Foto bij Aaron en Freyde - schrijfwedstrijd Merrow (2013)

Een verhaal dat al in vele vormen gegoten is, gaan jullie opnieuw herschrijven. Het draait om liefde en romantiek, om drama en tragedie… Je bent volledig vrij in het kiezen van tijd en perspectief.

Wat wordt er verwacht? We gaan een originele versie van Romeo and Juliet schrijven en proberen het cliché te doorbreken. Dus wees zo creatief mogelijk en verwerk de belangrijkste elementen van deze tragedie in je verhaal. Gebruik het aantal woorden dat je ter beschikking hebt goed, aangezien je niet voor niets zoveel woorden mag gebruiken voor je verhaal.
Je bent volledig vrij in wat je met dit cliché doet. Je kan binnen het genre zelf bepalen wat je schrijft: fantasy, oorlog, misdaad, drama, chicklit, science fiction, horror, western enzo… Je kan spelen met de elementen zelf en hier je eigen draai aangeven, maar toch de basis behouden. Wees in ieder geval zo creatief mogelijk en maak geen exacte kopie van wat al bestaat.

Wat moet erin terugkomen:
Een onmogelijke liefde tussen twee personen;
door twee rivaliserende groepen;
waarbij de twee personen elk tot een groep behoort;
en een tragisch einde tegemoet gaan.

De titel van je verhaal zijn de namen van je twee hoofdpersonages zoals bijvoorbeeld: Romeo en Julia, Bonny en Clyde, Jack en Jill.


Ik heb gekozen voor Aaron en Freyde - twee onbekende personages. Alle dingen die erin staan zijn grondig nagekeken (zoals de plaats, de tijd...)
Veel leesplezier!

Die warme zomer van 1939, werd ik onherroepelijk en onvoorwaardelijk verliefd. Het was zeker niet mijn eerste keer, maar de liefde die Aaron en ik deelden, was de meest gepassioneerde die ik tot dan toe had ervaren. We brachten bijna iedere dag met elkaar door, wilden geen tijd zonder elkaar verspillen. Onder de brandende zon leken zijn aanrakingen en vluchtige woorden me nog meer te deren dan ze normaal zouden doen.
Ik herinnerde me het nog goed; ik was pas afgestudeerd en kon niet wachten om de weide wereld in te trekken en ze te laten zien wat ik in mijn mars had. Aaron was de eerste uitdaging die op mijn pad kwam, toen ik op weg was naar de grotere steden. Enkele jaren ouder als mij, razend knap en een echte charmeur. Iemand die mijn - toen nog pure - meisjeshart liet zingen. De dag dat ook hij interesse toonde, kon ik het amper geloven.
Hoe meer ik met hem in contact kwam, hoe geweldiger ik hem vond en de weken, maanden na zijn liefdesverklaring aan mij waren de mooiste die ik ooit beleefd had.
Na die zomer, zou niets meer hetzelfde zijn.
We wisten beiden dat het eraan zat te komen, maar toch kwam de winter sneller dan we verwacht hadden. Samen met de ijskoude temperaturen en de witte sneeuw, kwamen de Duitse officieren. Zij namen Aaron mee. Ik was er van overtuigd dat ik hem enkel nog in mijn herinneringen en dromen zou zien, waarvan ik wist dat die uiteindelijk ook zouden vervagen. In de daarop volgende twee jaren, zocht ik geen enkele keer genegenheid, bij niemand. Enkel en alleen omdat ik wist dat het nooit hetzelfde zou zijn, na wat ik had ervaren. Ik dacht dat ik hem nooit meer zou zien. Tot de Duitsers voor de tweede keer aan mijn deur stonden, deze keer om mij mee te nemen. Mijn ouders waren beiden op vroege leeftijd gestorven, ik was de enigste. Waarom namen ze me mee, vraag je?
Om het simpele feit dat ik door en door Joodse was.

In de laadbak van de donkergroene truck, zat ik niet alleen. Doodsbange kinderen klemden zich aan hun moeders vast of vroegen op een klagende toon waar hun vader zich bevond. Vanaf het begin al werden de mannen en de vrouwen van elkaar gescheiden. Zelfs een kort afscheid kon er niet vanaf.
Ook in mijn hoofd kon ik de angst horen schreeuwen, maar geen enkele emotie stond op mijn gezicht te lezen. Ik zou me nooit zwak tonen, dat had ik mezelf al eerder voorgenomen.
Toen we ergens op een hobbelweg stil stonden, hoorde ik één van de officieren iets in het Duits grauwen. Ik verstond enkel de plaatsnaam in die zin en begreep meteen dat dat onze bestemming was. Enkel al de naam gaf me koude rillingen en boezemde me een grote angst in.
De uren verstreken en terwijl het nog donkerder werd achterin, spelde ik geluidloos in mezelf onze bestemming. Mijn lippen vormden met enige moeite het ruwe, Duitse woord. Auschwitz.

