Het is een verrassend milde dag voor een september, en vier jonge twintigers liggen in het gras van het stadspark. Ze praten over van alles: hun leven, hun toekomst en hun verleden, terwijl ze af en toe gepasseerd worden door moeders met kinderen en jongeren die intens naar hun telefoon staren.

Het is stiller dan gewoonlijk, omdat het eigenlijk iets te koud is om comfortabel stil te kunnen zitten. De koele wind doet teniet wat het waterige zonnetje aan warmte produceert, maar het lijkt de vier niet zoveel te kunnen schelen. Ze praten en luisteren naar de vogels die nog niet zijn weggevlogen naar het zuiden, en naar elkaar. Er wordt niet zoveel gesproken, maar het is geen ongemakkelijke stilte. Af en toe merkt iemand iets op, en dan stijgt er gelach op van de groep.

Rechts van hen overvloeit een prullenbak met rommel, links van hen ligt een gebroken bierflesje. De geur blijft vaag hangen in de lucht, maar het stoort ze niet. Het is paradijs voor hen. Zo dichtbij de natuur als ze kunnen komen in de drukke, grijze stad. Deze plek is groen en oranje en rood en bruin, kleurrijker en stiller dan enige andere plek in de omgeving. Het is goed genoeg voor vier jongeren en hun beperkte vrije tijd.

In de verte verstoort het gehuil van een klein kind het gezang van de vogels. Het is een doordringend geluid en alle vier hopen ze dat het snel op zou houden. Een zucht van opluchting gaat door de groep als een laatste schreeuw wegsterft en er geen nieuwe volgt.

Voor heel even is het kleine parkje van hen. Ze genieten van de stilte en van de warmte van de zon, als die weer opdook van achter de wolken. Het smalle zandpad werd nu niet bewandeld door kleine of grote voeten en geen geluid, zelfs geen vogelgezang, verstoort de stilte.

Cassiopeia slaakt een gelukzalige zucht en kijkt glimlachend naar haar vrienden. Alex ligt op Ben’s schoot, en zijn vriend speelt afwezig met Alex’ korte donkere krullen. Gwen pakt haar telefoon uit haar zak en grijnst zodra ze de woorden op het scherm leest.

‘Vinden jullie het goed als Elle langskomt?’ vraagt de jonge vrouw aan de rest.
Ben en Alex kijken elkaar even aan, lijken één of andere telepathische communicatie te hebben en Alex mompelt een bevestiging.
‘Cassy?’
Ze haalt een hand door haar wild krullende zwarte haar en knikt. ‘Ze lijkt me aardig.’
Gwen bloost.

Cassiopeia trekt haar vestje strakker om haar lichaam als de zon weer verdwijnt achter de wolken. De dag begint tot een einde te komen en de wolken worden talrijker. Nog heel even, daar hoopt ze op. Deze perfecte dag kan niet zomaar eindigen.


De zon staat lagen en de schaduwen worden langer. Het aanzicht van de zon die door de bladeren schijnt maakt dat Cassiopeia glimlacht. Ze zou dit moeten tekenen. De zon verschijnt weer van achter de wolken en van achter op het pad hoort ze voetstappen.

Een kort meisje met een bloemetjesjurk verschijnt en Gwen verwelkomt haar met een kus en een knuffel. Dat moet Elle zijn.
Ze glimlacht verlegen naar de groep en stelt zichzelf inderdaad voor als Elle.
‘Ik zou opstaan en je een hand geven,’ zegt Ben, ‘Maar dat is op dit moment onmogelijk.’
Alex, die nog steeds op zijn schoot ligt, grijnst naar hem. Hij zou niet meer opstaan nu hij zijn plek had opgeëist. Hij ligt te goed, te comfortabel.

‘Ga zitten,’ zegt Cassiopeia. ‘Ik ben Cassiopeia en deze twee idioten zijn Ben en Alex. Ze zijn hopeloos verliefd en bloedirritant. Je went er wel aan.’
Elle glimlacht verlegen en gaat naast Gwen en Cassiopeia liggen.
‘Het is mooi hier,’ merkt ze op.
De groep knikt bevestigend.
Ze lijkt aardig.

Cassy sluit haar ogen en laat zichzelf de wind en de zon en het gras volop voelen. Ze zou de zomer gaan missen. Het bracht een soort vrijheid met zich mee, het soort vrijheid dat inhield dat je zomaar op de trein kon springen en weg kon rijden, het onbekende in. Nog heel even.

De groep wacht en laat de avond vallen om hen heen, en de frisheid keert terug. Ze zien langzaam hoe de zon ondergaat, hoe de warmte verdwijnt en het ten slotte donker is. Nu kijken ze niet meer naar wolken, maar naar sterren. Het park is nu stil, op hun stemmen na. Ze klinken luider dan anders. Ze voelen zich belangrijker, sterker en meer alleen. Nu alle drukte verdwenen is, kunnen ze zich voorstellen dat ze de enige mensen op aarde zijn. In de stad is het nog luidruchtig, maar hier is het rumoer van der stad zo ver weg dat het niet uit maakt.

Het wordt koud. Zo kou dat iedereen steeds dichter op elkaar begint te zitten en elkaar warm probeert te houden. Het is een fijn gevoel. Ze willen niet meer weg, geen van hen.
Alex vertelt over sterrenbeelden, en iedereen weet dat hij liegt – hij weet niets over de sterren. Ze luisteren alsnog.

De avond verandert in de nacht en pas als de dronken studenten komen om hun rust te verstoren en de lucht in het park zich vult met de geur van bier en goedkope wijn, staan ze op en volgen ze het pad naar de uitgang van het park.

Het licht van lantaarnpalen maakt het makkelijker het pad te volgen. Eén ervan is kapot, het glas is ingegooid. Een andere schijnt met een zwak oranje licht. Het maakt hun schaduwen vreemd om te zien. Waar ze ook staan, er is altijd meer dan één, en ze bewegen met hen. Het is een onwerkelijke gewaarwording, en toch zo normaal.

Cassy neemt in stilte afscheid van de sterren en later van haar vrienden, die allemaal een andere kant op gaan. Ze snuift nog heel even de geur op van de nacht – het deel dat niet wordt overheerst door de geur van alcohol. Alles moet eindigen, helaas. Ook perfecte dagen als deze, op imperfecte plekken als deze.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen