Foto bij 12. Fladderstaartjes

Roos en Albus liepen door de grote, eikenhouten deur naar buiten. Ze hadden net hun eerste les Verweer tegen de Zwarte Kunsten gehad. Het was in één woord een ramp geweest. De docent was een vrouw, professor Ladrith, die er van overtuigd is dat ze helderziend is. Het eerste half uur van de les had ze enkel gepraat over haar 6e zintuig en de visioenen die ze regelmatig had. Albus had het gevoel gehad dat hij bij Waarzeggerij zat in plaats van bij Verweer tegen de Zwarte Kunsten. Het werd helemaal raar toen ze leerlingen begon te vragen wat ze die nacht gedroomd hadden. Bart had gefluisterd “Waarom laten ze dit mens les geven? Ze is gestoord!” Waarop Roos antwoordde dat ze waarschijnlijk de enige kandidaat was voor de baan. Mensen geloofden nog steeds dat er een vloek rustte op de baan van leraar Verweer tegen de Zwarte Kunsten. Albus kon dit bevestigen, hij had verhalen gehoord van zijn vader over zijn professoren voor het vak. Die hadden het ook nooit langer dan één jaar vol gehouden. Soms door een ongeluk, soms omdat ze gewoon niet deugden.

Ze sloegen linksaf, namen een bruggetje over de afgrond, gingen naar binnen, namen het portret wat uitkwam op een binnenplein en liepen over de lange brug, vervolgens langs de steencirkel, de heuvel af richting Hagrids huisje en stopten uiteindelijk bij Hagrid en een aantal meisjes van Huffelpuf aan de rand van het bos. “Ha die Albus! Hallo Roos!” “Hallo Hagrid.” Klonk het in koor. “Ebben hullie een beetje zin in Verzorging van Fabeldieren?” “Ja zeker!” Loog Albus. “Wat gaan we vandaag doen Hagrid?” Vroeg Roos die angstig om zich heen keek. “Das nog’n verassing.” Zei Hagrid. “Ik wacht met’t vertelle tot iedereen dr is.” “Ow, oké. Altijd leuk een verassing!” De meisjes van Huffelpuf keken Roos ongelovig aan en Roos zag eruit alsof ze zelf ook niet geloofde dat Hagrid een leuke verassing in petto had. “En, Albus. Hoestie met je?” “Goed hoor!” Loog Albus weer. “Moi zo! En met jou, Roos? Ook alles kits?” “Ja gaat goed. Met jou Hagrid?” “Ja hor, ik ben met de voorbereidingen vor vandaag wel gebeten maar’t doet niezo’n pijn meer.” Albus en Roos keken naar Hagrid”s reusachtige duim, hij was enorm opgezwollen. Ze keken elkaar aan, als Hagrid er nu al zo aan toe was… Hoe zouden zij er dan wel niet aan toe zijn aan het eind van de les.

“Hej!” Erik kwam aangelopen met een groepje Huffelpuffers. “Hej Erik! Ik hoorde van Madame Plijster dat het weer helemaal goed gekomen was.” “Ja, klopt. Ze dacht dat ik een Braakbabbelaar binnen gekregen had. Als dat zo is moet hij tussen mijn eten hebben gezeten, dan was het waarschijnlijk een flauwe grap van iemand.” “Erik? Kunnen we je misschien even onder vier ogen spreken?” Vroeg Roos. “Ehhh? Ja hoor.” Ze liepen met z’n drieën een stukje van de groep af en gingen op de heuvel in het gras zitten. “Wat is er jongens?” “Die avond dat we een vergadering hadden gepland in De kamer Van Hoge Nood…” “Toen met die Braakbabbelaar?” Onderbrak Erik hem. “Ja, toen lag jij op de Ziekenzaal. Roos, Liza en ik waren de vergadering toen dus zelf begonnen…” “Oké… Wat hebben jullie besproken?” Albus beantwoorde de vraag niet maar ging gewoon verder. “Toen we een tijdje hadden gepraat ging de deur open…” “Oh! Wie kwam er binnen?” Vroeg Erik nieuwsgierig. Albus en Roos keken elkaar even aan, toen wendde Albus zich weer tot Erik en zei “Jij.” Het was even stil. “Ik? Wat ik? Ik vroeg wie er binnen kwam.” Zei Erik verontwaardigd. “We zaten te praten, de deur ging open en toen we ons omdraaiden stond Erik in de kamer.” Zei Roos, ze vervolgde. “De echte Erik was op de Ziekenzaal, dat had Albus gezien op de Sluipwegwijzer maar de bedrieger ging de kerkers in toen de vergadering afgelopen was. En op de Sluipwegwijzer zag Albus de echte naam van die nep Erik…” Ze boog zich dichter naar Erik toe en fluisterde “Malfidus…” Erik keek niet begrijpend. “Malfidus? Ik snap niet…” Albus onderbrak hem. “Malfidus heeft je een braakbabbelaar gegeven, Wisseldrank gebruikt om jou uiterlijk te krijgen en vervolgens onze geheime vergadering bijgewoond.” Erik keek geschokt maar zei na een tijdje “Hij heeft die middag inderdaad wat haren bij me uit getrokken… Ik vond het al vreemd maar ja, Malfidus is gewoon vreemd…”

