Foto bij H.91.

Geschreven vanuit Carissimi

Geschreven vanuit Carissimi

De zekerheid die ik bij mijn plan voelde wordt gehalveerd als ik naar het mes kijk waar het allemaal mee moet gebeuren en opmerk dat het redelijk gehavend is.
Wat als het niet lukt?
wat als ik te snel te zwak word en te veel kracht verlies?
Wat als we doodgaan?
Maar, nu ik nog genoeg tijd en kracht heb, zet ik de scherpe kant van het mes in het roestige ijzer en zet er kracht op.
Ik hoor het materiaal langzaam kraken.
Voorzichtig kijk ik om mij heen, want ik wil liever niet dat iemand kijkt.
Hoe graag ik het Tara ook zou willen vertellen, het gaat niet.
Hoewel Tara in de kooi recht tegenover mij hangt, moet het volume van mijn stem alsnog minimaal vijf meter overbruggen - áls ik het haar al zou willen vertellen.
Wat als de Bagroda-Draken nog ergens luisteren of dat ze informanten hebben?
En het zal mij niet verbazen als de draken met geweld informatie uit gevangenen slaan - misschien zelfs informatie over andere informanten.
Ik kan het risico dus niet nemen.
Het geroeste ijzer kraakt en Tara kijkt op.
'W...' wilt ze vragen maar ik maak haar met een vinger op mijn lippen en een blik van duizend woorden duidelijk dat ze de aandacht niet op mij of iets in mijn buurt moet vestigen.
Door alleen die ene letter al kijk en de gevangenen op en ik verstop zo vlug als ik kan het mes onder mijn shirt.
Het ijskoude lemmet dat tegen mijn huid aan ligt doet kippenvel ontstaan.
Ik zie de blik van de andere gevangen van de overige kooien en het voelt alsof een stuk van mijn hart eraf breekt.
Het lijkt wel alsof ze al heel lang niemand hebben horen praten, alsof het de allereerste keer is dat ze iemands lippen zien bewegen en dat er dan geluid door de lucht zweeft.
Alsof hun menselijkheid en wilskracht samen met hun energie zijn verdwenen.
Zodra iedereen weer wegkijkt en ik zeker weet dat niemand - met uitzondering van Tara - meer op let op wat ik aan het doen ben begin ik weer te snijden en te zagen.
Zodra ik dieper in de ijzeren tralie snij wordt het moeilijker.
Het ijzer is harder, het roest is nog niet in het binnenste gedrongen.
Maar, verdorie, overleven zal ik.
Dus ik hak, snij, zaag en ploeter weer verder, terwijl die ene zin door mijn hoofd heen bonkt.
Keer op keer herhaalt hij zich.
Ik word niet zoals hen.
Doelend op de meer dood dan levende gevangenen dreunt dat door mijn gedachten, dringt door tot het binnenste van mijn ziel.
Ik word niet zoals hen. Ik word niet zoals hen.

Reacties (2)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here