Ik herinner me nog goed hoe ik op de tafel zat te kijken naar mijn vader. Mijn benen kwamen nog niet bij de grond, dus ze bungelde heen en weer. Ik speelde met een van mijn vlechten. De zachte haartjes liet ik door mijn vingers glijden, telkens opnieuw.
Mijn vader was een wetenschapper. De beste van ons land. Hij had een heel team van wetenschappers om zich heen en samen werkten ze aan een nieuw project. Het creëren van robotlichaamsdelen. Niet zomaar lichaamsdelen, maar lichaamsdelen die bijna niet te vervangen waren, zoals een hart of longen.
Mijn vader was een sociaal mens. Hij kon het goed met zijn team vinden, maar af en toe had hij er genoeg van. Dan wilde hij even alleen zijn. Even alleen werken aan zijn project. Op zulke momenten stuurde hij zijn team weg en nam hij mij mee naar het lab. Ik hield van die momenten. Dit was zo'n moment.
Mijn vader stond bij de tafel aan de andere kant van de kamer. De blauwkleurige lampen schenen op het project waar hij nu mee bezig was. 'Ik heb het bijna!' riep hij steeds opnieuw.
Waar hij precies mee bezig was of wat hij bijna had, weet ik niet. Ik was te jong om me daar druk over te maken, maar ik voelde zijn enthousiasme en was daardoor ook enthousiast. Wat mijn vader ook zou maken, ik zou het geweldig vinden.
'Ja!' riep mijn vader, 'hij doet het.'
Het bolletje op de tafel ging zachtjes op en neer. Ik liet me van de tafel afglijden en wilde er naar toe lopen. Wat er daarna gebeurde weet ik niet precies. Het laatste wat ik zag was mijn vader's angstige gezicht gehuld in een blauwkleurige gloed. Zo blauw als de lucht. Daarna knapte de lampen en werd ik omringd door een zwarte duisternis.

Nu, 10 jaar later, weet ik wat er is gebeurd. Het project van mijn vader crashte en explodeerde. Dat ik het overleefd heb, is een wonder. Mijn vader daarin tegen heb ik de rest van mijn jeugd moeten missen. Dag in dag uit leef ik zonder hem. Ik leef in een wereld waarin alles me aan hem herinnerd, want zonder hem was deze wereld er niet. Na mijn vaders dood ging zijn team verder. Doordat ze nu mijn vaders logboek in mochten zien, wisten ze hoe ze de laatste hand moesten leggen aan de levensreddende robots. Ze boekten resultaten en nu zijn die robots een deel geworden van de mens.
Ik kijk naar mijn eigen arm. Ik heb de klap overleefd, maar niet zonder schade. Mijn arm ben ik kwijt geraakt. Ik draag nu een robotarm die ontwikkeld is door mijn vader. Ik trek mijn robotvingers even samen. Het zware verlies drukt nog steeds op mijn borst.
Ik besluit even te gaan wandelen en verlaat mijn huisje en ruil hem in voor het park aan de overkant van de straat. Ik wandel rustig over het pad. De januariwind strijkt langs mijn wangen. Om mij heen klinkt het geroezemoes van stemmen. Op het grasveld rechts van me gooien een paar kinderen sneeuwballen naar elkaar. Ik bestudeer de verschillende mensen en zie dat bijna iedereen wel een robotlichaamsdeel heeft.
Tegenwoordig is het een trend om zoiets te hebben. Een robot-arm, -been, -oog, -oor. Noem maar op. Tattoos zijn allang niet meer de mode.
Ik buk en raap een handje vol sneeuw op. Ik kneed de sneeuw tot een balletje. Ik voel de kou doordringen in mijn echte hand, maar gevoel in mijn robothand heb ik niet. Ik laat het balletje vallen en loop door. Het nadeel aan een robotlichaamsdeel is dat je er nooit iets mee kunt voelen, maar misschien is dat ook wel een voordeel. Wat zou het heerlijk zijn als ik het verdriet niet meer zou voelen. Dat ik zonder pijn de straat op kon en gewoon kon genieten van de ontdekkingen van mijn vader. Maar dat kan ik niet. Alles doet me aan hem denken.
Mijn blik glijd omhoog. De lucht is blauw en ik knijp even mijn ogen dicht. Ik mag dan veel pijn ervaren bij het zien van robotlichaamsdelen, maar de meeste moeite heb ik als ik de kleur blauw zie. Die kleur brengt me terug naar die dag. Naar het moment dat ik op de tafel zat en mijn vader bezig was met zijn project.
Ik voel nu weer hoe mijn ademhaling versnelt en mijn keel wordt dichtgeknepen. Ik zak op een bankje langs de weg en haal diep adem. Als ik één ding mocht veranderen. Eén ding om normaal verder te kunnen leven. Eén ding om de pijn een beetje te verlichten. Als ik één ding mocht veranderen dan zou het de kleur van de lucht zijn, want het moment dat mijn vader mij aan keek, een gezicht vol angst in een blauwkleurige gloed, zal ik nooit meer vergeten.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here