Foto bij Avaritia - schrijfwedstrijd Merrow (2013)

Opdracht 2: Seven heavenly virtues to oppose seven deadly sins
De bedoeling van deze opdracht is dat jullie een verhaal schrijven rondom de zeven zonden en zeven deugden. Jullie zijn nog vrij in het kiezen van de tijd en perspectief voor je verhaal.
Wat wordt er verwacht? Er zijn in totaal 14 opties waaruit jullie zelf mogen kiezen. Er geldt een maximum van 2 mensen per optie, wat dus inhoudt dat de laatste persoon nog altijd de keus heeft uit 8 opties.
Uiteraard wordt er verwacht dat je een verhaal schrijft aan de hand van de zonde of deugd die je gekozen hebt.
De opdracht draait om de zeven zonden en zeven deugden, dus houdt er rekening mee dat deze ook centraal staat in je verhaal!


Ik heb gekozen voor één van de zeven zonden; hebzucht
Definitie: Hebzucht is het mateloos verlangen naar iets dat je wil hebben. De neiging om iets te bezitten dat jij als perfect ervaart.

In de bijbel noemen ze de zonde hebzucht ook wel Avaritia

Zij was het toonbeeld van perfectie. Haar amandelvormige ogen hadden een heldere kleur, er lag altijd een lichtroze blos op haar wangen en ze bewoog met de elegantie van een danseres, hoewel ik wist dat ze nooit op dansles had gezeten. Net zoals ik alles van haar wist; waar ze zich mee bezig hield, zelfs wat er door haar heen ging. Ik kende haar door en door, wist wat perfect voor haar zou zijn geweest. Toch weigerde ze om me bij haar binnen te laten.
Elke dag zag ik hoe ze door de gangen van onze school wandelde, bijna zweefde. Ze schonk niet veel aandacht aan me maar voor mij was het altijd genoeg. Ja, ik nam genoegen met de schaarse blikken die ze me toeworp of de vage glimlachjes die ze in het voorbijgaan aan me schonk.
Ik was er vrijwel zeker van dat ze mijn adoratie jegens haar niet erkende. Ze kende me enkel als 'die zoon van de vrienden van haar ouders'. Maar zij, zij was een obsessie voor me sinds de dag dat ik haar niet meer kon hebben.
Vroeger, toen ze nog niet alleen thuis kon blijven, kwam ze geregeld mee of ging ik naar haar wanneer onze ouders afspraken. We zeiden amper een woord tegen elkaar, verschuilden ons achter de rug van onze ouders en waren te verlegen om iets anders te gaan doen dan gewoon de hele avond naast hen te zitten. Toch vond ik het niet erg. Zodra haar aandacht was afgeleid, kon ik schaamteloos mijn ogen over haar heen laten glijden. Ze werd met het jaar mooier, merkte ik dan vaak op.
Maar toen kwamen die avonden dat haar ouders bij ons in de woonkamer zaten en zij ontbrak. Zodra ik de enthousiaste begroetingen in de hal hoorde en haar prachtige, heldere stem ontbrak, vluchtte ik naar mijn kamer en kwam er niet meer uit voor de rest van de avond. Ik viel in slaap met de simpele gedachte dat ik waarschijnlijk niet één keer door haar hoofd was gegaan, diezelfde nacht.
Het kon me niet eens schelen dat ik zo miniem was in haar wereld, zo lang ik maar vanaf een afstandje naar haar kon kijken en over haar kon mijmeren. Enkel al de gedachte dat ze ieder moment van mij zou kunnen zijn, was genoeg. Ik zou haar elk moment van de dag kunnen hebben, nam ik mezelf voor. Tot hij daar een einde aan bracht. Zwarte krullen die zijn gezicht omlijstten en een grote mond tegen iedereen die hem in de weg stond. Hij nam haar van me af. Ik zou het haar nooit kunnen vergeven.

