Foto bij Hoofdstuk 71; Jessica.

Vermoeid duwde Jessica zichzelf overeind. Ze kon letterlijk voelen hoe het bloed uit haar hoofd weg trok. Haar zicht werd zwart.
‘Jesarae.’ Ze werd met lichte dwang terug in een liggende houding gedwongen.

Het duurde even voor ze weer zicht had. Ze lag op haar rug, in een tent.
Voorzichtig draaide ze haar hoofd bij, waar ze Altair bij een tafel zag staan.
Toen hij door had dat ze keek, glimlachte hij voorzichtig. ‘Welkom terug,’ zei hij.
‘Terug?’ Haar stem was schor. Ze had het niet als haar eigen herkend als ze niet had geweten dat ze zojuist had gesproken.
‘Ja, je was weg gevallen.’ Hij kwam naar haar toe met een eenvoudige kom. ‘Hier,’ zei hij kalm, ‘drink dit.’ Hij legde zijn arm voorzichtig onder haar nek en hielp haar om in een goede houding te komen.
Het voelde ongemakkelijk, maar ook prettig om ondersteund te worden.
Hij plaatste de rand aan haar lippen en schonk het voorzichtig in haar mond, terwijl ze kleine slokjes nam. Direct voelde ze zich beter.
‘Hoe voelt dat?’ vroeg hij.
‘Aangenaam,’ fluisterde ze.
Hij glimlachte breed. Hij had kuiltjes in zijn wangen als hij dat deed. Dat was haar nog nooit opgevallen. Hij legde haar voorzichtig weer goed neer.
‘Ik heb je eerder ambrozijn gegeven, echter wist ik niet hoeveel je daarvan nodig had om te herstellen.’ Hij liep weg en zette de kom terug op de tafel. ‘Het is gemakkelijker wanneer je wakker bent, om te vertellen hoe je je voelt.’
Jessica knikte zwak.
‘Wat heeft er plaatsgevonden?’ vroeg ze. Ze deed haar best om zo goed mogelijk te na te denken over haar woordkeuzen.
Altair keek haar kort, zwijgend aan. ‘Ik vrees dat enkel Alathea je daar antwoord op kan geven.’
Jessica duwde zichzelf voorzichtig weer overeind. ‘Prima,’ zei ze, ‘dan zal ik met haar spreken.’
Altair haastte zich naar haar toe. ‘Je moet rusten.’
‘Het gaat prima,’ weigerde Jessica.
‘Jesarae,’ zei hij.
‘Werkelijk, Altair,’ zei ze. Ze keek hem recht in zijn ogen aan. ‘Ik voel me goed gemachtigd om naar haar toe te gaan.’
Altair viel opnieuw stil.
‘Ze zou het niet willen,’ zei hij. ‘Ik moet je verzorgen. Sta mij toe haar hier heen te brengen.’
Ze zag de haast wanhopige blik in zijn ogen en zuchtte. ‘Als dat is wat je wenst te doen.’
‘Graag.’ Hij knikte en vertrok direct.

Jessica keek rustig de tent door. Het was duidelijk een tent om gewonden te verzorgen, toch was zij de enige die er was. Er waren geen andere plekken om te rusten en de tent leek ook niet groot genoeg voor meer dan drie personen te zijn.
Het duurde niet lang voor Altair de ruimte opnieuw in kwam.
‘Altair,’ zei Jessica, met een frons. ‘Je bent de zoon van Ares, waarom ben jij gekozen om voor mij te zorgen en niet een nageslacht van Apollo?’
Altair werd rood. ‘Alathea wilde dat u zo goed mogelijk beschermd zou zijn.’
‘Beschermd waartegen?’
‘Bloedhonden, Jesarae,’ zei Alathea, die nu ook binnen kwam. ‘Ik vrees dat u tijdens uw gijzeling slachtoffer bent geworden van een oude vijand die bloedhonden gebruikt. Bent u bekend met deze wezens?’
