Het postkantoor was een klein gebouw, met één man die achter een groot bureau post aan het sorteren was. Het leek veel voor een dorp van een paar gebouwen, maar ik vermoedde dat het ook voor de omliggende gebieden was.

De man keek op toen we binnen kwamen lopen, en zijn gezicht lichtte op.
“Éloïse, wat goed om je te zien! Ik wist niet dat je al terug was van het front?”
Éloïse glimlachte. “Ik ben net een week terug.”

“Ach, meisje, je moet me er alles over vertellen. Is het echt zo erg als ze zeggen?”
Éloïse wist even niet wat ze moest zeggen. “Het is… geen fijne plek. Ik heb gedaan wat ik kon.”
“Ach, God sta je bij. En ik heb het nog helemaal niet gevraagd, maar wie heb je bij je?”
“Dit is Justine,” zei Éloïse. “Ik heb haar leren kennen bij het werk aan het front.”

De man kwam vanachter het bureau weg, om me de hand te drukken.
“Engelen, jullie, allebei. Ja ja, oorlog is niet meer zoals het geweest is. De brieven die ik moet verwerken, je wilt het niet weten. Ik weet het meteen als het zo’n afschuwelijk overlijdensbericht is. Het breekt mijn hart elke keer een beetje.”

Éloïse en ik wisselden een blik uit. Hij praatte wel veel.
“Maar wat komen jullie hier eigenlijk doen?”
Eindelijk.

“Ik wilde weten of er nog post is binnengekomen op ons adres.”
“Ach, ik weet waarom je het vraagt. Ik zal voor je kijken.”
“Nee,” Éloïse schudde haar hoofd. “Het gaat niet om mijn broer, deze keer. Justine hier wil weten of er een brief is binnengekomen voor haar, op ons adres.”
“Oh?” vroeg de man verbaasd. “Ik ben nog niets tegengekomen, maar ik ga voor jullie kijken.”

“Dank u wel,” zei Éloïse met een glimlach. “Wij zullen ondertussen inkopen gaan doen.”

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here