Het is een heldere vrijdagnacht. De woede van daarnet zindert nog door in mijn hoofd. De eerste keer dat ze het durven uitspreken. 'Psychisch niet in orde', waren de exacte woorden van de zielenknijper. Dokter Brennan, mijn psychiater die denkt dat hij me door en door kent. Een paar uur geleden vertelde hij het mijn ouders, die enkel knikten en naar zijn uitleg luisterden. Ergens in het midden ben ik opgestaan en weggelopen. Nu loop ik al enkele uren hier.
Mijn voetstappen klinken verassend stil op het zompige gras en in de schaduw van de straatlamp voel ik me onzichtbaar. Ik tel de huizen af, terwijl ik me afvraag hoeveel keer ik al in deze straat gelopen heb. Eén, twee, drie, vier. Het vijfde huis. Mijn bestemming.
Alsof ik er echt thuis hoor, loop ik meteen door naar het kleine schuurtje achterin. Als ik op mijn tenen ga staan en mijn handen over de balk laat dwalen, kan ik het koude metaal van de huissleutel tegen mijn vingers aanvoelen. Ik grijp het kleine dingetje vast en loop zelfverzekerd naar de achterdeur. Moeiteloos glijdt het kleinood in het slot en met een zachte klik zwaait de deur open. Het is donker in de keuken waar ik binnen ben gekomen, maar toch herken ik nog alle meubels van vroeger. Er is amper iets veranderd.
De tweede deur in de hal loopt uit in een houten trap. Met een bonzend hart sluip ik tree per tree naar boven. Bij elke krakend geluid houd ik mijn adem in en luister, maar telkens weer hoor ik enkel het zachte gesnurk van haar vader. Eenmaal boven zie ik meteen waar ik moet zijn, alsof ze wil dat ik weet waar ze ligt. Alsof ze wil dat ik binnen ga.
'Helena.' staat op haar witte kamerdeur geschreven. Ik neem de klink vast, voel mijn mondhoeken omhoog glijden en ga naar binnen.
Het is donker in haar kamer en zodra ik de deur weer heb gesloten, blijf ik even staan om mijn ogen te laten wennen. Zodra ze dat gedaan hebben, kan ik haar lichaam onderscheiden, dat op het het bed in de hoek ligt. Het enige licht komt van haar wekkerradio, wiens groengele cijfers op haar verwarde haren schijnen. Ze ademt zachtjes in en uit en murmelt wat onverstaanbare woorden. Misschien droomt ze wel over de donkerharige jongen, kan ik niet laten om te denken. Meteen bal ik mijn handen tot vuisten en een witheet gevoel van woede sluipt door me heen. Ik moet haar hebben. Ik alleen, niemand anders.
Ik wacht nog eventjes voor ik naar haar toe loop. Mijn ogen glijden over haar gezicht, met die vredige uitdrukking erop. Ik hurk bij haar neer en weersta de drang om haar ivoorwitte huid te strelen. Het zou haar direct wakker maken en ik wil nog even genieten van deze onschuldige emotie op haar gezicht.
Geruisloos grijp ik naar mijn buik, waar ik mijn wapen heb vast gemaakt met zwarte duck tape. Het zou te groot zijn om in mijn zak te steken. Bijna liefkozend glij ik met mijn vingers over het handvat en vraag me af of haar huid net zo glad aanvoelt.
Ineens neemt een onbekend gevoel het van mij over. Het moet nu gebeuren, nu meteen. Ik ga recht staan en kijk op haar neer, waarna ik mezelf niet meer tegen houd. Ik grijp haar schouder vast en duw die tegen de matras. Ik stop zelfs niet om te kijken hoe ze ontwaakt. Met één knie op haar matras, buig ik over haar heen en leg bijna teder het lemmet tegen haar hals. Ik zie hoe haar ademhaling versnelt en hoe haar borstkas opeens veel sneller op en neer gaat.
"Fabiën? Wat doe je?" haar angstige, grauwe stem doet me verschieten, waardoor ik het mes terug trek. Eerst wil ik geen antwoord geven, maar besef dan dat ik haar een antwoord schuldig ben.
"Als ik je niet kan hebben... dan kan niemand dat." fluister ik schor. Ze spert haar ogen wijd open en ik zie hoe ze gevuld zijn met de angst die haar nu bezit.
"Nee, alsjeblieft." jammert ze. Ik richt me enkel op haar nek, aangezien ik haar doodsbange uitdrukking niet aan kan. Ze doet me twijfelen... dit is juist, toch? Ik wil haar hebben, enkel ik. Nu zal ze voor altijd van mij zijn.
"Help! Help alsjeblieft! Mama, papa, help!" gilt ze. Meteen duw ik mijn hand tegen haar lippen en met een snelle haal ga ik langs haar nek. Het bloed stroomt direct in kleine straaltjes langs haar nek. Haar gekerm klinkt gedempt door mijn hand. Haar ogen richten zich naar het plafond en een eenzame traan, de laatste, glijdt langs haar wang. Ik vang hem op en kijk er ontroerd naar.
"Je bent van mij nu. Helemaal en enkel van mij."


Voetnoot: Bij hebzucht denkt iedereen meteen aan rijkdom en macht willen hebben. Dat is iets dat ik wou vermeiden, dus koos ik voor het 'hebben' of juist niet hebben van een levend persoon.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here