Het eerste thema voor Story of the month was herfst.

Het was een gure novemberdag. Hoewel de laatste weken als één waas voorbij leken te gaan, kon ik van de sfeer buiten afleiden dat de zomer was vervlogen en plaats had gemaakt voor de maar al te bekende windvlagen en koude temperaturen die bij de herfst hoorden en iedereen deed wegkruipen in zijn sjaal of jas. Zoekend naar enig spoor van de warmte die ze thuis hadden achter gelaten.
      Ikzelf was niet één van die mensen. Ik verliet mijn kamer niet, enigzins ongerust om de koude die buiten de deur te vinden was. Ik zat al precies twee maanden, drie weken en zes dagen in mijn ziekenhuiskamer die nooit van omgeving veranderde. Terwijl buiten de groene bladeren bruin werden en langzaamaan op de grond vielen, bleven mijn kraakwitte muren en lakens dat wat ze altijd al waren; wit.
      De zon stond aan de hemel toen ik door het raam keek, maar ze verblindde me niet zoals ze een paar maanden geleden zou doen. Ze scheen zwak neer op de binnentuin van het ziekenhuis, waar het gras bedekt was met goudbruine en rode bladeren. De binnentuin die de laatste paar maanden mijn enige uitzicht was geweest, mijn enige verbinding met de buitenwereld.
Ongeveer een half jaar geleden hadden ze het me verteld. De verpleegster die me met haar vriendelijke glimlach mee naar binnen nam, terwijl ik me afvroeg of die wel echt was of dat ze hem gebruikte voor elke patiënt. De dokter met zijn niets-verhullende ogen en alleszeggende woorden. Een ziekte die ervoor zou zorgen dat ik niet meer normaal kon leven, niet meer naar buiten kon. Nooit meer. Enkele minuten daar waar iedereen leefde, zouden al schadelijk kunnen zijn voor mij.
      Dag in dag uit zat ik in mijn kamer, liep rond in de gangen of maakte kennis met de andere patiënten. Het duurde een tijdje voor ik die stap kon zetten. Eerst moest ik verwerken wat er met me gebeurde en wat er nog te gebeuren stond. Pas als ik het zelf onder ogen kon zien, kon ik erover praten met de anderen. Want dat was hoe het hier werkte, de eerste ontmoeting. Ik was bijvoorbeeld een meisje tegengekomen die niet als eerste tegen me zei: 'Hallo, ik ben Julie en ik ben 17 jaar', maar wel: 'Ik ben Julie en heb longkanker. Jij?'. Voor haar was het zo vanzelfsprekend dat de ziekte een deel was van wie je bent. Dat je ermee moet leven en dat je er niet onderuit kan. Het was toen - de dag dat ik begon rond te gaan bij de anderen- dat ik besefte wat een geluk ik had. Want niet alle patiënten die ik leerde kennen bleven. Op een dag verdwenen ze en zag ik ze nooit weer. Net zoals Julie. 'De hemel had nog een engel nodig.' zei de verpleegster dan. En dat was waar ik in geloofde.
      Ik schudde even mijn hoofd zodat ik de herinnering aan het blondharige meisje zou verliezen en concentreerde me weer op het boek dat op mijn schoot lag. Meestal lukte het me wel om me volledig te verliezen in een verhaal maar nu scheen het boek me maar niet te kunnen afleiden. Het ging over een jongen die wou reizen, maar eerst niet mocht van zijn ouders. Uiteindelijk -en dat stuk was ik al voorbij- kreeg hij zijn ouders overtuigd en mocht de wijde wereld in trekken. Ik benijdde de jongen in het boek. Hij was vrij, zat niet hele dagen opgesloten in een kamer van vier op vijf met altijd datzelfde uitzicht. Hij had nog een heel leven voor zich, waarin hij veel van de wereld te zien zou krijgen. Dat zou ik nooit meemaken, ik zat hier vast.
