Foto bij Immortalis - schrijfwedstrijd Merrow (2013)

Opdracht 3: Goden en godinnen, iedereen zal zijn favoriet wel hebben en het is omtrent deze onsterfelijken dat we een verhaal gaan schrijven.
De exacte bedoeling van deze opdracht is dat je een god of godin uitkiest en deze als hoofdpersoon gebruikt in je verhaal. Dit keer schrijf je in de ik-vorm. De tijd (verleden- of tegenwoordige tijd) mag je zelf bepalen.
Wat wordt er verwacht? Je bent geheel vrij in het kiezen! Uiteraard geldt wel de regel dat een god/godin maar één keer gebruikt mag worden. Dus laat zo snel mogelijk weten wie jij kiest. Laat duidelijk in je verhaal terugkomen welke kracht(en) is toegewezen aan je god/godin en welke typerende karaktertrekken deze heeft.


Ik heb gekozen voor Hades, de God van de dood en heerser over de onderwereld.
Dingen zoals de Erinyen heb ik zelf verzonnen (behalve de naam). Ik heb nog nooit zo'n moeite gehad met een inzending, dus ik hoop dat je het mooi vindt.

Langzaam ging ik met mijn lange vingers langs de gouden munten. Het gevoel van het koude metaal tegen mijn huid, voelde verrassend aangenaam. Eén voor één vielen de munten terug in het zakje dat ik altijd bij me droeg, en maakten daarbij een klingelend geluid. Het was het borggeld dat iedere persoon moest betalen, eens ze mijn rijk wilden betreden. Natuurlijk deed bijna niemand dit vrijwillig. Ik grijnsde somber. Mijn schimmenrijk, de enige plaats die iedereen koste wat het kost wilde vermijden. Maar wegrennen van je lot was onmogelijk. Ooit zouden ze allemaal hier eindigen, afscheid nemen van het zonlicht dat ze als eeuwig beschouwden en wennen aan de duisternis die ik mijn thuis noemde. Niemand kon eraan ontsnappen.
Ineens voelde ik een steek door mijn hele lichaam gaan, als een blikseminslag, die me naar adem deed happen. De laatste muntjes die ik nog vast had, vielen uit mijn verkrampte hand op de grond en rolden alle kanten uit. Ik gromde en klemde mijn tanden op elkaar. Er was iets heel erg mis.Toen ik mijn ogen sloot, zag ik waar het probleem zich voordeed en meteen stond ik op van mijn troon. Snel beende ik de kamer uit.

Het eerste wat ik zag toen ik aankwam, was het doodstille, zwarte water. Er was geen enkele beweging te zien, dus ik veronderstelde dat de vloot zich nu aan de andere kant begaf. De zoveelste die mijn rijk zou betreden, stond nu op de pier, wachtend tot de boot hem kwam halen voor het laatste boottochtje dat die ooit zou maken.
Ik richtte mijn aandacht nu op de drie tronen, die recht voor het meer stonden. Er in zaten de drie priesters, die ik in een ver verleden had aangesteld als beslissers over het lot van de doden. Altijd hadden ze hun werk perfect gedaan. Tot nu.
Voor de tronen stond een beeldschone, jonge vrouw. Ze had lichtblonde lokken en donkere ogen, waarin haar gevoelens weerspiegeld lagen. Angst, maar ook vastbeslotenheid en dat duistere; iets dat zelfs ik niet kon beschrijven en wat alle stervelingen hadden, eens ze mijn rijk binnen traden.
Nadat de priesters me kort hadden begroet, begonnen ze me in te lichten wat het probleem was. Hun oude, krakerige stemmen vertelden me één voor één hun versie van het verhaal. Ik knikte kort en nam toen het meisje bij de arm. Ze keek me aan zonder enige emotie in haar gezicht en ging zonder iets te zeggen met me mee. Iets dat me verraste, aangezien de anderen het enkel konden opbrengen om angstig en paniekerig in mijn buurt te zijn. Dit liet ik echter absoluut niet zien op mijn uitgestreken gezicht.
Net zoals ik nooit toe zou geven - niet aan de priesters, niet aan het meisje - dat ik me wel zorgen maakte om wat nu komen ging. Dit was nog nooit gebeurd, in de ontelbare jaren die ik nu al geleefd had. Nog nooit had iemand zijn plaats niet gevonden.