Uiteindelijk kwam er een einde aan de rit en werd het zeil omhoog gegooid. Ik moest even wennen aan het felle licht dat me verblindde en volgde toen de harde stemmen, de koude lucht in. Het eerste wat ik zag, waren de rode, bakstenen muren die de hele plaats omringden. Erboven lagen ijzeren draden, die zachtjes zoemden, als teken dat ze onder stroom stonden. Er waren maar twee poorten, ieder aan de zijkanten van het domein, die beiden streng bewaakt werden. Toen één van de bewakers me zag staren naar de gigantische, ijzeren poort, grijnsde hij zelfgenoegzaam en klopte kort eventjes op het geweer dat rond zijn schouder hing. Meteen wendde ik mijn blik af.
Op dat moment schoot een beeld van mijn kindertijd door mijn hoofd. De gele parkiet die zijn prachtige lied zong, zat in zijn kooi en keek me met zijn zwarte, schitterende kraaloogjes aan. Mijn vingers omklemden de tralies en bewonderend keek ik naar het kleine bekje, terwijl ik me afvroeg hoe zo'n klein vogeltje, zo'n mooi geluid kon produceren.
Ik stond er al eventjes, toen ik hoorde hoe mijn grootvader achter me kwam staan en hij zijn hand op mijn schouder legde. Hij vroeg me of ik het mooi vond, en ik knikte in volle overtuiging. De oude man bracht zijn lippen naar mijn oor en fluisterde: 'Je mag niet denken dat deze vogel zingt, meisje. Hij huilt. Hij huilt om zijn verloren vrijheid.'
Vanaf dat moment kon ik niet meer naar het gezang van de vogel luisterden en sloeg meermaals mijn handen tegen mijn oren als het weer begon. Ik smeekte mijn ouders om hem vrij te laten. Zij weigerden. Op een mooie zomeravond, stak ik mijn handen in de kooi, nam de zachte parkiet in mijn handen en liet hem los in de tuin. Zo lang mogelijk bleef ik hem met mijn ogen volgen, tot hij vervaagde en enkel nog een ster aan de hemel leek.
De wereld achter deze poorten, was mijn sterrenhemel. En ik was ervan overtuigd dat ik nooit meer het genot van zijn schoonheid zou mogen evenaren.

Voor we de cellen in werden geduwd, werden we grondig gefouilleerd. In een klein kamertje, samen met zo'n dertig andere vrouwen en kinderen, moest ik me helemaal uitkleden. Zelfs nu nog kan ik me de wellustige blikken van de officieren aan de deur herinneren. Zo snel als ik kon, schoot ik in grijs-witte pak. Horizontale strepen liepen van mijn schouders tot mijn enkels en zelfs deze deden me denken aan tralies. Later kreeg ik een gele ster op het uniform genaaid. Mijn kenteken. De joodse met de gele ster op haar linkerborst en rechterdij. Net zoals honderden anderen.
Onder de gele ster, stond een nummer. 24601. Ze spraken ons nooit aan met onze namen, maar met onze nummers. Ik voelde me een gekenmerkte slaaf in hun sadistisch spelletje.
Maar dat was ik natuurlijk ook.
Met zo'n veertig andere, geelgekleurde sterren, zat ik in een cel van zes op drie. Sommigen hadden het geluk dat ze hun kind bij zich mochten houden, anderen klemden zich vast aan de tralies, zoekend in de gangen naar een speur van hun zoon of dochter terwijl ze diens namen riepen. Meestal kwamen de officiers om het geroep te stoppen, nog voor ze een antwoord hadden gekregen. Dan sloegen die met hun knuppels tegen de tere vingers van de vrouwen en ik kan je verzekeren dat ze er toen wel mee op hielden.
's Ochtends maakten ze ons makker met een loeiharde sirene en werden de celdeuren één voor één geopend. De vrouwen en oudere kinderen werden de ene kant op gestuurd, de jongste en de ouderen een andere. De hele dag lang moesten we kapotte legeruniformen terug ineen naaien, tot onze vingers rauw aanvoelden en de prikken van de naalden erger aanvoelden dan gewoonlijk. Maar het ongemak van het werk, was niets vergeleken met het ongemak van de verdwenen groepen. Er waren dagen dat een hele cel vol met mensen, gewoon verdween. Om ze daarna nooit meer terug te zien. Een paar dagen later werd de cel opnieuw gevuld, met nieuwe mensen.
We hadden wel zo'n vermoeden waar die mensen heen gingen, maar we hielden allemaal wijselijk onze lippen toegeknepen. Niemand hier wilde zijn of haar lot onder ogen komen. En 's nachts, oh 's nachts, kwam deze onuitgesproken angsten tot leven, daar waar niemand anders dan wijzelf ze konden zien: in onze dromen.

