ik zou haar voorgoed kwijt zijn,'
      Kai's lippen produceerden een voorzichtige glimlach, het kuiltje in zijn wang werd weer zichtbaar. 'Jij domme, maar dappere beschermer,' zei hij langzaam. 'En jij dan? Heb je enig idee wat voor gevolgen dit voor jou heeft? Of beter gezegd, voor ons? Voor Ashley, en Kaya, en Lia?'
      'Wat, zijn jullie bang dat jullie niet genoeg inkomsten meer hebben?' Ik trok een wenkbrauw op.
      'Nee,' Kai glimlachte medelevend. 'Maar we hebben maar één Holly, en die wil ik niet kwijt,'
      'En ik ook niet,' Ashley kwam naast me zitten en sloeg een arm om me heen. Haar scheve ogen stonden treurig, maar haar mond lachte, alsof ze wilde zeggen dat ze me vreselijk zou missen. Ze speelde met één van mijn zwarte lokken die uit het vlechtje gevallen was. 'Alsjeblieft, kom je terug?'
Langzaam haalde ik mijn schouders op. 'Ik kan het je niet met zekerheid zeggen,' gaf ik toe. 'Dat weet je. Maar,' Ik kantelde mijn hoofd een beetje. 'Ik ga wel mijn best doen, oké?'
      Een niet al te subtiel kuchje kwam van de deur, meteen schoten alle blikken richting de vredebewaker die daar stond, hij had zijn onaangetaste, witte helm onder zijn arm geklemd. Hij gebaarde naar de uitgang, ze moesten gaan. Kai en Ashley moesten weg, nu al. Snel gaf ik beiden nog een snelle knuffel en toen verdwenen ze naar de gang, de poort naar vrijheid. De poort naar vrijheid voor iedereen, behalve voor mij. Bij die gedachte sloot ik mijn ogen zo gauw ik het slot dicht hoorde vallen, maar opende ze meteen weer toen ik voetstappen hoorde naderen. Mijn blik gleed over de ruimte, en een vreemd, onbekend gevoel verspreidde zich in mijn borstkas. Rowan.
      In plaats van dit te bekennen, met een vriendelijke "Hallo," of een ietwat verlegen "Dankje voor het komen", legde ik een diepe frons in mijn wenkbrauwen, mijn ogen ontmoetten de zijne, die op een vreemde manier leken te lachen en huilen op hetzelfde moment. 'Ik denk dat ik achteraf liever had gezien dat je gewoon werd weggesleurd,' gaf hij toe en ging op de bankleuning zitten, alsof hij bang was dat hij anders niet meer op me kon neerkijken. Ik kantelde mijn hoofd een beetje, de frons verdween weer langzaam.
      'Zeg je nu dat je liever had dat ik thuis was gebleven?' vroeg ik, toch wel verrast. Rowan zei -hoe subtiel het ook was- dat hij op de één of andere manier om me gaf? Hoe dan? En waarom?
      In plaats van een antwoord, grijnsde Rowan een beetje, één wenkbrauw schoot een eindje omhoog. 'Zeg, luister,' begon hij. 'Zorg dat je een zwaard te pakken krijgt. Of een stok, als je er maar mee kunt slaan, en doe alsof ik het ben, begrepen? Dan win je wel.'
      Doe alsof ik het ben. Hoe een typisch voorbeeld van Rowans vreemde optimisme weer, ervanuit gaan dat ik hem dood wilde, en tegelijkertijd zo egoïstisch, alsof hij belangrijk genoeg was dat mensen daar de moeite voor zouden doen. Bovendien was dat mijn probleem niet eens, het was niet het vechten, het was het feit dat ik tegen mensen vocht, en niet tegen wolven, of mensen die mijn familie of vrienden probeerden aan te vallen. Ik zou alleen door die Spelen heen komen, als dat doden was om iemand te redden, iemand anders dan ikzelf. En die zou er niet zijn.
      'Rowan, vechten op het schoolplein met bamboestokken is toch echt wat anders dan iemand neersteken met een zwaard,' merkte ik scherp op.
      'Ik zeg ook niet dat dat zo is,' Rowan gleed van de bankleuning op de bank zelf en legde zijn hand op mijn bovenarm, als ik niet beter wist, zou het bijna liefkozend overkomen. Het vreemde gevoel dat ik altijd kreeg bij Rowan in de buurt ging als een razende door mijn borstkas, bijna net zo sterk als de angst die zich ondertussen als een brok in mijn keel had vermomd. 'Wat ik zeg, is dat je een kans hebt. En met wie moet ik anders ruzie maken?'
      Ik trok mijn wenkbrauwen op, was dat nu weer een compliment, zelfs al was het weer in zo'n narcistische verpakking? 'Zeg, meneer Davis, ik dacht dat de tribuut in de kamer hiernaast jouw beste vriend was?' merkte ik op. 'Zou je hem niet moeten aanmoedigen?'
Ik wist eigenlijk niet waarom ik weer zo bot moest reageren, waarom ik zijn hulp weg wuifde, terwijl ik die best wel hard nodig had. Misschien was het omdat het raar voelde zijn hulp aan te nemen, alsof ik al verloren had voordat de Spelen zelfs maar begonnen waren.
      Rowan bewoog zich nog een beetje dichter naar me toe en veegde één van de zwarte lokken weer achter mijn oor, gezien het weer als een gordijn voor mijn ogen dreigde te vallen. Heel even dacht ik dat hij me ging zoenen, maar hij trok zijn hoofd weer terug, alsof hij alleen iets dacht te hebben gezien, maar het er toch niet bleek te zijn. 'Hij redt zich wel,' was zijn slappe antwoord. Ik vroeg me af of hij niet allang bij Gido was geweest, maar dat negeerde ik maar even.
      'En ik niet dan?' Het was al over mijn lippen gerold voordat ik mijn mond er toestemming voor had gegeven, ik vroeg me af of het brok in mijn keel misschien erger was geworden door het gevoel dat hij misschien toch niet zoveel vertrouwen in me had als eerst had geleken. Tegelijkertijd vervloekte ik mezelf ervoor dat het nooit eens goed genoeg leek te zijn, hoelang ging het duren tot mijn emoties het eens met mijn gedachten zouden worden? Een paar honderd jaar, zouden ze het nog steeds niet eens zijn als ik dood was?
      Een normale jongen zou zijn blik snel hebben afgewend, een beetje rood zijn geworden en meteen proberen het goed te maken. Maar Rowan was niet zo'n normale jongen, en eigenlijk was ik daar wel blij mee, hij kon tenminste wat hebben - zelfs al maakte dat hem een narcist. 'Nee, want jij straalt uit dat je een gevaar bent. Dan gaan ze achter je aan.' verklaarde hij. Zo, dus een klein, Aziatisch meisje dat haar hart aanzag als haar verstand was een groter gevaar dan een zeventienjarige met spieren van iemand die al heel zijn leven trainde? Dat geloofde ik niet. Ik zou immers niet tegen alleen dieren, met slechts pure intuïtie vechten, maar tegen mensen met verstand en er zou in elk geval wel één beroeps zijn die beter kon inschatten dan Rowan. En zelfs als dat niet het geval was, kon ik ook een giftige plant eten door de honger, of sowieso al verhongeren, of uitdrogen. De kans om te overleven was zo klein.
      'Ik geloof je niet.' zei ik daarom luchtig. Rowan haalde zijn schouders op, als een "We zullen zien", stond op en liep naar de deuropening. Ik stond op en pakte mijn hand, voordat hij kon gaan. Zonder hier enige rede voor te hebben, sloeg ik mijn armen om hem heen en begroef mijn gezicht in zijn T-shirt. 'Maar wel bedankt,' murmelde ik toen ik iets nats over mijn wang voelde glijden. De tranen, ze waren er, eindelijk.
      Eventjes bleven we zo staan, Rowan knuffelde niet terug, en ik durfde niet omhoog te kijken om te zien wat zijn reactie precies was, ik wilde niet weten of hij het raar vond, dus ook toen ik me weer losmaakte, ontweek ik zijn blik en duwde hem snel de gang op. Ik zag alleen zijn schaduw nog, die steeds verder wegtrok bij zijn weglopen. Zodra ik er zeker van was dat hij de hoek omwas, liet ik mijn blik weer langzaam omhoog glijden, om twee droevige, paarsblauwe ogen te ontmoeten en blonde krullen. 'Eva,' zei ik zacht, veegde mijn wangen niet droog, maar liet haar naar binnen lopen.
      'Wat deed je nou?' barstte ze los. 'Dit is zelfmoord!'
      In plaats van mijn blik op de grond te richten, bleef ik haar strak aankijken, ik was niet bang voor haar woede. 'Had jij hier liever gezeten dan?' vroeg ik scherp, liep langzaam weer naar de bank en ging zitten. 'Natuurlijk... Jij lust wel gevulde koeken, en weet vast welke stoffen dit zijn, maar zeg eens eerlijk, zou jij willen beseffen dat je alles kwijt kan raken? En dat je leven daar nog wel het minste van is? Want ik heb het nu, en dat gun ik je niet, dat wens ik mijn ergste vijand nog niet toe,' Als ik die vijand zou hebben, dan.
      'N-Natuurlijk niet!' stamelde Eva, pakte mijn bovenarmen vast en boorde haar normaal zo vriendelijke ogen in de mijne vast. Het was alsof ze recht door mijn ziel heen keek, dwars door alle muren die ik had gebouwd om dat te beschermen. Men zei wel eens dat liefste het sterkste wapen was wat er was, maar voor mij was het een zwakte, en niet alleen omdat ik iedereen waarvan ik hield in de arena zou moeten doden. Mijn wapen, sarcasme, werkte namelijk niet tegen Eva. Gewoon, omdat ik haar geen pijn wilde doen. 'Ik zou alleen willen dat... Het mijn leven was geweest waar om gewed werd,'
      'Je kan nog zoveel willen, meer dan de helft komt toch nooit uit,' zei ik zacht, niet hard, of sarcastisch deze keer. Het was iets milder deze keer, bijna droevig, gewoon omdat ik haar niet wilde kwetsen. 'Luister Eva, ik kom hier dan misschien niet zeker weten uit, jij kan dat wel. Ren door de weides, en lach met je andere vrienden, maak plezier, ik zal hoe dan ook mijn manier vinden ook dat plezier te hebben,'
      Met een zwakke glimlach om Eva's lippen veegde ze met de muis van haar hand mijn wangen droog. 'Blijf gewoon jezelf,' fluisterde ze zacht. 'Dat is het belangrijkste,'

Reacties (2)

  • Samanthablaze

    Nawh.... Meisje toch...

    2 jaar geleden
  • Renate1983

    Zo mooi beschreven met de emoties.
    Ben nu benieuwd hoe het gaat met de treinreis. ;p

    Love it

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen