Foto bij 006.

@Jemily: een oprechte vraag: is het te begrijpen dat Naomi het voor zich houdt?

Het is voor het eerst dat ik mijn stage bij de logopediste niet leuk vind, terwijl ik gewoonlijk op woensdag- en donderdagochtend vrolijk uit mijn bed spring. De trieste blik van Luke brandt op mijn netvlies en ik vraag me af wat hem dwars zit. Het was meer dan twijfel, het was intens verdriet. Gisteravond analyseerde ik alle bewegingen van hem en filterde ik elke reactie. Ik wilde ontzettend graag weten wat er in zijn hoofd gebeurde. Ik zucht diep. Net alsof een vriendschap op het randje van de afgrond nog niet genoeg was. Ik kijk radeloos de diepte in en vraag me af of er iemand is die me zal vangen als ik val. Ik zou het zelf voor ieder ander doen, maar te vaak blijkt dat behulpzaamheid geen karaktertrek is die aan iedereen wordt uitgedeeld.
‘Gaat het wel met je?’ vraagt mijn stagebegeleidster.
‘Sorry, ik zat te dromen.’ Ik schud mijn hoofd, om mijn ratelende gedachten het zwijgen op te leggen, maar net als anders zorgt het voor geen enkel verschil.
‘Je doet het nog steeds erg goed, maar ik zie dat er iets is wat je bezighoudt. Je hoeft het mij niet te vertellen, maar heb je iemand waarbij je terecht kunt?’
‘Ja hoor, ik heb fantastische vrienden,’ zeg ik met een brede glimlach. Mijn kaken doen pijn van de dwang en ondanks dat ik mijn woorden meen, weet ik dat mijn reactie oneerlijk is. Steeds houd ik mezelf voor dat ik vecht voor mijn vrienden en ook al moet ik daarvoor om de waarheid heen kijken: het doet me minder pijn.
‘Gelukkig maar. Vrienden zijn het belangrijkst in je leven.’
‘Ja?’ reageer ik verbaasd.
‘Mijn kinderen en mijn man zijn het belangrijkst voor me, maar ik wil tot op zekere hoogte vrienden met ze zijn. De ouder-kindrelatie of liefdesrelatie komt daarbij, maar in de basis blijft het pure vriendschap waardoor ik zoveel van ze houd.’ Ze glimlacht warm.
‘Dat is’, ik slik mijn opkomende tranen weg, ‘heel erg mooi.’
‘Ik ben van mening dat het onmogelijk is om liefde zonder vriendschap te hebben. Anders heb je namelijk niets om op te bouwen. Als ik ruzie met mijn man heb, wil ik bij hem mijn hart uitstorten, omdat ik hem het meest vertrouw. Daardoor kunnen we met elkaar blijven praten en komt het weer goed.’
Er wordt op de deur geklopt en een klein jochie met zwart stekeltjeshaar kijkt met grote ogen naar ons. Ik bedenk me hoe bedreigend twee grote mensen voor zo’n klein ventje eruit moeten zien. Hij wordt naar iemand toegestuurd met zo’n moeilijke naam, geen idee wat het inhoudt. Ik loop naar de deur en doe die open. ‘Hé, wat goed dat je er bent. Hoe heet je?’ vraag ik vrolijk. De knop is om, want ik kan weer voor iemand zorgen. Het is alsof ik de knop in de meterkast heb omgezet, zodat er eindelijk licht en warmte brandt in huis.
‘Luuk.’ Hij knippert met zijn grote, donkere ogen. Direct knallen alle stoppen eruit, waardoor ik opnieuw onrust in mijn lichaam ervaar.
‘Hoi Luuk, ik ben Naomi. Weet je waarom je hier nu bent?’ vraag ik.
Hij schudt zijn hoofd en ziet dan de grote, zachte stoel. ‘Mag ik daarin zitten, mevrouw?’ vraagt hij beleefd en ik smelt. Het is zo’n schattig ventje.
‘Ja hoor, klim er maar op. En je mag mij Naomi noemen,’ zeg ik met een grote glimlach.

