Foto bij Hoofdstuk 2

De kamer was helemaal niet wat ik verwacht had of waar ik van droomde. Tijdens mijn werkuren had deze kamer de vorm gekregen van een binnen-tuin, een gigantische slaapkamer waarvan de grond volledig gemaakt was van zachte kussens of een ruimte met een gigantische schommel. De realiteit was echter veel minder betoverend. De lusters aan het plafond verspreidden een warm licht, dat een goed zicht gaf op wat de kamer te bieden had: muren vol met boeken. De hele kamer was één boekenkast, van de houten vloeren tot het plafond, dat zich hoog boven me uitstrekte. Er waren verschillende ladders op de kasten gevestigd, zodat je makkelijk aan elk boek kon komen.
In het midden van de kamer stond een mooi, oud bureau. Daar zag ik de ravage die het gevolg was van de geluiden die ik had gehoord; er lag een gebroken lamp en papieren verspreid over de vloer en een aantal boeken lagen op de grond.
Ik weet niet of het een instinct was dat ik over de jaren heen als dienstmeid ontwikkeld had, maar ik werd direct naar het rommelige hoopje boeken getrokken. Ik streelde ze zacht voor ik ze terug op de plank legde. Ze pasten perfect naast elkaar in het rijtje. Het laatste boek had een donkerrode kaft die erg zacht aanvoelde, dus ik haalde hem er even terug uit. Wat zou er in deze mystieke boeken staan? Romannetjes, die meneer één voor één versleet? Of encyclopedieën, vol nieuwe dingen waar ik nog nooit van gehoord had?
'Eventjes kijken kan toch geen kwaad,' probeerde ik mezelf te overtuigen. 'Daarna zet je hem gewoon weer terug.' Toch deed ik mijn ogen bijna helemaal toe en keek door de spleetjes hoe ik het boek opensloeg.
Daar stond... helemaal niets. Het boek was volledig leeg. Grote, witte bladzijden leken me wel spottend aan te kijken toen ik driftig door het boek heen bladerde. Er stond helemaal niets in. Ik greep een tweede boek vast - dik, met een groene kaft - maar ook daar vond ik dezelfde, lege pagina's.
De teleurstelling overspoelde me zonder waarschuwing. Ik had maanden, jarenlang gedroomd over deze kamer en het enige wat hij te bieden had waren miljoenen boeken zonder inhoud. Zonder na te denken liep ik richting het bureau, raapte de omgevallen stoel op en liet me neerploffen. Pas toen begonnen de radartjes weer te draaien.
Als deze kamer echt zo weinig te bieden had, waarom spendeerde meneer dan al zijn tijd hier? Hij had achteraan een manege met paarden, een prachtige tuin om wandelingen in te maken en genoeg vrienden om uitstapjes mee te doen. En toch koos hij ervoor om hier urenlang opgesloten te zitten.
Wat maakte deze kamer zo speciaal? Peinzend sloeg ik het rode boek terug open, dat ik onbewust had meegenomen. Ook mijn tweede inspectie bracht niets nieuws, alleen dezelfde lege bladzijdes. Ik zuchtte diep en liet mijn hoofd op het boek rusten.
'Wat maakt jou zo speciaal?' fluisterde ik er tegen, alsof hij me het antwoord terug zou fluisteren. Op dat moment verschenen er echter zwarte vlekken op het papier. Ik schoot naar achter en keek argwanend naar de vlekken. Zo snel als ze gekomen waren, verdwenen ze weer.
Langzaam liet ik me terug naar voren zakken en bladerde door het boek. De vlekken waren nergens te bekennen. Argwanend bracht ik mijn gezicht terug naar het boek. Ik probeerde mijn gedachten af te zetten en focuste me alleen op de pagina's tegen mijn wangen. Precies zoals de vorige keer verschenen er links en rechts van me zwarte vlekken. Ik hield mijn adem in toen ze de hele bladzijdes vulden. Ineens verscheen er aan de randen van het boek een verblindend licht waardoor ik mijn ogen toe moest knijpen. Een warme gloed gleed over mijn gezicht en gesloten ogen.
Toen ik ze weer open deed, slaakte ik een kreetje. Ik bevond me niet meer in de kamer. Ik zat in een soort cafeetje, vol mensen die ik nog nooit gezien had. Het was niet al te groot en de ruimte gonsde van alle geluiden. Het gerinkel van lepeltjes in porseleinen kopjes, gelach van het groepje heren aan de toog en het knapperend haardvuur rechts van me. Ik merkte op hoe iedereen in reisuniform gekleed was. Onder de meeste tafels stonden koffers en bijna iedereen had een warme mantel aan. Ook onder mijn tafel merkte ik een grote, leren koffer op. Pas toen zag ik dat er op mijn tafeltje ook een kopje koffie stond - iets wat ik nooit lekker had gevonden. Toch leek het van mij te zijn, aangezien ik helemaal alleen aan een tafeltje aan het raam zat.
Ik had tevens ook kleren aan die absoluut niet van mij waren. Ze leken handgemaakt en van een erg dure stof. Kleding die ik pas zou kunnen betalen met meer dan vier maandlonen. Waar was ik in hemelsnaam? Wie was ik? Ik was nog duidelijk mezelf, het gezicht dat zich weerspiegelde in het bewasemde raam was dat mij, maar het dure hoedje dat er zorgvuldig op was gespeld behoorde dan weer zeker niet aan mij toe.
Ik liet mijn ogen nogmaals door de ruimte glijden en ze stopten bij mijn eigen tafeltje. Op de koffie na lag er ook een stuk papier en pen voor me. Het leek erop dat ik - of de persoon die ik geworden was - middenin een brief zat. Het handschrift behoorde weer niet tot mij toe, maar was wel makkelijk te lezen.