De dagen verstreken en langzaam aan geraakte ik gewend aan het strikte patroon. Ik sloot zelfs vriendschap met één van de jongere vrouwen in mijn cel; Daniëlle. Ondanks haar gebrek aan educatie, was ze erg snugger en onze gesprekken waren voor mij kleine lichtpuntjes in de donkere dagen.
Ik zat op een avond in het midden van zo'n gesprek, toen het gebeurde. Ik zag hem. In één oogopslag herkende ik zijn donkere haren, breed postuur en lichte ogen die donkerder stonden dan ik me kon herinneren. Hij stond recht voor de tralies van mijn cel en liet zijn ogen over de lege gang dwalen.
Misschien voelde hij het gewicht van mijn blik die op hem rustte. Misschien was het gewoon toeval. Maar net op dat moment keek hij op en kruisten onze blikken. Ik zag hoe de plotse herkenning over zijn gezicht gleed en mijn adem stokte in mijn keel toen ik zijn gezicht nu helemaal zag.
Langzaam bewoog hij dichter bij de tralies en ik zag hoe hij zijn mond opende om iets te zeggen.
'Officier Cohen!' alsof hij opgeschrikt was uit een droom, keek Aaron op en antwoordde iets in het Duits dat ik niet kon verstaan. Daarna keek hij me nogmaals aan en in die blik zaten duizend vragen die ik niet kon beantwoorden. Met een paar grote stappen was hij verdwenen en kon ik mijn bonkende hart tegen mijn borstkas voelen razen en mijn onregelmatige ademhaling doen stoppen.
Die eerste keer had ik niet geweten wat ik tegen hem zou moeten zeggen. De woorden schoten me tekort, terwijl er een ontelbaar dingen waren die ik tegen hem wilde zeggen.
Maar geloof me, de woorden waren onderweg en zodra ze er waren, zou ik ze in mijn handen houden als de wolken en ze uitwringen als de regen.