Als ik terugfiets van stage naar mijn kamer, toets ik het nummer van Luke in. Mijn hartslag is gigantisch hoog en hoe vaak ik ook slik, ik heb geen speeksel meer in mijn mond.
‘Luke hier, ik kan nu niet opnemen. Ik bel je terug. Je hoeft niets in te spreken, want ik luister toch niet naar mijn voicemail,’ klinkt er. Ik verbreek de verbinding en steek mijn mobiel in mijn jaszak. Het liefst zou ik hem willen vertellen dat die kus onze vriendschap niet in de weg hoeft te staan. Helaas weet ik zeker dat ik het niet zou kunnen, omdat ik het simpelweg niet meen. Ik heb mezelf verbaasd door tegen mijn vrienden te liegen en mijn masker te laten verharden, maar ik kan dit niet voor altijd volhouden. Wat de gevolgen zijn van mijn afstandelijkheid weet ik niet en ondanks dat piekeren het enige is wat ik doe, wil ik er niet aan denken. Ik haal mijn mobiel tevoorschijn en stuur Luke een berichtje of het goed is als ik straks bij hem langs kom. Pas enkele minuten voordat ik ga slapen, krijg ik een reactie.
Had je wss al door, maar lukt niet meer. Druk aankomende week. Spreek je snel! X
Het is niets voor Luke om kortaf en gehaast te reageren en dit is overduidelijk beide. Het is ook niets voor hem om zijn bericht af te sluiten met een “x” en ook dat doet hij. Letter voor letter scan ik het berichtje, in de hoop plotseling een verborgen boodschap of een verklaring te vinden, maar zoals ik had kunnen verwachten, lukt me dat beide niet. Ik leg mijn mobiel op mijn nachtkastje en laat mijn hoofd op het kussen vallen. Ik draai me op mijn rug en staar naar het plafond. Het is mijn slechtste slaappositie en mijn beste houding om te piekeren, dus eigenlijk is het mijn eigen schuld dat ik mijn mobiel rond drie uur nog eens zie oplichten. Een kleine vijf uur later word ik wakker en ik sleep mezelf naar de badkamer. Onder de douche kom ik iets tot rust, door de gloeiendhete waterstralen die mijn gespannen spieren laten ontspannen. Snel droog ik mezelf af en ik trek mijn schone ondergoed en niet zo schone, favoriete skinny jeans aan. Moeizaam wurm ik mezelf in een strakke, dunne trui, waardoor ik het zeker koud ga krijgen vandaag. Ik poets mijn tanden en maak mezelf subtiel op. Zonder te eten grijp ik mijn tas en fiets ik naar mijn studiegebouw. Net op tijd val ik de hoorcollegezaal binnen en terwijl ik twee uur lang tekeningetjes in mijn schrift maak, vraag ik me af of ik niet beter die twee uur beter had kunnen besteden door veilig en warm in bed te blijven liggen. Het plezier om dingen te doen, verdwijnt steeds meer, doordat de herinnering aan Lukes ietwat ruwe lippen op de mijne voor een totale blokkade in mijn gevoel zorgt. Het is alsof ik wanhopig probeer al mijn gevoelens binnen te houden, terwijl ik weet dat die er dan binnenkort eens keihard uitklappen, op een moment waarop ik het absoluut niet kan gebruiken. Ik wil vechten voor de vriendschap, terwijl ik het tegenovergestelde doe. Ik ben egoïstisch genoeg om mezelf in veiligheid te brengen door iedereen bij wie het moeilijk kan worden, keihard af te stoten. Het is het wegkruipen wat ik al zo vaak heb gedaan. Het stotterende meisje dat steeds vaker zweeg. Ik glimlach zwak als ik me mijn spreekbeurt herinner zonder een hapering. Hoewel ik praten lastig en eng vond, deed ik het, om mezelf te bewijzen. Ik deed het om de anderen te verbazen, maar niet voor mezelf. De bewondering die ik kreeg, deed me goed, ook al voelde het nep en achterbaks. Het was puur de bevestiging van iets wat ik al wist. Deze keer weet ik het zelf ook niet en ik heb geen idee hoe ik mijn echte ik opnieuw ga leren spreken. Ik duw mezelf naar een plek waar ik helemaal niet wil zijn, maar ik weet zeker dat een sneeuwbal niet te stoppen is, als die eenmaal een duwtje heeft gehad. Sterker nog: de sneeuwbal zal groter en groter worden, totdat het met grof geweld iets raakt en datgene vermorzelt of zelf uiteen spat. Ik weet niet welke optie me meer angst aanjaagt.

