Foto bij Wacht op me - schrijfwedstrijd Vasthon en Sugglet (2014)

Schrijfwedstrijd Vashton & Sugglet, opdracht 1:
De deelnemers kiezen een willekeurig getal van één tot en met vijftien. Achter dit getal zit een Quote.
Aan de hand van deze Quote moeten de deelnemers een one shot maken van minstens 500 en maximun 1500 woorden waarin de quote terug moet komen.
De opdracht wordt in het Nederlands geschreven.
Ik kreeg de quote 'to be or not to be'


To be or not to be, that is the question;
Whether 'tis nobler in the mind to suffer
The slings and arrows of outrageous fortune,
Or to take arms against a sea of troubles,
And by opposing, end them.'

Oftewel, vrij vertaald:
De vraag is: is het beter om te leven dan wel dood te zijn?
Is het nobeler om geduldig alle onheil te ondergaan die het lot je toewerpt
of valt het te verkiezen om de strijd tegen alle zorgen te beëindigen door gewoon jezelf te doden?


Ik heb er bewust voor gekozen om eerst VT, dan TT en dan weer VT te gebruiken aangezien ik het verleden inga ^^ veel leesplezier!

Wacht op me

Traag strijk ik met mijn vingers over het dekbed. De avondzon hult met haar stralen de slaapkamer in een goudgele gloed en zorgt voor een aangename warmte. Ik sluit mijn ogen en kruip onder de dekens. De plotse donker past zoveel beter bij mijn gevoel en langzaam hef ik mijn benen omhoog, zodat ik ineen gekruld mijn hoofd in mijn armen kan leggen.
Zo, helemaal afgesloten van alles wat er rond me is, kan ik eindelijk laten gaan wat ik al die tijd heb opgekropt. Eén voor een lopen de tranen over mijn wangen en laten een nat spoor achter op mijn kussen. Geluidloze snikken glijden zonder enige moeite over mijn lippen. 'God, Pénelope', gaat het door mijn hoofd, 'ik mis je zo.'

Ze was dat ene meisje dat je nooit meer vergeet, eens je ze in je hart binnen laat. Het maakt niet uit hoeveel andere meisjes erna de revue passeren, hoeveel anderen je de liefde betuigen, hoeveel lippen de jouwe kruisen. Uiteindelijk zal je hart altijd uitgaan naar haar.
Haar naam was Pénelope en in onze ontmoetingsjaren was ze mijn beste vriendin. Ze woonde een dorp verder, maar onze ouders waren erg goed bevriend waardoor we bijna hele zomers bij elkaar doorbrachten. We verkenden elkanders buurt, maakten kampen in het bos en kwamen dan meermaals met geschaafde knieën en schitterende glimlachen weer naar huis. Ik herinner me nog goed hoe ze haar donkerblonde haren in twee vlechtjes hield en haar jukbeenderen bezaaid waren met wel honderd zomersproetjes. Bij die plezierige momenten hoorden ook de onbeduidende ruzietjes, die nooit langer dan een week duurden. Toen ik eindelijk de leeftijd van acht had bereikt, lachte ze me uit met haar jaartje ouder. Maar op het einde van de avond was zij het wel die me met ernstige ogen zei: 'Binnen honderd jaar zijn we nog steeds vrienden, toch?' waarna ze me liet zweren dat ik dat plechtig beloofde.
Ze was mijn speelkameraadje, mijn allerbeste vriendinnetje. Maar de jaren verstreken en de eens zo hechte vriendschap vervaagde. Als de trotse jongen die ik werd, ging ik meer streken uithalen samen met de anderen. We gooiden stenen over het water, belde aan bij deuren om dan keihard weg te rennen en riepen niet-zo-onschuldige dingen naar de meisjes, die ons ineens veel meer interesseerden dan jaren ervoor.
Ik had nog steeds goede herinneringen aan mijn jeugdzomers maar langer dan enkele minuten bleven mijn gedachten nooit meer bij mijn vriendinnetje hangen.
Tot ik haar terug zag. Het was de herfst van 1952 en mijn toenmalige beste vriend Lucas en ik zaten op een bankje op het dorpsplein. Een groep giechelende meisjes liep voorbij en bijna vanzelf scandeerden mijn ogen hun uiterlijk. Eén meisje trok mijn aandacht, meer dan de anderen. Er was iets in haar gezicht dat me een vreemd déja-vu gevoel gaf.
Met een kleine schok kwam het antwoord. Ze droeg haar blonde haren niet langer in vlechtjes, maar de honderden sproeten lagen nog steeds op hun plek. Ze schaterlachte en onwillekeurig gleden ook mijn mondhoeken een beetje omhoog. Mijn gestaar moest haar blik hebben getrokken want ineens keek ze op. Ook bij haar zag ik hoe langzaamaan de herkenning over haar gezicht gleed. Ze zwaaide, zei iets tegen het groepje kwebbelende meisjes en liep toen gestaag richting het bankje.
Enkele zinnen, dat was alles wat nodig was. We maakten een afspraak voor de volgende dag, beiden vastbesloten om meer te weten te komen over de andere. Het eerste afspraakje in een reeks van velen.

Wanneer ik bij Pénelope was, leken de woorden als vanzelf over mijn lippen te gaan. De jaren hadden zowel mij als haar veranderd; ze had nog steeds dat jeugdige enthousiasme maar de elegantie en lieflijkheid die in haar bewegingen was gekropen, was compleet nieuw voor me. Ze vertelde honderduit over haar school, vrienden en bezigheden en ik kon niet anders dan met hetzelfde enthousiasme over mijn leven te vertellen.
Het leek haast onmogelijk, maar langzaamaan verdwenen alle ongemakkelijkheden tussen ons als sneeuw voor de zon. Als ik op mijn vrije dagen maar weer eens voor haar stoep stond, voelde dit als vanouds.
Maar toch... toch was het niet helemaal hetzelfde. Als ik haar deed lachen, legde ze iedere keer voor een kort momentje haar hand op die van mij. Het waren vluchtige aanrakingen, een vinger die per ongeluk langs haar arm streek, een lok haar die dringend uit haar gezicht weg moest.... en toch leek het iedere keer alsof mijn hart een tel stil bleef staan.
Als ik haar aankeek, vluchtten haar ogen niet meer weg zoals ze voordien hadden gedaan. Ze bleven even bij die van mij hangen en spraken boekdelen. Pénélope was nooit goed geweest in het verstoppen van haar emoties en door de jaren heen had ze deze eigenschap ook niet opgepikt. Het duurde dus maar een aantal weken voor het ik het glashelder op haar gezicht kon lezen: ook zij had zich nog nooit op deze manier gevoeld.
Beiden te verlegen om er iets van te zeggen, kroop de tijd voorbij. Pas toen de eerste sneeuwvlokken van dat jaar op ons neerdaalden en ze me met blozende wangen aankeek, wist ik dat ik niet langer kon wachten. Toen ik zachtjes maar onzeker mijn lippen op de hare drukten, voelde ik mijn hart zware overtoeren maken. Ik dacht aan al de jaren waarin ik haar had laten gaan en vervloekte mezelf. Ze hoorde bij mij, dat zou me al veel langer duidelijk moeten zijn. Maar nu was ik vastbesloten: ik zou haar nooit meer laten gaan.

Ik weet nog hoe de dokter, de man met zijn duizend woorden, even sprakeloos was en één van de meest bekende schrijvers ooit moest citeren. 'De vraag is: is het beter om te leven dan wel dood te zijn?' zei hij op zachte toon, waarna zijn ogen naar het ziekenhuisbed gleden. Haar handen, die in de loop der tijd diepe groeven hadden gekregen, lagen ineen gekruist bovenop de lakens. Haar ogen waren gesloten, haar gezicht zo wit als de kamer rond haar. Ik kromde mijn vingers in een vuist om het trillen te doen stoppen.
'Ze lijdt, Oscar, dat weet jij ook. Zodra jij toestemt, kan ze met vrede gaan. Soms moet je leren loslaten.' Ik sloot mijn ogen en schudde mijn hoofd, verbitterd. Naast me hoorde ik hoe de arts bijna onopmerkbaar zuchtte. 'Denk er alsjeblieft over na.'
Zodra zijn voetstappen doorklonken in de gang, liet ik me in de stoel naast het bed zakken. Ik pakte Pénelope's hand vast en streelde met mijn duim over haar trouwring.
'Hij heeft gelijk, ik weet het' zei ik hardop, 'maar ik heb het je beloofd, weet je nog? Tot we honderd werden...' Ik zuchtte diep en wetende wat me te wachten stond, liet ik mijn ogen zorgvuldig over het gezicht van mijn echtgenote lopen. De kraaienpootjes in de hoeken van haar ogen, haar blonde haren die al eventjes lichtjes grijs begonnen te vertonen, haar spitse neus... ik hield van elk klein deeltje dat haar toebehoorde en daar zou ik ook nooit mee ophouden. Een lichte kreun ontsnapte uit mijn mond toen ik merkte hoeveel moeite me het kostte om op te staan en me over haar heen te buigen.
'Bedankt om samen met me oud te worden liefste,' zei ik zacht, waarna ik een klein kusje op haar voorhoofd plantte. Daarna wandelde ik de kamer uit, op weg naar de arts, mezelf niet toelatend om een laatste blik te werpen op de vrouw van wie ik zoveel hield.

Verscheurd door deze herinnering, lijkt de blok in mijn maag eventjes ondraaglijk groot te worden. Ze is weg; mijn maatje, mijn beste vriendin, de persoon van wie ik het allermeeste houd.
Ik stop alle herinneringen zo ver mogelijk weg, maar eentje laat zich niet verdringen. Het is de stem van de arts die Shakespeare citeerde. Me de tekst herinnerend, voeg ik zelf de volgende zinnen al fluisterend toe: 'Is het nobeler om geduldig alle onheil te ondergaan die het lot je toewerpt? Of valt het te verkiezen om de strijd tegen alle zorgen te beëindigen door gewoon jezelf te doden?'
Op dat moment wordt het me allemaal duidelijk. Ik wil de onheil die het lot me in de schoot heeft geworpen, niet ondergaan. Ik wil niet door dit leven stappen zonder de vrouw van wie ik dacht dat ze altijd naast me zou lopen.
Ik hef mezelf uit het bed. De koude badkamertegels onder mijn blote voeten laten me huiveren en de schim die me in de spiegel aankijkt, is haast onherkenbaar.
In het kastje boven de lavabo vind ik precies wat ik zoek. Eén, twee, drie pillen teveel. Dat zou het moeten doen. Met kleine stapjes loop ik terug naar de slaapkamer en laat mijn hoofd voor een laatste keer op haar kussen zakken. Het ruikt nog steeds naar een mooie belofte op een schitterende zomerdag. Samen honderd jaar...
'Ik zie je snel lieverd,' zeg ik zachtjes en slik de pillen door. 'Wacht op me.'

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here