De volgende ochtend waren de kringen onder mijn ogen nog groter dan gewoonlijk. De hele nacht had ik me liggen afvragen hoe Aaron hier terecht was gekomen, hoe lang hij hier al zat en, het belangrijkste, of ik ooit de kans zou kunnen krijgen om met hem te praten. Het kon me vroeger helemaal niet deren dat Aaron van Duitse afkomst was. Als ik er nu op terug keek, kon ik mijn vroegere zelf enkel jong en onwetend noemen. Maar natuurlijk had ik toen nooit gedacht dat het zo ver zou komen...
Het harde geluid van de bel doorkruiste mijn gedachten en ik ging recht staan om onze rij te vormen. Als één van de laatsten verliet ik de cel, met mijn vriendin Daniëlle voor me. Mijn broekspijpen slobberden langs mijn dunne benen terwijl ik liep en ik hield mijn ogen angstvallig neergeslagen. Elke verkeerde beweging zou een reden kunnen zijn voor de Duitsers om je neer te halen. Onbewust gleed ik af tot ik helemaal achter in de lijn liep.
Op dat moment greep iemand me bij mijn arm en een sterke hand sloot zich om mijn mond, zodat ik niet kon beginnen gillen. Ik worstelde om vrij te komen en keek met wilde ogen rond me heen.
'Hé kleine driftkikker. Ik ben het maar,' zodra ik zijn stem herkende, staakte ik mijn pogingen. Aaron trok me mee naar een klein kamertje achterin en deed de deur zorgvuldig op slot. Voor een kort moment lieten we beiden onze ogen over elkaars lichaam glijden. Het viel me op dat de groeven in zijn gezicht dieper waren geworden en dat hij een stuurse houding had. Maar hij was nog steeds wie hij was. Mijn Aaron.
Het volgende moment sloeg hij zijn armen om me heen en begroef ik mijn gezicht in zijn hals. Hij hield me zo dicht mogelijk tegen zich aan en fluisterde zacht iets onverstaanbaar. Het voelde als thuiskomen. Zonder me los te laten, vuurde hij de ene vraag de na de andere op me af. Wat er met me gebeurd was nadat de Duitse officieren hem kwam halen. Waarom ik niet gevlucht was toen het nog kon. Hoe het met me ging, of ze me iets hadden aangedaan. Ik beantwoordde ze allemaal zo grondig mogelijk en bleef ondertussen kijken naar zijn gezicht, streelde zijn wangen en nek en besefte toen hoeveel ik hem had gemist.
Pas toen we samen zo stil mogelijk naar het geluid van een sloffende voorbijganger luisterden, sloeg de werkelijkheid me in het gezicht. Alleen al het beeld van mezelf in het grijs-gestreepte gevangenispak en hij in zijn donkergroene legeruniform, onze vingers verstrengeld...
De glorie van het terugzien begon langzaam aan weg te sijpelen. Hoe zouden we ooit samen kunnen zijn? Ik denk dat Aaron meteen de twijfel op mijn gezicht zag liggen. Na al die tijd kende hij me nog steeds door en door.
'Freyde...' zei hij zacht. Ik sloot mijn ogen. Het was al zo lang geleden dat iemand op die manier mijn naam had gezegd, uitgesproken op zo'n tedere en liefdevolle manier.
'Dit kan niet,' begon ik, mijn stem niets meer dan een fluistering. Ik bezat de kracht om dit te zeggen helemaal niet meer, maar één van ons moest het doen. 'Ik kan dit niet doen. Ik kan me niet laten meeslepen, niet opnieuw.'
Aaron zei niets maar legde zijn voorhoofd tegen dat van mij, waarna zijn vingers als zachte regendruppels langs mijn nek gingen.
'Ik heb nooit gestopt met van je te houden Freyde. Ik denk nog iedere nacht aan je. Kijk me in de ogen en zeg me dat je niet van me houdt. Dan zal ik je laten gaan, dat beloof ik.'
Ik sloeg enkel mijn ogen neer en schudde mijn hoofd. Vanuit mijn ooghoeken zag ik hoe een glimlachje zich verspreidde over Aaron's gezicht.
'Wel dan. Er zal nooit iemand op deze aardbol rondlopen die evenveel van je houdt als ik, dat weet je. We vinden wel een uitweg, we komen hier uit. Al is dat het laatste wat ik doe.'
Daarna omhelsde hij me voor een laatste keer en zorgde ervoor dat ik ongezien terug op mijn werkplek kon geraken. Daniëlle, die aan de andere kant van de zaal zat, keek me vragend aan. Ik maakte teken dat ik het haar later zou uitleggen. Maar ook de vrouwen aan mijn tafel konden het niet laten om af en toe een nieuwsgierige blik op me te werpen. Het kon me niet eens schelen. Zelfs ik wist dat het opvallend was, een gelukzalige uitdrukking was uiterst zeldzaam hier. Toch kon ik het niet laten; soms gleden mijn mondhoeken onbewust omhoog tot een kleine glimlach en mijn donkergroene ogen schitterden als nooit tevoren.

De weken die daarop volgden waren hemels in vergelijking met de hel die ik ervoor had moeten doorstaan. De grove opmerkingen en slagen die ik moest incasseren, vervaagden zodra ik bij Aaron was. Zijn lieve woordjes deden me datgene vergeten wat ik vroeger niet kon vergeten.
Toen ik na een lange werkdag me op mijn slaapplank liet vallen, die ik samen met Daniëlle deelde, merkte ik een klein, vierkantje op dat tussen het hout stak. Zodra er niemand naar me keek, haalde ik het ertussen uit. Meteen herkende ik Aaron's kriebelige handschrift en de vier korte zinnen maakte me dolgelukkig;
Morgen komt er een nieuwe groep mensen binnen. We maken gebruik van de verwarring. Zo snel als de kans zich voordoet, kom ik je halen. Morgen zijn we vrij.
De hele nacht lang hield ik het kleine papiertje in mijn hand gedrukt en viel voor de eerste keer met een gerust gevoel in slaap.

Zoals wel vaker in de hele twee maanden die ik hier had doorgebracht, werd ik voor het belsignaal wakker. Wetende dat ik nooit meer mijn cel zou zien na deze ochtend, keek ik er nog eens goed naar terwijl ik rechtop ging zitten. Sommigen van de vrouwen zou ik werkelijk gaan missen. Er zaten er zoveel bij die ik maar al te graag buiten deze omstandigheden had willen leren kennen. Ook van de kleintjes was ik beginnen houden. Hun onschuldige gezichtjes en verhalen, die ze nooit beu werden. De onmenselijke behandelingen hier hadden ons dichter bij elkaar gebracht dan andere omstandigheden ooit zouden kunnen.
Mijn blik gleed naar Daniëlle, die naast me lag. Ik had haar gesmeekt om met me mee te komen, maar ze weigerde.
'Naar wie zou ik moeten gaan Freyde? Heel mijn familie zit hier. Ik heb geen leven meer buiten deze muren. Dat hebben ze al lang geleden van me afgepakt,' waren haar exacte woorden. Haar zou ik het meest van ze allemaal missen.
Van bezittingen had ik enkel het kleine strookje papier, dat ik door slikte. Zodra iemand het zou vinden, zouden Aaron en ik gepakt kunnen worden.
Net op dat moment klonk het rinkelende geluid van de bel door de gangen. Meteen stond ik recht en ging voor de tralies staan.
Zodra de celdeur aan de overkant open ging, wist ik dat er iets mis was. Onze deur ging altijd als eerste open. Waarom nu niet? In mijn impulsiviteit, riep ik mijn vraag naar de officier die een eindje verder stond.
'Das planen sein geändert,' zei hij enkel. De plannen zijn veranderd. Snel liep ik naar Daniëlle en in haar ogen zag ik datgene wat ik niet wilde zien. Paniek, angst en de stille zekerheid van het einde.
Eén voor één werden de cellen geleegd, tot wij de enigste waren die over bleven. Met heel wat lawaai schoof toen ook onze deur open en vormden we bijna automatisch een rij. Je kon de spanning die tussen ons hing, bijna voelen.
'Elke groep mag één keer in de maand een douche nemen, dat weten jullie,' zei één van de sergeanten. 'Dit keer is het jullie beurt.' Meteen ging er een golf van opluchting door de groep. We hadden inderdaad vorige maand ook een douche mogen nemen, net zoals de andere groepen. Heel wat opgewekter liep de groep naar buiten. Toch kon ik een gevoel van ongemak niet onderdrukken. We mochten toch enkel 's avonds douchen, wanneer al het warme water opgebruikt was?
Eenmaal buiten merkte ik ineens dat er een officier naast me kwam lopen. Ik herkende het ritme van zijn stappen en zijn grootte. Zou dit het moment zijn? Zou hij me nu meenemen naar buiten? Toen ik naar links keek, zag ik de tranen in Aaron's ogen glinsteren. Hij schudde bijna onopgemerkt zijn hoofd. Mijn hart sloeg een tel over. Wat ging er met ons gebeuren?
We werden allemaal in een grote ruimte geduwd, waar honderden kapstokken hingen. Een groepje mannen stond aan de andere kant, overduidelijk ook Joden. Ik hoorde sommige vrouwen een kreetje slaken bij het weerzien van een bekende.
De officier brulde dat we ons moesten uitkleden en direct begon ik mijn uniform af te stropen. Naast me zag ik Aaron hetzelfde doen en ik keek hem vragend aan. Hij reageerde niet maar ik zag wel hoe hij meermaals een zenuwachtige blik op de andere cipiers wierp. Die hadden -dankzij de grote groep en de beweging erin- niets door. Er waren drie verschillende ruimtes. In ons ondergoed, werden we met zo'n twintig personen een kamer ingeduwd. Hij leek in niets op de doucheruimte die ik een maand geleden had gezien.
De deuren werden gesloten.
'Ik hoorde deze ochtend dat jullie cel aan de beurt was. Er was geen tijd om je op te halen, zonder dat iemand ons zou zien.' Zijn woorden sloegen in mijn gezicht. 'Een leven zonder jou is ondenkbaar,' zei Aaron tegen me. 'Het spijt me.' Ik knikte. Ik begreep het. We hoorden een piepend geluid als teken dat de kranen werden open gezet. Alleen kwam er geen vloeibaar water uit. Een paar vrouwen begonnen te gillen toen het besef binnen begon te druipen. Dit was het einde.
In het midden van alles, sloeg ik mijn armen rond Aaron heen. Ik sloot mijn ogen en probeerde de rest buiten te sluiten, zodat ik me enkel bewust was van hem. 'Ik houd van je,' zei ik zacht.
'Ik houd ook van jou, liefste.'
Voor de eerste keer in al die tijd, gleed er een traan over mijn wang.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here