‘Sorry dat ik je lastigval, maar heb je tijd?’ Monieks stem klinkt zacht en breekbaar. Ze kijkt me niet aan.
Ik laat mijn weekendtas op de grond vallen en houd de deur voor haar open. ‘Ga zitten. Ik laat even weten dat ik later naar huis ga,’ zeg ik, bewust het woord “ouders” vermijdend en ik voeg de daad bij het woord. ‘Wat is er aan de hand?’ Ik laat me op mijn bureaustoel zakken.
‘Mamma en John gaan volgend weekend een weekend naar Parijs, terwijl ik had gezegd dat ik volgend weekend thuis zou zijn. Ze wist dat ik er zou zijn en weet je wat ze zegt? Fijn toch, als je het hele huis voor je alleen hebt? Ik zit de hele week al alleen! Daarom ga ik toch juist soms terug?’ Moniek heft haar handen. Ondanks dat ik het haar niet gun om boos te zijn, ben ik blij dat ze weer krachtiger is dan een halve minuut geleden. ‘En anders moest ik nu maar thuiskomen, want dan kon ik hem tenminste leren kennen. Ze verwijt me dat ik geen moeite voor hem doe! Die man spoort niet en ze wil het niet horen!’ Ik sta op en geef haar een knuffel, wetende dat ze aan mijn woorden niets zal hebben.
‘Ik zou willen dat ik iets voor je kon veranderen,’ zeg ik eerlijk.
‘Jij wilde naar huis en nu zit je hier naar mijn geklaag te luisteren. Je doet al genoeg voor me.’
‘Pardon mevrouw, dit is géén geklaag,’ zeg ik belerend, mijn vinger streng in de lucht gestoken. Er breekt even een kleine glimlach op Monieks gezicht door en automatisch glimlach ik ook. ‘Ik geloof je hoor, maar waarom is hij niets voor je moeder?’ vraag ik.
‘Hij denkt alleen aan zichzelf. Hij heeft bij mijn moeder iets te halen, dus doet hij overdreven slijmerig en lief tegen haar, terwijl hij mij nauwelijks aankijkt. Hij is eigenlijk altijd bij ons, terwijl hij alleen woont, want zijn kinderen wonen bij hun moeder. Hij praat negatief over zijn ex-vrouw en zeurt over zijn collega’s. Hij klaagt over de baas van de sportschool waar hij sport. Hij kraakt iedereen af, maar hemelt mijn moeder op. Dat vind ik doodeng. Hoe hard zal hij haar laten vallen?’ vraagt ze.
‘Ga straks mee. Dan wil ik hem ook ontmoeten,’ stel ik voor. ‘En dan gaan we morgenavond uit,’ probeer ik haar over te halen, terwijl ik helemaal niet uit wil gaan. Alhoewel, misschien zorgt een nieuwe herinnering aan uitgaan ervoor dat de vorige keer overschaduwd wordt.
‘Als je dan daarna bij mij komt slapen en we zondag mijn moeder en mijn nieuwe, geweldige stiefvader gaan terroriseren.’ Haar ogen twinkelen.
Ik schiet in de lach, waarna ik haar serieus aankijk. ‘Het is niet je stiefvader hè? Hij is slechts een vriend van je moeder. Het zou fijn zijn als jullie goed met elkaar overweg kunnen, maar het is niet noodzakelijk. Hij is in geen enkel opzicht iemand die iets over jou te zeggen heeft,’ zeg ik. ‘Wanneer zie je jouw vader weer?’ vraag ik.
‘Over twee weken ga ik een heel weekend naar hem toe. Gelukkig.’ Ze zucht diep. ‘En klopt. Ik hoef John niet aardig te vinden, alleen weet hij nog niet dat ik zijn oordeel over mij nu met alle liefde ga bewijzen. Ik ben nog lang niet klaar met puberen.’
‘Moon, je bent echt erg,’ zeg ik lachend.
‘Bedankt voor de bevestiging, maar die had ik niet nodig,’ zegt ze arrogant, waarna ze ook in de lach schiet.