Liefste Richard,
Het is ondertussen al lang twaalf uur geweest en jij bent nergens te bekennen. Ik heb alles achter gelaten. Mijn familie zal ondertussen mijn lege slaapkamer zien en weten dat ik ervandoor ben. Ik heb alles achter gelaten voor jou. Hoe kan je me zo in de steek laten? Waren je verhalen over blauwe zeeën en ons huisje aan het strand enkele lege beloftes?
Ik hield van je, meer dan ik ooit van iemand heb gedaan. Maar de eenzame uren in dit stationscafé hebben me laten inzien dat jij nooit hetzelfde voor mij voelde.
Misschien komen we elkaar ooit nog -


Het sierlijke handschrift stopte daar. Terwijl ik de brief las, merkte ik dat mijn lichaam mijn geest overnam. Tranen slopen langzaam over mijn wangen en lieten vlekken achter op de brief voor me. Ik voelde het verdriet dat deze vrouw, dat ik, gevoeld moest hebben bij het verraad van haar grote liefde. Ik vond een witte zakdoek in mijn mouw en depte mijn wangen droog toen er een man in kostuum op me toeliep.
'Mevrouw Carlisle? Uw koets staat klaar.' Ik knikte, want instinctief voelde dit lichaam aan dat ik mevrouw Carlisle was. De man pakte mijn koffer van de grond terwijl ik de brief wegstopte en mijn verrassend warme mantel omsloeg. We liepen het cafeetje uit, zo de drukke straat op. Langs de randen van de weg lagen hopen sneeuw en een kille wind deed me ineen kruipen. Ik schudde mijn hoofd in verwarring. Had ik niet enkele uren geleden de zomer-rozen staan knippen voor het raam, terwijl de stralende zon op me neer scheen?
Dit lichaam hield echter geen rekening met mijn ontsteltenis en vulde mijn hoofd met gedachten en herinneringen aan een donkerharige man. Hij vulde me met zoveel intense gevoelens dat ik zonder twijfel wist dat dit Richard moest zijn. De man die me achtergelaten had. Ik liet mijn ogen zakken en liep met neergeslagen hoofd richting de koets, die voor me open stond.
Net toen ik mijn blinkende laarsje op het opstapje van de koets zette, hoorde ik haar naam - mijn naam. 'Fabiënne! Wacht' Met een ruk draaide ik me om. Daar stond Richard met rode wangen, zijn haar helemaal in de war. Ik kon er niets aan doen; mijn hart begon ongecontroleerd tegen mijn borstkas te razen en mijn adem stokte in mijn keel.
'Richard?' kwam er fluisterend over mijn lippen. Hij steunde op zijn knieën en zijn ademhaling maakte wolkjes in de lucht. 'Ik - ik ben naar hier gelopen. Ik dacht dat ik te laat was.' Als vanzelf liepen mijn benen naar Richard toe, die zijn armen open sperde. Ik werd overweldigd door een intens gevoel van liefde toen ik mijn hoofd in het kuiltje onder zijn kaak legde. Hij hield me stevig vast en zoals altijd voelde ik me thuiskomen.
Zonder me los te laten, vertelde hij: 'Ze wisten van ons plan, Matthew moet ons verraden hebben. Ze deden er alles aan om me te stoppen, maar niets kon me tegenhouden. Wat ben ik blij dat ik je zie!' Mijn ogen vulden zich weer met tranen, deze keer van opluchting. Natuurlijk zou hij me niet achterlaten, hij hield van me! Net zoals ik van hem hield, met heel mijn hart.
Ik greep Richard's hand en nam hem mee naar de koets. 'Als je dit nog steeds wilt, als je óns nog steeds wilt, kom dan met mee.' Er gleed een enorme glimlach over Richard's gezicht. 'Jou volg ik tot het einde van de aarde. Misschien zelfs nog verder dan dat.' Samen gingen we op het bankje in de koest zitten, zonder onze verstrengelde armen los te laten. Teder streelde hij mijn verwarde haren uit mijn gezicht en bracht toen mijn kin naar zijn gezicht.
'Wij met z'n tweetjes, voor eeuwig en altijd.' Ik kon niets anders doen dan knikken, met ogen die boekdelen spraken. Toen zijn lippen de mijne raakten, werd ik overspoeld door geluk.
Ik voelde de warme golven voor ik het oogverblindende licht herkende. Nee, schreeuwde mijn gedachten. Ik wil nog niet weg! Fabiënne leek niets door te hebben toen ik mijn ogen toekneep en voor een tweede keer omringd werd door de warme gloed.
Ik voelde de houten stoel onder me en wist meteen waar ik was. Het weinige licht dat door de gordijnen had geschenen toen ik de kamer voor het eerst betrad, was nu nog minder geworden. Ik keek naar de klok boven de haard en zag dat er meer dan drie uur was verstreken.
Licht verdwaasd liet ik me tegen de leuning zakken. Dit was dus wat meneer hier deed, dag na dag. Dit was wat de lege boeken verborgen hielden: het leven van honderden, duizenden personages.
Zelfs nu het voorbij was, kon ik de gelukzaligheid van Fabiënne door me heen voelen draven. Buiten een kleine kalverliefde had ik nooit geweten hoe het was om verliefd te zijn. Deze allesverterende liefde deed me hunkeren naar meer.
Mijn ogen gleden over het groene boek, dat ik eerder vast had gehad. Wat stond me te wachten in dat boek? Ik streek over de kaft en twijfelde even. Wat zou er nu mis kunnen gaan? Langzaam veranderde de twijfel in vastberadenheid en ik liet me voorover zakken.

Reacties (1)

  • Croweater

    Dat is zo vet. :'D
    Ik wil ook zo'n kamer. :3

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here