Ze zaten op het gras dat vol klaver stond en staarden voor zich uit. Ze keken zwijgend toe hoe Hagrid en de andere leerlingen wachtten tot iedereen gearriveerd was. Er miste nog een groep Huffelpuffers, de bende van Stefan. Stefan was één van de aller populairste jongens van de school. Hij werd altijd omringt door een grote groep vrienden en vriendinnen. Bovendien zagen alle meisjes hem wel zitten. Albus mocht Stefan wel, hij was dan wel erg populair maar hij was erg sociaal en vriendelijk tegen iedereen, hij behandelde mensen met respect en gedroeg zich absoluut niet asociaal. Je kon de populariteit van Stefan wel vergelijken met die van Malfidus, wie nog net niet aanbeden werd door sommige Zwadderaars, maar Stefan was verder absoluut het tegenovergestelde van de onbeschofte Malfidus.
“Waarom zou Malfidus onze vergadering willen bijwonen?” Vroeg Albus zich hardop af. “Ik weet het niet.” Antwoordde Roos. “Maar als hij helemaal de moeite heeft genomen om Wisseldrank en Erik’s haar te bemachtigen…” “Dan moet het wel heel belangrijk voor hem zijn?” Vroeg Albus. “Ja. We moeten hem in de gaten houden.” “Ja, daar ben ik het wel mee eens. Ik ben benieuwd wat Malfidus van ons wil.” Mengde Erik zich weer in het gesprek. “Ja, maar laten we even helder nadenken.” Zei Roos. “Wat denk je dat Malfidus wist over onze vergadering? Zou hij hebben geweten dat we het over Voldemort gingen hebben? Of wist hij dat wij hem verdacht vonden?” “Verdacht? Waar zouden we hem van moeten verdenken dan?” Vroeg Erik. Roos dacht na. “Wat denk jij Albus?” Albus schrok op uit zijn eigen gedachten. “Je weet wat ik denk Roos, ik heb mijn mening nog steeds niet veranderd en dat ben ik ook niet van plan te doen tenzij het tegendeel bewezen wordt.” “Hó, wacht even waar hebben we het nu over? Wat is je mening?” Erik volgde het duidelijk niet. “Albus denkt…” “Ik denk dat Malfidus een spion is van Voldemort.” Onderbrak hij Roos en maakte haar zin af. Roos keek weer alsof hij gek was dus hij vroeg Erik “Wat denk jij?” “Uhhh… Ik denk…” Hij trok een moeilijk gezicht. “…Dat Malfidus… Ehhh… Dat hij…” “Ja?” Vroeg Albus verwachtingsvol. Maar Erik zag er uit alsof hij zelf niet wist wat hij eigenlijk dacht. Toen zei hij “We moeten beter op Malfidus letten, als hij weer eens een les mist moeten we hem zoeken met de Sluipwegwijzer en hem volgen naar waar hij dan ook heen gaat. Als we hem Het Verboden Bos in zien gaan lijkt het me duidelijk dat hij Voldemort bezoekt. Maar ehhh… Hoe is Voldemort dan herrezen?” Erik keek triomfantelijk toen hij dit gezegd had. Maar Roos keek hopeloos. “Je hebt gelijk wat dat op hem letten betreft, we moeten hem schaduwen. Maar ik zie niet in waarom het duidelijk zou zijn dat hij Voldemort bezoekt als we hem Het Verboden Bos in zouden zien gaan.” Albus wierp een “Zie je wel…” blik op Erik en deed net zijn mond open om er voor de zoveelste keer tegenin te gaan toen de nog missende groep Huffelpuffers aangerend kwam. De groep stopte hijgend bij de andere leerlingen en Stefan, die veel sportte en door zijn goede conditie als één van de weinige niet hijgde, stapte op Hagrid af. “Het spijt me professor Hagrid, we moesten professor Banning helpen met opruimen.” Hagrid was duidelijk gevleid door het feit dat hij zojuist “Professor Hagrid” was genoemd. Hij gaf Stefan een harde klap tegen zijn bovenarm, wat waarschijnlijk bedoeld was als een vriendschappelijk schouderklopje en zei tegen Stefan wie met een pijnlijk gezicht over zijn arm wreef “Geeft nie’or. Laat ik hullie eens vertellen wat we vandaag gaan doen. Loop maar mee allemaal.”

