Éloïse was blijven wachten bij de kar, zwijgend, en keek glimlachend naar ons, toen ze ons zag aankomen. Ik was bijna vergeten dat ze bestond, bedacht ik me. Ik voelde me een beetje schuldig, maar het geluk was te sterk om dat gevoel echt door te laten.

“Jean, ik weet niet of je Éloïse eerder had ontmoet?”
“Ik heb haar inderdaad eerder gezien, maar we zijn nooit formeel geïntroduceerd.”
“Hierbij dan,” zei Éloïse met een glimlach.

De hele reis terug staarde ik naar hem. Ik kon maar niet geloven dat hij hier was, terug was, bij mij. Dat ik hem kon aanraken en kussen en dat we een toekomst hadden, samen. Mijn mondhoeken deden pijn van het glimlachen, maar zelfs dat kon me niet doen stoppen.

Ik vertelde hem over alles wat er gebeurd was, alles wat ik nog niet in mijn brieven had gelezen. Hij praatte niet veel over zijn tijd in de loopgraven, vertelde me alleen dat het vreselijk was geweest. Ik begreep het. Hij praatte veel liever over de toekomst.

Hij vertelde me dat ik mijn eigen kaarten zou moesten kopen voor de reis en de boot die ons naar zijn thuisland zou brengen. Ook had hij zijn ouders geschreven, en ze vertelden hem dat ik welkom was om bij hen te blijven totdat we ons eigen huis zouden kunnen kopen.

“Wil je dit echt?” vroeg hij nog een keer.
“Alles om bij jou te zijn.”
“We kunnen ook in Frankrijk blijven?”
“Nee,” antwoordde ik. “Ik weet dat mijn lot niet hier ligt.”

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here