Weer probeerde ik om mijn aandacht te verleggen, maar merkte al gauw dat dit een verloren zaak was. Zuchtend legde ik het boek op de plank naast me, nam mijn Ipod en zocht meteen het nummer op dat ik al ontelbare keren gedraaid had. Niet alleen zat het vol herinneringen, het was ook het enige liedje dat ervoor zorgde dat ik voor eventjes kon ontsnappen. De eerste tonen vulden al snel de kamer en ik neuriede zachtjes mee.

Eerst had ik niet mee gewild. Schoolfeesten waren nu eenmaal niet mijn ding, teveel mensen met hun starende blikken. Maar mijn vriendinnen hadden me voor deze ene keer over weten te halen. Ze hadden me de hele avond mee de dansvloer op gesleurd en ondertussen alle jongens uitvoerig besproken, waarbij ik enkel wat grijnsde en af en toe knikte. Ze hadden altijd wel iets op te merken; de ene zijn haar zat niet goed, de ander zijn kleren waren niet mooi en nog een ander kon niet dansen. Op iedereen hadden ze commentaar. Behalve op hem. Ze wisten dat ik stiekem verliefd op hem was, dus ook al zou hij zijn hoofd speciaal voor vanavond kaal hebben geschoren, over hem zeiden ze niets. Hij stond de hele avond langs de kant, kijkend naar iedereen die stond te dansen, en hoewel ik vaak zijn richting uit keek, vonden zijn ogen de mijne niet. Niet één keer.
      Natuurlijk hadden mijn vriendinnen al gauw door dat ik onoplettend was en dat mijn blik maar al te vaak een bepaalde richting uit ging. Maar als ze me aanspoorden om iets tegen hem te zeggen schudde ik enkel mijn hoofd en sloeg meermaals mijn ogen neer. Te verlegen, bang om afgewezen te worden. Ontelbare redenen om het niet te doen schoten door mijn hoofd terwijl zij me verwachtingsvol aankeken. Dus bleef het bij de verlangende blikken naar de kant van de zaal en rare kriebels in mijn buik iedere keer als hij ergens naar toe liep.
      Uiteindelijk was hij het en niet ik die onder het verwarmende licht van de spots een eerste stap maakte. Omdat ik er elke keer voor zorgde dat ik in een goede positie stond, zodat ik hem in mijn ooghoeken zag, kon ik ook dit keer direct zien dat hij zijn vaste plaats verlaten had. Hij slalomde langs de anderen heen en zodra ik me naar hem omdraaide, kruiste mijn blik die van hem.
De kriebels in mijn buik bereikte een hoogtepunt toen hij me in de ogen bleef aankijken en ik dichter naar hem toe stapte. Hij stak met een hoopvolle blik zijn hand naar me uit, zodat ik niets anders kon doen dan mijn hand in de zijne te leggen. Ik keek mijn vriendinnen verward aan toen hij zich omdraaide en verder de dansvloer op wandelde met zijn hand nog steeds in de mijne.

De hele avond hadden we gedanst en gepraat, en de dagen erna waren we onafscheidelijk. Ik leefde in de droom die ik al een tijdje koesterde. Tot die dag, ongeveer een half jaar geleden, toen de dokter me vertelde dat ik ziek was. Ik vertelde het hem meteen maar in plaats van me te troosten, werd hij kwaad. Nee, hij was woedend. Woedend omdat ik hem niet eerder had verteld dat ik ziek was. Ik wist het natuurlijk al een tijdje maar durfde het hem niet te vertellen, bang dat het iets zou veranderen. Maar die dag moest ik wel.