Albus, Erik en Roos stonden op en liepen verontrust achter de groep aan. Hagrid marcheerde recht op Het Verboden Bos af. Albus, Roos en Erik renden naar voren zodat ze naast Hagrid kwamen te lopen, ze hoefden nog net niet te rennen om hem met zijn grote stappen bij te kunnen houden. “Hagrid?” Vroeg Albus aarzelend “Je weet dat we Het Verboden Bos niet in mogen hé?” “Maar natuurlijk weet’k da Albus!” “Oké…” Albus keek bezorgd naar Roos, ze haalde haar schouders op. Ze liepen langs de rand van het bos en stopten na een tijdje aan de kant van een klein, helder blauwgroen meertje. Er stonden gigantische beukwilgen aan de waterkant, de takken, vol met jonge, lichtgroene blaadjes hingen treurig en sprookjesachtig naar beneden. Aan de rechterkant stonden de naaldbomen die de grens van Het Verboden Bos benadrukten en aan de linkerkant lag een grasvlakte gevuld met rode bloempjes die hun kopjes zorgvuldig op de zon gericht hielden. Aan de overkant van het meertje zag je bergen opdoemen, het was een prachtig gezicht. Het meertje lag er stil, roerloos bij. Het water bewoog niet, zelfs de wind leek geen beweging te krijgen in het frisse water. Albus vroeg zich af wat voor fabeldieren zich hier schuil zouden houden en hij vroeg zich ook af waarom er met dit warme weer geen leerlingen in het meertje zwommen die een tussenuur hadden, maar die vraag zou snel beantwoord worden.
Hagrid had een grote, kartonnen doos van achter een gigantische treurwilg gepakt en zette hem met een klap neer in het hoge gras. “Aandacht alst hullie blieft. Aandacht. Dank hullie. In dit doosie zitten zuigslakken.” Veel leerlingen keken vol afkeer naar de kartonnen doos. “Bin eel voorzichtig en zorg dat je hun alleen bij het huisie pakt. Raak de zuignappen niet an want ze laten nie meer los.” Albus vroeg Roos zachtjes wat er gebeurde als zo’n slak zich toch aan je vast zoog waarop ze antwoordde dat de slak er pas af ging als deze dood was. Toen ze zei dat zuigslakken een half jaar oud konden worden slikte Albus. Hij zag het al voor zich hoe hij Malfidus tegen kwam terwijl hij onder de vieze slakken zat die er niet af wilden. “Hullie maken zo groepies van twee en één van hullie pakt een slakje bij z’n huisie. Dan gaan hullie aan de kant van het meer zitten met’t slakie boven ‘t water en wachten hullie tot er een Fladderstaartje komt, als ie d’r is springt ie uit’t water en boort het z’n tandjes door het slakkenhuisie, zorg dat ze niet in je vinger bijt want dat doet nogal’n pijn.”
Sommige mensen keken bang, anderen benauwd maar niemand op Hagrid na, wie er zin in leek te hebben, keek opgetogen. “Zo nu bennen jullie genoeg voorbereid ga hullie gang.” Albus en Roos vormden samen een paar. “Oké… Wat wil je doen Albus?” “Hoe bedoel je?” “Nou, voel je de behoefte om zo’n slak aan een vis te voeren?” “Nou… Eigenlijk niet bepaald.” “Oké, ik ook niet…” “Wat is een Fladderstaartje Roos?” “Een vis, het is een wonderschoon wezentje, het heeft wel iets weg van een zeepaardje maar dan met grote, gekleurde vlinder vleugels. En hun beet is nogal giftig…” “Ow… Geruststellend…” mompelde Albus. “Moet ik eerst?” Vroeg Roos met een somber gezicht. “Kun je me dan laten zien hoe het moet? Zodat ik dit misschien toch overleef? Ander doe ik het wel eerst, als ik dan dood ga hoef jij het misschien niet meer te doen.” Roos lachte. “Ik ga wel eerst.” Zei ze toen. “Oké, sterkte.” Roos trok een vies gezicht toen ze in de kartonnen doos vol dikke, fel gekleurde slakken keek. “Hoe kan het dat ze niet uit de doos kruipen?” “De rand.” Ze wees hem op de witte, pluizige rand. “Hun zuignappen werken er niet op dus komen ze er niet overheen.” Ze boog zich voor over en pakte een gifgroen, kegelvormig huisje vast wat hoorde bij de pimpelpaarse slak die verwoede pogingen deed om zijn zuignappen zo ver te buigen dat ze zich aan haar vinger konden vast zuigen. Ze liepen stil naar een plekje aan de waterkant, half verscholen in het hoge gras. Ze voelden de warme zon op hun gezicht schijnen, als ze geen vieze slakken aan giftige bijtvissen hoefden te voeren was het ideaal geweest om een beetje te relaxen. Het uitzicht en het meer waren prachtig, het weer zat ze mee… Alleen hield Roos de paarsgroene slak bungelend boven het water…
“Aaah!!!” Geschrokken draaiden Roos en Albus zich om in de richting waar de gil vandaan kwam. Er was niets bijzonders te zien, enkel een kring in het water bij de plek waar Nick en Carlo, twee van de jongens die met Albus een slaapzaal deelden, zaten. Nick was opgesprongen en had een paar stappen achteruit gedaan, Carlo lag op het gras. Toen Carlo voorzichtig ging zitten met zijn blik op de steeds groter wordende en langzaam wegtrekkende kring in het water gericht zag Albus de geschrokken blik op zijn gezicht. “Ebbe gullie een Fladderstaartje gezien?” Bromde Hagrid die aan was komen stampen. Carlo keek nog steeds geschokt naar het water, de kring was alweer verdwenen. “Jeh… ehh… Ja.” Bracht Nick half stotterend uit. “Moi zo!” Riep Hagrid tevreden uit. “Het werd wel is tijd. Ze zijn erg schuw die beesties, ontzettend verlegen. Waarschijnlijk laten de andere zich dadelijk ook wel zien.”