Het was simpel. Zodra je van de vloot af kwam, werd je door de priesters verteld waar je heen moest. Wie goed geleefd had, mocht naar de Elyzeese velden. Daar kon je alsnog een gelukkig bestaan leiden; het was de enige plek in het hele rijk waar een beetje licht binnen kwam en er dingen konden groeien.
Het gruwelijkste gedeelte van de Onderwereld, was de Tartaros. De plek waar alle zondenaars heen werden gestuurd, de mensen die slecht hadden geleefd of de Goden durfden uitdagen. Ze moesten niet enkel in dit treurige, donkere deel leven maar werden ook gestraft terwijl ze in de gaten werden gehouden door de Erinyen, mijn prinsessen. Zij waren mijn eigen schepping. Het waren de vrouwen die gestorven waren aan een gebroken hart. Ze waren zo verbitterd, dat ze niets anders wilden dan mensen zien lijden. Dus gaf ik hen die kans.
Als laatste was er nog de plek zonder naam en zonder hoop of vrees. Hier kwamen al de mensen die een normaal en doorsnee leven hadden. Deze plek had ik gecreëerd uit eigen bitterheid. Aangezien ik zelf nooit de genoegen van het menselijke bestaan had mogen kennen, wilde ik dat iedereen die niet alles uit zijn mensen-leven haalde, daarvoor moest boeten. Zodra je in deze plek kwam, veranderde je in een vleermuis. In mijn ogen, het meest toepasselijke dier aangezien het enkel 's nachts naar buiten kan. Zodra je veranderd was, losten al je gedachten en hersenspinsels op in de eeuwigheid, net zoals je eigen persoonlijkheid.
Maar nu, na al die jaren, was er eindelijk iets fout gegaan. Het was alsof ik erop had liggen wachten.
Ik nam het meisje mee naar mijn eigen deel. In tegenstelling tot het deel van mijn broer Zeus, was het hier donker en verlaten. Overal stonden dode, verdorde bomen, als een herinnering aan de tijd dat ze ooit in volle bloei stonden. Ik vond het perfect. Zodra ik me in het volle licht begaf, voelde ik me kwetsbaar en bekeken. Hier kon je wegkruipen zonder dat iemand het merkte. Hier kon je onzichtbaar zijn.
Zodra we in mijn vertrek aankwamen, stak ik met een zwaai van mijn hand een toorts aan en hing die aan de muur. Ik wist dat stervelingen het aangenamer vonden als ze iets konden zien en met het weinige licht van de vlammen kon ik het ook nog aan.
Ondertussen had ik nog steeds niet besloten wat ik met het meisje ging doen. Ze stond in het midden van het vertrek en volgde mijn handelingen nauwkeurig met haar ogen. Maar nog steeds lag er een doodse uitdrukking op haar gezicht, alsof het haar allemaal niet echt kon schelen. En hoewel het iets was wat me nog nooit eerder was overkomen, wist ik wat ze met me deed. Ze intrigeerde me, op een manier die voor mij volslagen onbekend was.
Ik liep stilletjes naar haar toe en liet één van mijn vingers over haar wang glijden. Er lag nog een zachtroze kleur op, weliswaar veel minder dan in haar levende jaren, maar hij was er nog steeds. Het enige bewijs dat ze werkelijk geleefd had, aangezien ik dat nergens anders van kon afleiden.
Ook mijn linkerhand belandde op haar wang. Haar huid voelde warm aan tegen mijn koude vingers, die de temperaturen onder de grond gewend waren. Terwijl ik mijn vingers naar haar nek liet afdwalen, bleef ze me aanstaren. Mijn gebroken hart klopte razendsnel tegen mijn borstkas. Aftastend, zoekend naar een afwijzing drukte ik mijn lippen tegen haar nek. Maar een afwijzing kwam er niet. Haar ademhaling was uiteraard al gestopt maar toch kon ik zweren dat ik hem kon... horen. Als een vogeltje met een gebroken vleugel, dat niets liever wilde dan ontsnappen uit zijn kooi.
Ik liet mijn handen afdwalen over haar lichaam en zuchtte. Het was de eerste keer dat ik dit kon ervaren en het zou ook de laatste zijn. Natuurlijk zou ik makkelijk iemand uit mijn Rijk kunnen pikken, maar nee. Zo lag het niet.
Toen ik me weer terug trok, lag diezelfde uitdrukking op haar gezicht. Enkel haar ogen schreeuwden haar ongemak uit. Het was dat waardoor ik uiteindelijk mijn beslissing maakte. Die doodse, koele ogen die voor het eerst een emotie toonden en me lieten zien hoe het echt zat.
Ik sloot mijn ogen, nam mijn tweetand in de hand en met één zwaai was ze verdwenen. Terug naar de stervelingen-wereld. Haar verdere keuzes zouden haar einde bepalen.
Achter mijn oogleden, in het aangename donker, zag ik hoe haar geliefde haar omarmde, het ongeloof verspreidt over zijn gezicht. Ik verbeet de plotse jaloezie.
Mijn naam was Hades, God van de onderwereld. Ik was niet gemaakt om van iemand te houden. En dat zou ik ook nooit doen. Tot het einde der tijden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here