Foto bij Themawedstrijd Harry Potter (2013) - opdracht 2

Opdracht 2:
Beschrijf een normale dag uit het leven van één van de personages uit de Harry Potter-boeken. Hierbij letten wij erop dat het karakter, de handelingen, gedachtes, enz. precies passen bij hoe het personage in het boek beschreven wordt en NIET hoe jij diegene in je hoofd hebt. Dus bijvoorbeeld dat je niet van Draco een lieve, gevoelige jongen maakt van Harry een badass. Tip: Denk verder dan alleen de leerlingen van Hogwarts.


Ik heb gekozen voor Albus Perkamentus; schoolhoofd van Zweinstein.

Het was een mooie zomermiddag. Onder het zachte gekir van Felix de Feniks en het stralende zonlicht dat door het grote raam naar binnen scheen, zat Albus Perkamentus aan zijn bureau te werken. Hij luisterde met een half oor naar het gezanik van het professor Wafelaar-portret en grinnikte toen Herberus Pinkneus bij hem langs ging met zijn eigen stoel, erbij ging zitten en ze samen begonnen te mopperen.
Na een tijdje wreef Albus met een vermoeide zucht over zijn slapen en stond toen langzaam op van zijn stoel. Op een traag tempo liep hij naar de reling van het raam en keek uit op het schooldomein, waar enkele leerlingen in hun zwarte gewaden rond liepen. Het was weer zover, de zomervakantie zou weldra aanbreken en na het vroege ontslag van zijn vorige professor, zocht Perkamentus nu een nieuwe Verweer tegen de Zwarte Kunsten docent. Het was niet enkel een vermoeiend werkje, maar ook nog eens bar moeilijk. Aangezien iedereen dacht dat de baan vervloekt was, zaten de heksen en tovenaars niet echt te popelen om het baantje aan te nemen. Perkamentus gaf toe dat er inderdaad bizarre dingen waren gebeurd in het verleden - en curieus genoeg allemaal bij de leerkracht van één specifiek vak - maar toch weigerde hij om erin te geloven.
Terwijl hij toekeek hoe de leerlingen zich bezig hielden de laatste dagen van het schooljaar, schoten verschillende kennissen van hem te binnen, die allemaal beschikbaar zouden kunnen zijn voor de job. Maar bij ze allemaal had hij ook een weerwoord. De ene kende het vak niet genoeg, de andere zou zich misschien te fel verliezen in zijn gedrevenheid... voor de zoveelste keer die dag, kwam er een diepe zucht over Albus' lippen.
Diep in gedachten verzonken, liep hij naar Felix en liet zijn hand bedachtzaam over diens rode en gouden veren glijden. De Feniks maakte een grommend geluidje en schurkte zijn kop tegen de hand van Albus, die al groeven van ouderdom begon te vertonen.
Ooit, toen hij nog jong en levendig was, had hij nog een jongeman moeten afwijzen. Iemand die de job maar al te graag zou willen. Maar dat was al zo'n lange tijd geleden...
Met een wazige blik in zijn ogen, liep hij naar een hardhouten kast achterin de kamer. Toen hij de deuren open deed, gleed er meteen een merkwaardig voorwerp uit. Het zag eruit als een stenen kom, bedekt met allerlei runetekens en symbolen. Hij kwam net tot aan de middel van Perkamentus en gaf een sprookjesachtig, blauw licht af dat de groeven in zijn gezicht nog dieper deed lijken.
'Het is tijd, mijn beste Theodorus,' zei hij tegen het portret naast hem op een dromerige toon, 'om mijn gedachten even op een rijtje te zetten.' daarna bracht hij zijn toverstok naar zijn slaap, sloot zijn ogen en haalde een dun, schijnend straaltje los. Met een zwiepig gebaar viel de herinnering traag in de hersenpan en meteen begon het blauwachtige licht feller te schijnen dan ervoor.
'Het is tijd om te herbekijken wat ik reeds gezien heb. Tijd om alles... nog eens te overzien.' en met die woorden boog hij voorover.

Achterin de klas zat een jongen met donkere, sluikse haren wiens blik naar buiten was gericht. Hij was de enige leerling die niet naar Albus keek, terwijl die de opdracht aan de eerstejaars uitlegde.
'Zodra je de kever in een knoop hebt veranderd, leg je hem in de doos van voor. Let wel op dat je ze helemaal veranderd hebt, een knoop hoort geen pootjes of voelsprieten te hebben! De spreuk staat op het bord geschreven.' Met een zwaai van zijn stok, begon het krijt vanzelf op het bord te schrijven. Zodra elke leerling een krioelend beestje voor zich had, klonken de verschillende uitroepen al door het klaslokaal.
De jongere Perkamentus keek geamuseerd rond zich en moest meermaals knopen die probeerden weg te vluchten, verlammen. Al snel waren de leerlingen zo gefocust op de opdracht, dat hij ze niet meer zo nauwkeurig in het oog moest houden. Maar één jongen had zijn blik niet meer op zijn bank gericht. De roodbruine knoop voor hem lag er al een tijdje levenloos. Eén van de eerste keren was het hem al gelukt.
'Marten? Ben je al klaar?' de jongeman keek verschrikt op en knikte daarna. Perkamentus, die nu voor Marten's bank stond, dacht even na, groef toen in zijn zak en haalde er een theepot uit, alsof die er elke dag in zat. 'Kan je deze omvormen in een schildpad?' hij vertelde hem de spreuk en al gauw kroop er een groengele schildpad over de bank. Perkamentus haalde hem weg zonder iets te zeggen, liet kort zijn ogen over het gezicht van Marten glijden en liep terug naar de voorkant van de klas, met een bezorgde frons op zijn voorhoofd. Wat hij niet tegen Vilijn had gezegd, was dat enkel de vierdejaars zo'n grote spreuk aankonden. Een erg grote kracht moest er schuilen in de jongen, die er nu nog maar zo klein uit zag. Nog zo jong en onschuldig.
Niet voor lang meer.
Zodra het lesuur gedaan was, verdwenen de leerlingen één voor één. Perkamentus keek toe hoe Marten en Lucius als één van de laatsten door de deur liepen, verwikkeld in een luidruchtig gesprek. Net toen Perkamentus zijn blik wou afwenden, zag hij hoe Marten achterover keek. Hun blikken kruisten en voor het eerst zag Albus een lichte schittering in de ogen van de kleine jongen.


De hersenpan sleurde Perkamentus mee terug naar de werkelijkheid. Hij moest even herstellen van zijn tripje en klemde de rand van de hersenpan stevig vast, terwijl hij de beelden van daarnet liet doordringen.
Hij wist het. Marten wist het van dag één dat hij anders was dan de anderen en een grote kracht bezat dan zijn mede-leerlingen. En Perkamentus kon het gevoel dat hij daaraan had meegedragen, niet van zich afschudden.
Onder het zachte licht van de zonsondergang, ging hij terug op zijn stoel zitten. Donkere tijden zouden eraan komen, dat wist hij. Misschien had hij bijgedragen aan hoe vlug die zouden komen, misschien ook niet. Maar ergens in zijn achterhoofd, wist Albus Perkamentus dat er een dag zou komen dat hij niets meer zou zijn dan een portret aan de muur van zijn mooie kantoor.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here