En ja hoor, nog voordat Hagrid de tijd had om Carlo “hartelijk” op zijn rug te kloppen. Klonk er een kort, geschrokken gilletje. Vliegensvlug draaide Albus zich om en hij zag nog net een blauwe flits van het wezentje dat Kiara’s knal oranje slak met zich mee nam in het water terecht komen, er vormde zich een kring in het water die steeds groter werd en uiteindelijk verdween. Kiara keek geschokt naar het water. “Nog eentje? Mói! Ze zijn niet bang mer! Let allemaal goed op je slak want binnen een paar seconden is tie weg en heb je het Fladderstaartje gemist! Oja en vergeet niet op tijd je hand terug te trekken.” Roos en Albus wendden hun blikken weer op de groenpaarse slak die bungelend zijn ondergang tegemoet ging. Er klonken nog een aantal keer geschrokken kreten maar Roos en Albus keken niet meer op. Ze hielden hun ogen gericht op de slak. Het gebeurde in een flits, het leek inderdaad op een zeepaartje. De Fladderstaart was feloranje met prachtige grote, rode vlindervleugels. Zelfs de twee lange, dunne, vlijmscherpe zilveren tandjes schitterden als diamanten in het zonlicht. Het was werkelijk prachtig om te zien, zo sprookjesachtig mooi en zo snel weer weg dat je dacht dat het niet echt kon zijn.

“Roos?” Albus keek geschrokken naar Roos, ze staarde als betoverd in het diepblauwe water. “Roos!” “Oh Albus, dat was prachtig.” Zei ze nog steeds in het water kijkend. “Ja, ik weet het.” Het was even stil. “Je knippert met je ogen en het is weer weg.” Mompelde Roos betoverd. Albus knikte. “Whaah!” “Gossie Albus ge hoeft niet zo te schrikken hoor, haha.” Albus keek om en zag de gigantische gestalte die Hagrid heette achter hem staan. “Ebben hullied dr gezien? Wonderschoon niet waar?” Het scheelde niet veel of Hagrid had een traantje weg gepinkt. “Uhh, ja. Prachtig.” Antwoordde Albus. “Wil jij ze nu een slak voeren Albus?” Er verscheen een geschokte uitdrukking op Albus” gezicht. “Oh nee, dat hoeft echt niet hoor.” Zei hij met een schijnheilig lachje. “Ach tuurlijk wel kom maar mee.” En met één soepele armbeweging zette Hagrid Albus overeind. “Nee….” Dacht Albus. “Ik wil echt niet.” Maar dat zei hij niet tegen Hagrid aangezien hij hem niet wilde kwetsen. “Aaah! Aaaaahh!!!” Hagrid liet Albus” schouder los en keek waar de kreet vandaan kwam. “Yes!” Dacht Albus. Ja hoor, het was ook een kwestie van tijd. Benjamin lag gillend en spartelend op het gras en de jongen naast hem riep dat hij in z’n vinger gebeten was. Iedereen liep op hem af om te kijken of z’n vinger eraf was maar dat viel tegen. Toen Hagrid zijn hand pakte om te kijken zaten er twee minuscule rode stipjes op z’n vinger. Benjamin stelde zich altijd ontzettend aan, de tanden van de Fladderstaart hadden zijn huid nauwelijks geraakt. Maar aangezien hij niet stopte met schreeuwen en spartelen pakte Hagrid hem op en bracht hem naar de Ziekenzaal om te kijken of er misschien toch wat gif in zijn vinger was beland. Dat betekende dat de les Verzorging van Fabeldieren eerder afgelopen was, zoals meestal. Albus was er blij mee in ieder geval.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here