      Pas een paar dagen later, toen ik op het punt stond om naar het ziekenhuis te vertekken, vertelde hij me waarom hij zo gereageerd had. Enkele jaren geleden was zijn meter gestorven aan een soort kanker. Pas toen het te laat was hadden zijn ouders het hem verteld. Hij zei dat hij dit keer wel een kans wilde hebben om het goed te doen en het dit keer ook verpest had. Hij vertelde me dat hij kwaad was omdat hij me ging verliezen. En toch, hoewel bijna al mijn vriendinnen me meermaals kwamen bezoeken, kwam hij nooit. Hij verloor me voor hij me echt zou verliezen
      Mijn blik ging onwillekeurig naar het raam in mijn kamer, waar de maan al eventjes zijn licht op de binnentuin scheen. Tijdens mijn mijmeringen was de jongen met de muts weer verschenen. Hij zat er elke dag van vijf tot zes uur, precies als de nacht valt. Hij zat altijd op de rode bank, met zijn rug naar mijn raam en iedere keer keek ik naar hem. Pas als ik door had dat het al vijf uur was, zat hij er al zodat ik nog nooit zijn gezicht had gezien. Toen ik mijn intrek nam in deze kamer zat hij er ook iedere avond maar toen scheen de avondzon nog en speelden er soms kinderen in de tuin. Nu zat hij er alleen, niet veel mensen trotseerden dit kille novemberweer om in de tuin te gaan zitten. De bladeren waren ondertussen allemaal van de bomen gevallen, van de mooie groene tuin bleef niet veel meer over. Nu was ze kaal en doods. De jongen zat vaak gewoon op de bank, met zijn ellebogen leunend op zijn knieën of zijn gezicht in zijn handen. Maar soms had hij ook brood bij voor de mussen die in de binnentuin zaten en dat waren de dagen dat ik wou ik dat ik naar buiten kon. Om samen met hem de mussen te voeren, om met hem te praten en te vragen waarom hij hier altijd zat, om te vragen wat er door zijn gedachten ging als hij daar zat te tobben. Maar ik mocht het niet, kon het niet.
      Dus zat ik, zoals bijna elke avond, in mijn zetel naar hem te kijken. Hij was mijn routine geworden in het gekkenhuis dat nu mijn leven vormde, een leven waarin niets zeker was. Maar ik was er wel zeker van dat hij daar zou zitten, iedere avond.
Ik zat met mijn hoofd op mijn hand geleund naar hem te kijken, toen ik een kleine verandering opmerkte. In plaats van zijn gebruikelijke houding zag hij er dit keer gespannen uit. Zijn vingers trommelden op het hout en ik zag hem vaak naar links en rechts kijken. Opeens stond hij recht en meteen ging ik ook wat rechter zitten. Het was nog lang geen zes uur... Hij keek nog eens rond zich en toen draaide hij zich om. Ik snakte naar adem toen ik zijn donkerbruine krullen en groene ogen herkende. Het had niemand anders kunnen zijn.
      Al die tijd, al die avonden had hij al voor mijn raam gezeten. Zo dichtbij terwijl ik dacht dat hij niet verder van me weg kon zijn. Hij was er al die tijd voor me geweest. Langzaam liep ik naar het raam en zag hem omhoog kijken. Mijn glimlach werd weerspiegeld op zijn gezicht en ik legde mijn hand op het koude glas.
Hij knipoogde naar me en wandelde rustig mijn richting uit, zodat hij na een tiental meter uit het zicht verdween, omdat hij te dicht bij de muur was. Ik was verbaasd omdat hij zo opeens vertrok en bleef uit het raam staren. Plots zag ik een beweging in mijn ooghoek, ik draaide mijn hoofd en daar stond hij. Hij was via de brandtrap omhoog geklommen tot de derde verdieping, waar mijn kamer lag. Voorzichtig liep hij langs de muur naar mijn raam en plaatste zijn hand op de mijne, met alleen een dubbele laag glas ertussen.
Hij bracht zijn lippen naar het raam en blies uit, zodat er een witte vlek ontstond die nu al aan het vervagen was. Snel tekende hij er met zijn vinger een teken in dat ik maar al te goed herkende. Ik had het zo vaak in mijn schriften getekend, samen met de eerste letters van onze voornamen. Een piepklein hartje.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here