Foto bij 051 - Unprotected

Sorry voor het lang niet activeren!!!

Yarea
We hadden het kamp verlaten. Ik voelde me onbeschermd en onveilig. De muren en de verborgenheid van het kamp hadden me een beschermend en veilig gevoel gegeven. Niemand kon ons daar ontdekken, we waren verstopt voor de buitenwereld. Maar nu... nu liepen we vrij rond. Met zijn drieën, onbeschermd en met de neef van de koning die erg opviel vanwege zijn witte haar. Iedereen zou hem herkennen, iedereen, waar dan ook. We zouden dus in strikt geheim moeten reizen. Als er ook maar een iemand was die ons zag, dan konden we het hele leger van de lichte kant achter ons aan krijgen.
Ons vooruitzicht was niet erg makkelijk. Amras en ik hadden beide geen enkel idee van hoe we dat licht konden stelen. Het licht was zeer waarschijnlijk zwaar bewaakt en was bovendien in de hoofdstad. Hoe zouden we in hemelsnaam onopgemerkt de hoofdstad binnen kunnen komen? Ik besloot dat het vanavond tijd werd om met Nafal te gaan praten, tijd voor wat informatie. Ik hoopte vurig dat Nafal wél echt te vertrouwen was en ons niet verraadde zoals Eric deed. Mijn handen begonnen te jeuken als ik aan hem dacht. Ik schudde de gedachtes van me af en concentreerde me weer op het landschap. We reden door een bos, bedekt met een dun laagje sneeuw. Ik merkte dat het de laatste dagen iets minder koud geworden, was de lente dan eindelijk in aantocht?

Het was avond geworden, de zon was ondergegaan en we besloten om te rustten voor de nacht. We hadden ons kampje opgeslagen in de luwte van een paar grote, bemoste stenen. Het sneeuwde niet meer maar overal lag nog wel een witte laag sneeuw. De ergste kilte leek verdwenen te zijn in de afgelopen paar dagen, het zou niet lang meer duren of de sneeuw zou gaan smelten. Ik keek daar naar uit, zomer was mee mijn seizoen.
We stookte geen vuur, te riskant. Ook al snakte ik naar de warmte van een knapperend kampvuurtje, het was echt te riskant. Verder was het de komende dagen nog niet nodig want eten hadden we voor de komende vijf dagen mee, maar dat was dan wel het maximale wat we konden dragen. Na een aantal dagen zouden we ook voedsel moeten gaan zoeken en wellicht een dier op het vuur braden. Onze maaltijd bestond uit brood en een klein stukje gedroogd vlees. Terwijl we op ons brood en vlees kauwden vertelde Nafal een aantal dingen over de lichte kant.
"Het licht is niet moeilijk te vinden," begon hij met volle mond. Hij slikte zijn hap door. "Het staat in een hoge toren en schijnt fel over de hoofdstad heen. Je kunt het van veraf zien, zelf een paar mijl van de stad vandaan nog."
Ik knikte. "Dat moet te zien zijn ja....maar hoe zit het met de bewaking?"
"Ja, de bewaking. Ik ben er zelf nooit geweest dus dat weet ik niet precies. Wel heb ik er verhalen over gehoord, maar of die waar zijn?"
"Wat vertellen die verhalen?" vroeg Amras nieuwsgierig.
"Dat het licht onbewaakt zou zijn. Die koning is dom, of zou ik het arrogant noemen, genoeg om te denken dat er geen gevaar is in de Lichte kant. Hij denkt dat er niemand is die het licht wilt stelen of vernietigen", zei Nafal. "Maar het zijn maar roddels. Gok er niet op dat ze waar zijn,"
Amras knikte nadenkend. "Het is zeker niet makkelijk om de stad in te komen als vreemdeling?"
"Dat valt wel mee hoor. Overdag staan de poorten gewoon open, er staan wel wachters bij maar iedereen kan gewoon naar binnen lopen. Zolang ze niks verdachts zien, zien ze iets verdachts dan komen ze er natuurlijk wel op af."
Ik werkte mijn laatste hap brood weg en zei: "Voor Amras is het dus niet makkelijk, hij wordt door iedereen herkent."
Nafal knikte. Ik keek naar hem. Ik voelde minder wantrouwen. Hij sprak open, leek niet te liegen en het was duidelijk dat hij ons echt wou helpen. Ik hoopte maar dat mijn gevoel gelijk had. Anders zaten we echt diep in de problemen.
"Er zijn andere manieren om de stad in te komen, sowieso is het slim om niet de hoofdingang te nemen maar een van de kleinere, onbekendere poorten die naar de minder bevolkte wijken leiden." vertelde Nafal.
"En wat zijn die manieren dan?" vroeg Amras. Hij keek omhoog. Ik volgde zijn blik maar kon niks interressants ontdekken.
Nafal grinnikte. "Je kunt je in een hooiwagen verstoppen."
"Je weet geen andere manieren, hé?" zei Amras bloedserieus.
Een zucht verliet Nafals mond. "Nee, eerlijk gezegd niet. Maar er moet een goede, geheime manier zijn om de stad in te komen."
"En hoe gaan we die stad eigenlijk benaderen? Ik bedoel, hebben we een soort plek in het bos waar we ons kunnen verschuilen tot we toeslaan? En de wolven achterlaten, die vallen pas écht op." vroeg ik.
"Ja, ik heb een huis. Op een kleine afstand van de stad, verborgen in het bos. Het is een plek waar niemand komt." zei Nafal.
Dat was een enorme opluchting. Een huis waar we ons konden verschuilen gaf mee een veilig gevoel.
"Als we eenmaal in de stad zijn, dan kunnen we het beste door de armere wijken lopen. Daar zijn veel verlaten stegen en leegstaande huizen, dat biedt bescherming. Vanaf daar kunnen we het best een onopvallende route naar de toren uitstippelen. Ook kunnen we het beste 's nachts gaan, dan is het donkerder en is de stad minder actief."
Ik knikte. Het was een hoop informatie, een hoop om over na te denken dus. Mijn blik gleed van Nafal naar Amras. Hij keek nadenkend voor zich uit. Ik stelde voor om nu maar gewoon naar het huis van Nafal te reizen, wat volgens Nafal een dag of negen zou duren, en daar gaan zitten. Daar waren we wat veiliger en hadden we zicht op de stad. Hopelijk hadden, of konden we tegen die tijd een goed plan bedenken. Amras en Nafal stemde in en daarna gingen we allemaal slapen.
Ik krulde me op tegen een steen aan om het droogste plekje te vinden. Wat erg lastig was aangezien alles onder de sneeuw lag. Een tijdje lang bleef ik wakker, nadenken over een plan en alle doem scenario's afgaan. Uiteindelijk dommelde ik langzaam in.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen