Alesana trok haar mondhoeken omhoog tot een glimlach, maar haar onderlip trilde van de zenuwen. Ze was bang dat ze te laat kwamen, dat er niets meer van Rorans herinneringen over was gebleven.
      Met haar ogen zocht ze de rivier af, op zoek naar een oversteekplaats. Ze zag er geen. Opnieuw zou ze hem zwemmend moeten oversteken. Met een zucht stapte ze het water in. Het was rustiger dan de vorige keer dat ze erdoorheen was gezwommen, maar ze zou er evengoed nat van worden en tijd om op te warmen was er niet.
      Ze stapte voorzichtig door de rivier. Het voelde alsof het water haar vooruitduwde, haar in de juiste banen leidde. Zich eraan overgeven durfde ze niet. Misschien is het niets dan een list om me mee te sleuren.
      Alesana kreeg kippenvel van die gedachte. Sinds wanneer had het water een eigen wil? Pakweg een maand geleden zou ze zichzelf hebben uitgelachen. Ze had hier echter al zo veel vreemde dingen gezien en gehoord dat haast alles een bewustzijn had. Dus waarom zou het water niet door iemand geleid worden?
      Toch bereikte Alesana zonder struikelen de overkant en was ze slechts tot haar middel nat. Hoewel het voldoende was om ervoor te zorgen dat ze het de rest van de dag koud had, was ze er toch blij om.
      Diaval bracht haar naar het pad toe. Hij keerde niet terug naar zijn mensengedaante, maar bleef een paar meter voor haar uit vliegen. Alesana nam aan dat hij zo de omgeving beter in de gaten kon houden, al vond ze het jammer. Nog steeds vond ze het moeilijk om Raaf en Diaval als dezelfde persoon te zien, al was ze er al zo vaak getuigen van geweest.

De schaduw trok al over het woud toen ze bij een grot arriveerden, al was het eerder een spleet in de berg. Erg ver door liep hij niet.
      ‘Ik hoop maar dat de Grimm ons niet voor is geweest,’ zuchtte Diaval toen hij weer naast haar stond.
      Alesana zweeg. Wat zou de Grimm met een glazen Roran moeten? Ze kon haar zenuwen nauwelijks beteugelen en keek naar binnen. Er was een smalle inkeping waaruit ze iets zag uitsteken. Het glansde vaal.
      ‘Dat is hem! Kom, help me hem naar buiten tillen zodat ik meer licht heb.’
      Samen pakten ze het glazen lichaam voorzichtig vast. Alesana was doodsbang dat ze ermee tegen de wand stootte en het was haast al donker eer ze buiten stonden. Gelukkig was de maan vol en bood hij haar voldoende licht om de handelingen uit te voeren die haar moeder haar verteld had.
      Ze haalde het flesje tevoorschijn, sjorde de dop eraf en liet de vloeistof op haar vingers druppen. Daarna besprenkelde ze de koude, harde lippen ermee. Daarna zijn neus en de doorzichtige, opengesperde ogen.
      Bijtend op haar lip deed Alesana een stapje naar achteren. Ze hield haar adem in en wachtte af tot er wat gebeurde.
      Kleine, rode riviertjes begonnen door het lichaam te stromen. Alesana volgde ze met haar ogen, maar al snel gleed de huid over de starre lichaamsdelen.
      ‘Het is gelukt!’ De tranen glipten uit haar ogen vandaan. Langzaam zag ze Roran terugkeren. Hij knipperde met zijn ogen en zijn mondhoeken kropen omhoog tot een glimlach.
      ‘Je bent terug…’ fluisterde ze. Met een vluchtig gebaar veegde ze de tranen van haar wangen.
      Roran stapte naar haar toe. Zonder iets te zeggen legde hij zijn hand tegen haar wang en drukte zijn lippen op die van haar. Alesana verstijfde, tot ze zijn tong tegen zijn lippen voelde tikken. Het voelde vertrouwd, als vroeger.
      En hoewel Alesana wist dat ze niet meer dezelfde gevoelens voor hem had en liet ze hem toe.
      Ik heb hem bijna gedood. Ik ben hem dit verschuldigd.

Reacties (3)

  • ProngsPotter

    Noooo arme Diaval!

    3 jaar geleden
  • SonOfGondor

    Oh, oh nee. Arme Diaval. Je bent hem helemaal niets verschuldigd, Alesana.

    3 jaar geleden
  • Vasya

    Noooo Alesana, waarom :c

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here