Jessica wilde nee zeggen, maar ze wilde ook niet dom overkomen.
‘Bloedhonden zijn een type wolf. Gevaarlijk, bloedlustig en ze reizen altijd met een meester. In dit geval een volgeling van Lycaon,’ begon Alathea simpelweg uit te leggen.
‘Lycaon?’ zei Jessica, ‘de eerste weerwolf?’
‘Exact,’ zei Alathea.
Jessica voelde zich plots misselijk worden.
‘Maak je geen zorgen,’ zei Alathea, ‘ik heb u gecontroleerd op beetwonden. Je bent schoon.’ Ze moest hebben gezien hoe zeer Jessica ervan was geschrokken.
‘Dat is uitmuntend nieuws,’ zei Jessica.
Alathea’s mondhoek schoot vluchtig omhoog.
‘Welnu, als je mij zou kunnen volgen. Er zijn enkele dingen die we moeten doen voor vertrek.’
Altair was de tent alweer uit gestapt. Alathea stond duidelijk op het punt hem te volgen. ‘Alathea,’ zei Jessica. Ze hield meteen halt en draaide zich bij. ‘Waarom Altair als mijn verzorger?’
Alathea glimlachte. ‘Ik vrees dat ik die vraag niet kan beantwoorden.’ Daarna opende ze de flap van de tent met haar hand en stapte naar buiten.

Nadat Jessica haar tijd had genomen om overeind te komen, zich in haar eigen kleren te kleden en haar rugzak –die iemand onder haar bed had geplaatst- had teruggevonden, ging ze naar buiten.
Alathea en Altair stonden daar op haar te wachten. Ze fluisterde met elkaar en stopte direct toen ze Jessica zagen. Jessica zag nog niet veel. Het felle ochtend licht was zo oogverblindend dat ze haar hand op moest houden om Alathea en Altair al te kunnen zien.
‘Jesarae,’ zei Alathea. Ze glimlachte warm. ‘Welkom in Panadisum.’
‘Panadisum?’ herhaalde ze.
‘Pans veilige plek voor ons,’ legde Altair rustig uit.
‘Het is een vervoeging van haar naam en paradisum,’ zei Alathea.
‘Alathea is zeer…’ Altair pauzeerde even, voor hij verder ging. ‘…gevat, in haar woordgrappen.’
Alathea haalde haar schouders op.
Daarna lette Jessica niet meer op hen. Haar ogen waren eindelijk gewend aan het buitenlicht, dat toch aanzienlijk gedimd was geweest door het tentdoek.
Overal stonden huizen. Echte huizen, haast zoals ze in haar tijd ook hadden. Tientallen ervan. Er waren straten, werkelijk goede wegen en ze stonden nu in een park, waar bloemen en bomen waren, zelfs een klein meertje. Er liepen mensen in kleding die Jessica enkel in haar geschiedenisboek had gezien. Ze keken nieuwsgierig haar kant uit en fluisterde elkaar vervolgens dingen toe.
‘De tent was een improvisatie,’ zei Altair.
‘Ik vrees dat we momenteel geen huisvesting voor je hadden,’ zei Alathea.
‘Met de nieuwe groep die leden rekruteert gaat het snel,’ stemde Altair in.
Alathea zuchtte en wreef toen over haar voorhoofd. ‘Ondanks dat ik ze verboden heb om het terrein te verlaten.’
‘Ik geloof niet dat je hen iets kunt verbieden. Ze zijn koppig.’ Altair keek Alathea aan, alsof hij wilde zeggen: “Net als een andere dame die we kennen.”
Alathea glimlachte lichtjes.
‘Laten we niet langer wachten,’ zei Alathea toen, tegen Jessica. ‘Volg mij, dan stellen we de details op orde, voor we vertrekken.’ Ze wuifde met haar hand, om Jessica mee te krijgen. ‘O Altair. Zorg dat ik Raisa spreek voor we vertrekken.’
Altair knikte, wierp een blik op Jessica en beende toen weg.
Alathea begon vervolgens op een vlugger tempo te lopen, waardoor Jessica moeite had om haar bij te benen.
‘Mijn verontschuldigingen voor het feit dat ik de groep onruststokers moet aanspreken voor ons vertrek,’ zei Alathea. ‘Ze zijn hier nu enkele weken en het lijkt erger te worden.’
‘Geen probleem,’ zei Jessica. Blijkbaar hoorde Alathea aan haar stem dat ze moeite had om nu al op dit tempo te lopen, want ze minderde vaart. ‘Als ik vragen mag, wat heeft deze groep gedaan? Het klonk alsof ze goed werk verrichtte.’
Alathea snoof. ‘Ze halen nieuwe rekruten binnen, dat is waar. Echter weigeren ze te luisteren naar mijn bevelen. Het is een groep van vier. Doen wat zij willen, zonder respect voor mijn bevelen.’
‘O,’ zei Jessica enkel. Wat moest ze daar op zeggen.
‘Sinds Kayto hen mee heeft genomen, woedt er onrust in het kamp. Ze zijn zeer vriendelijk, zeer dapper, slim en vaardig.’ Alathea zuchtte. ‘Wellicht is dat deel van het probleem. Deze vier zijn al zo lang bij elkaar. Verwanten van elkaar, zie je.’
Jessica knikte. Ze dacht aan de drieling. ‘Dan is het moeilijk zo’n patroon te doorbreken. Ik ken drie mensen die van geboorte af aan enkel elkaar leken te hebben. Het is moeilijk om tot hen door te dringen, hen te begrijpen. Daarnaast lijken ze hun eigen taal te spreken.’
Alathea glimlachte. ‘Dat klinkt me bekend in de oren. Deze groep moet het zwaar hebben gehad. Ze laten niemand binnen, emotioneel betreft. Dit kan uiteraard ook voordelen hebben. Ze zijn uitstekend in advies geven, de situatie objectief bekijken. Ik kan ze echter moeilijk pijlen.’
Ze liepen een eenvoudig plein over.
‘Het probleem met hen is dat ze mijn bevelen niet opvolgen. Niemand mag zomaar panadisum verlaten, tenzij ik hen het bevel geef of het een noodgeval is. Deze groep weigert dit bevel op te volgen.’
Jessica fronste. ‘Is dat het enige bevel dat zij weigeren op te volgen?’
Alathea knikte.
‘Wellicht is het dan niet dat zij uw bevelen niet respecteren, maar is het dat zij zo lang alleen zijn geweest, dat ze anderen bijeen willen krijgen, om te voorkomen dat zij alleen sterven.’
Alathea opende een deur en hield ging een gebouw in. Ze gaf geen antwoord op wat Jessica had gezegd. Jessica was er zeker van dat Alathea het niet met haar eens was.
Het pand, waar ze in gingen, was groot. Er stonden beelden, overduidelijk van helden. Het was stijlvol en eenvoudig. Verassend genoeg deed het Jessica denken aan de meer Romeinse stijl die ze had gezien in musea.
‘Ik wil deze vier oproerstokers meevragen op onze zoektocht.’
Jessica keek Alathea verbaasd aan.
‘Ik denk dat ze een aanwinst kunnen zijn. Ze zijn slim, kunnen mensen goed vinden, zijn snel en kunnen goed vechten. Daarbij is het op deze manier makkelijker om een oogje op hen te houden.’ Alathea liep om een tafel heen, die dienst deed als bureau.
‘Neem plaats,’ zei Alathea. Ze stak haar hand uit naar een stoel die er verrassend comfortabel uit zag.
‘Welnu, zoals ik zei, hebben we een hoop te bespreken voor ons vertrek,’ begon Alathea.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here