Nog geen uur later zitten we in de trein en ik haat het dat dit traject me altijd herinnert aan die ene novemberavond, ook al kom ik bijna nooit via Weesp. Het is zo onwerkelijk dat ik de jongens toen heb ontmoet, want we zaten allebei op een punt waar we eigenlijk niet hoefden te zijn. Toch was ik er iedere keer weer blij mee, tot nu. Had ik ze maar nooit ontmoet, dan was het niet zo afgelopen. Met Moniek heb ik nooit ruzie of problemen gehad en met de jongens is dit nu al de tweede keer. Ik probeer het stemmetje in mijn hoofd te negeren dat me vertelt dat het beide keren mijn schuld was. Ik neem afscheid van Moniek met de belofte de volgende middag bij haar te staan, waar ik me dan ook aan houd. Ik ga via de achterdeur bij hen naar binnen, zoals ik altijd doe. Een lange, brede man met donkerbruin haar scant me van top tot teen. Hij ziet er voor zijn leeftijd nog goed uit en hij heeft dezelfde lichaamsbouw als de vader van Moniek. Zijn oogopslag en gezichtsuitdrukking is echter totaal het tegenovergestelde. Ik vraag me af hoe bevooroordeeld ik ben door Monieks verhalen, want ik krijg direct de kriebels van zijn harde blik. Sinds ik de jongens ken, weet ik dat ik niet op een eerste indruk af mag gaan, hoewel de vorming daarvan onvermijdelijk is.
‘Hallo, ik kom voor Moniek.’ Ik steek mijn hand naar hem uit. ‘Ik ben Naomi.’
Hij pakt mijn hand vast, iets van bovenaf en schudt die stevig, beide een uiting van dominantie. ‘John.’
‘Leuk je te ontmoeten. Is Moniek boven?’ vraag ik.
‘Dat denk ik,’ zegt hij onverschillig. ‘Kom je altijd via de achterdeur?’
‘Ja, al zo’n zesenhalf jaar,’ zeg ik, met een zo breed mogelijke glimlach, terwijl ik het liefst aan hem zou vragen waarom hij zo denigrerend moet doen. ‘Ik ga naar boven.’ Ik stap bij hem langs en open de deur naar de hal, waar ik bijna tegen Moniek aan knal. Ze sprint de trap op, extra stampvoetend en lachend ren ik achter haar aan. We laten ons op haar bed vallen.
‘Naomi, je bent officieel geweldig,’ zegt ze buiten adem. ‘Ik stond achter de deur mee te luisteren, nou, ik hield het bijna niet meer. Al zo’n zesenhalf jaar,’ zegt ze, me nabootsend.
Ik grijns breed. ‘Hij komt enorm dominant over. Alleen hij is ook erg mannelijk en ik snap op zich wel dat je moeder voor hem is gevallen. Als zo iemand jou het gevoel geeft dat jij bijzonder bent, zorgt dat vast voor een gevoel van waardering,’ som ik op.
‘Zo gek is het ook niet, maar ik vind het vervelend dat ik me hier niet meer thuis kan voelen. Het is alsof ik tussen drie werelden insta, die steeds verder uit elkaar drijven. Mijn vader is vaker in het buitenland dan dat hij hier is, mijn moeder bouwt een eigen leven op en dan kom ik met mijn mislukte studentleven,’ zegt Moniek en ze zucht diep.
‘Je vergeet dat jij je eigen leven hartstikke goed aan het opbouwen bent. Je hebt helemaal geen mislukt studentenleven. Je vindt je studie leuk, hebt mij als vriendin…Wat wil je nog meer?’ Ik duw tegen haar schouder, maar het levert geen glimlach op.

Reacties (1)

  • Long

    Ah, damn, soms hoe jij dingen beschrijft... Ja, dat is gewoon geweldig.

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen