Foto bij O68 | Gail


'Andúnë.' De fluistering was nauwelijks meer dan een zucht, maar toch liet hij haar ontwaken uit haar sluimering. Ze opende haar ogen, en tot grote verbazing zag ze dat er een welbekende Elf over haar heen gebogen stond.
'Galadriel?' Even leefde haar hart op, maar toen herinnerde Andúnë zich wat - een bos dat wegkwijnde onder haar handen, en de doodslag die ze toebracht tot diens beschermvrouwe. Ze huiverde.
'U bent niet echt.' Dat was de enige verklaring, en niet eens zo heel onwaarschijnlijk - de Elfenvrouwe zou niet de eerste zijn die door Andúnë's geest werd opgeroepen als een ware entiteit. Meerdere van haar slachtoffers hadden haar al bezocht - Kili, Loriel, en nog velen van wie ze de naam niet eens kende. En schaduwen. Er waren altijd nog de schaduwen die aan haar vraten, die haar de dieperik in probeerden te sleuren als ze sliep. De Valar hebben mij vergeven, probeerde ze zich steeds te herinneren wanneer ze wakker werd, dit zijn slechts proeven die ik moet doorstaan.
Galadriel glimlachte. 'Hier zijn we al over geweest. Je hebt me nooit vermoord, Andúnë Gurthang. De Valar hebben mij toegelaten mijn vorm te veranderen zodat ik met je mee kon reizen en je terug het goede pad kon wijzen. Met succes, zo blijkt.'
Andúnë staarde haar aan. 'Ik ben ter dood veroordeeld.' Galadriels blik werd somber.
'Dat weet ik, en ik-'
'Ik geef hen gelijk. Hen allemaal. Ik verdien het te boeten voor al mijn daden.' De Elfenvrouwe knielde naast haar neer. 'Misschien verdien je het inderdaad om boete te doen. Ik betwijfel echter of ervoor sterven de goede wijze is.' Andúnë keek niet-begrijpend op.
'We hebben niet alle tijd,' klonk een geïrriteerde stem aan de deur. Het was één van de Dunedain, Arnubên, als ze het goed had. Hij had een zwaard in zijn handen en hijgde. Galadriel nam Andúnë beet en tilde haar op. De Elfenvrouw was vele malen groter dan haar, en verrassend sterk, want ze leek geen enkele moeite te hebben met Andúnë's gewicht. Aangezien diens kracht nog niet volledig teruggekeerd was had ze niet voldoende energie om zelf te lopen, vooral niet na het weinige voedsel en het gebrek aan lichaamsbeweging dat ze in de cel had gekregen.
Arnubên nam haar van de Elfenvrouwe over toen deze bij de deurpost kwam.
'Wat gebeurt er?' sputterde Andúnë, die met haar handen tegen zijn borstkas duwde. Zelfs in haar herinneringen was deze man slechts een vage bekende, en ze vond het helemaal niet prettig om hem zo dicht bij haar te hebben. Misschien is hij wel degene die me naar het schavot brengt. Het antwoord was echter niet volledig wat ze verwachtte.
'Wij gaan naar Númenor. Jij wordt onze gids.' De boodschap die ze aan de Dunadan had doorgegeven was dan toch geloofd, bedacht ze. Daar had ze aan getwijfeld. Een vlaag van opluchting golfde door haar. Ze was er dan toch in geslaagd om iets goeds te doen - een volk zijn thuisland terug te geven.
'Ik weet niet waar dat is,' zei ze, maar Arnubên negeerde haar en liep door de nauwe gangen van de kerkers. Andúnë zag dat er slechts enkele wachten hadden gestaan, maar ze lagen allen bewusteloos op de grond.
'Bent u zeker dat u hiermee niet in de problemen komt?' vroeg Arnubên. Galadriel gaf antwoord, 'Maakt u geen zorgen, Dunadan. Mij zullen ze niet herinneren.'
Ze brachten haar door nog meer nauwe gangen, die allen verlaten waren. Er was beter over dit plan nagedacht dan Andúnë in eerste instantie vermoed had, al leek het haar nog steeds een erg dom plan. Allen die aan haar ontsnapping meewerkten, zouden worden verdacht van het heulen met Sauron - en bovendien was zelfs zij er niet zo zeker van dat ze de duisternis wel volledig van zich had afgeschut. Ook nu voelde ze het zich nog aan haar klauwen, als kleine weerhaakjes die niet onmiddellijk verwijderd konden worden.
'Galadriel', zei ze, 'De Doemberg...'
'Is vernietigd. Al meermaals zijn er wachten gaan kijken. Sauron is dood,' Arnubên klonk uitzonderlijk nors.
'Hij heeft zijn spreuk afgemaakt, vlak voor hij stierf. We moeten waakzaam blijven.' Galadriel stopte even met spreken toen ze bij een afslag kwam. 'Hier moet ik jullie verlaten, mijn beste mensen. Andúnë, probeer rust te vinden. Je hebt het verdiend.' Nog zonder meer te zeggen, draaide ze zich om en liep ze de gang in. Toen ze uit het zicht verdwenen was, leek de gang donkerder te worden.
'We zijn bijna bij de stallingen. Daar zal een paard voor ons klaarstaan. Buiten de poorten wachten de anderen op ons.' Arnubên verschoof haar even in zijn armen en keek haar even aan. 'We hebben uw vader's zwaard weten te bemachtigen, Andúnë. De anderen hebben het bij zich.' Andúnë antwoordde niet. Ze had nooit veel opgehad met wapens, en haar vader had ze nooit gekend. Voor deze man leek het echter een fabelachtig relikwie te zijn.
Ze waren muisstil toen Arnubên hen de stallen binnen smokkelde. Zijn robuuste paard stond inderdaad gezadeld en klaar, en hij zette Andúnë voorzichtig maar kordaat in het zadel.
'Ik wist dat je iets stoms van plan was,' klonk een heldere stem. Uit de schaduwen stapte een bevallige jongedame. Hoewel ze menselijk was, deed haar schoonheid zeker niet onder voor menig Elf. Andúnë voelde hoe Arnubën verstijfde.
'Lothiriel,' zijn stem was nauwelijks een fluistering.
'Je kan dit niet doen Arnubên. Ze is een moordenaar. Als jij haar helpt vluchten - ze zullen je doden Arnubên. Vlak naast je geweldige koningsdochter op het schavot, als het moet. Ze is dat niet waard.'
'Ze moeten me eerst te pakken krijgen.' De vrouw schudde met haar hoofd. Haar blik was zowel triest als woedend.
'Kom met me mee, Lothiriel. We zouden samen een nieuw leven kunnen beginnen. We gaan naar een plek waar je vader geen macht heeft - waar hij je niet meer tot huwelijken en taken kan dwingen die je niet wilt.' Andúnë zag het in de vrouw haar ogen - ze wilde het, zo ontzettend graag. Maar er was een onzichtbare draad die haar aan deze plek verbond, en die was sterker dan haar wens.
'Ik zal de wachten niet vertellen dat ik je bij haar heb gezien,' zei Lothiriel. Ze keek Arnubên nog even aan, maar draaide zich toen om en liep het gebouw uit.
'Je moet dit niet doen,' sprak Andúnë tegen hem. Arnubên schudde zijn hoofd.
'Er komt een dag dat ze me vergeeft.'
Hij nam plaats in het zadel achter Andúnë, trok een mantel over hen beiden heen en gaf het paard de sporen.

Reacties (1)

  • Croweater

    Aah wat sad. Maar er is hoop op een enigszins positief einde! Ik hoop echt dat Andunë met zichzelf kan leren leven.

    4 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen