Foto bij Eén van ons - FanFiction schrijfwedstrijd


Opdracht:
Na een lange tijd in coma gelegen te hebben wordt je hoofdpersonage wakker in een compleet andere wereld - de plaats waar hij of zij wakker wordt, maakt niet uit; het kan een ziekenhuisbed zijn, of misschien een bos, of op een compleet andere plaats. Hij of zij weet niks meer van zijn of haar vorige leven en komt al meteen voor een heleboel gevaren te staan. Hij/zij is namelijk belandt in een heuse apocalyps.

Wat voor apocalyps? zou je je dan afvragen. Wel, die vraag mag je helemaal zelf invullen. Wil jij zombies?** Dan komen er zombies. Wil jij vreemde aliens die de mensheid willen uitmoorden? Dan krijg jij vreemde aliens die de mensheid willen uitmoorden.

En, om het extra uitdagend te maken, is er ook één wapen dat centraal zal komen te staan in jouw verhaal. Het is namelijk het belangrijkste wapen dat jouw hoofdpersonage heeft. Zonder dat wapen, is hij of zij weerloos. Hoeveel keer dit wapen zijn/haar leven hiervoor al heeft gered, doet er niet echt toe. Maar één ding is zeker: nu zal hij/zij zeker gered worden door dat wapen - of net helemaal niet?

Ik opende mijn ogen en werd verblind door het felle licht van de lampen boven me. Mijn mond voelde enorm droog en een doffe hoofdpijn zinderde op de achtergrond. Waar was ik? Wat was er aan de hand? Ik kreunde en legde moeizaam mijn hand op mijn voorhoofd, die erg klam aanvoelde. Het moment dat ik die beweging maakte, haakte een klein cameratje los van het plafond en vloog traag op me af. Een dunne lichtstraal ging over mijn lichaam, van top tot teen.
'Scan complete,' klonk de camera - scanner blijkbaar -, waarop die terug naar het plafond vloog. Het moment dat hij terug inklikte, schoof er een enorm scherm omhoog bij mijn voeten.
Schuchter kroop ik tegen het hoofdeinde van mijn bed en omklemde het deken, alsof die me enige bescherming kon bieden. Er verscheen een grijsharige man op het scherm, die achter een breed bureau zat. Achter zijn hoofd zag ik het embleem van een organisatie die ik vaag herkende: Human Liberation Front. De man schraapte zijn keel.
'Dag beste persoon, wie je ook moge zijn. Als eerste wil ik je gerust stellen: je bent compleet veilig. Ook al heb je geen idee wie je bent of waar je zit, weet dat er niets of niemand op dit moment bij je kan komen.' De glimlach op zijn gezicht, die hoogstwaarschijnlijk als geruststellend moest aanvoelen, bezorgde me rillingen.
'Ten tweede weet ik dat je antwoorden wil en ik ben degene die je ze kan geven. Het zit zo: de mensheid is al jaren op zoek naar het middel om onze aarde te redden van de vervuiling. Als we niet snel iets deden, zou onze planeet het begeven en zouden onze kinderen geen toekomst meer hebben.'
Een herinnering schoot door mijn hoofd. Het mondlapje dat we altijd aan moesten zodra we naar buiten gingen en de asgrauwe lucht boven ons die steeds voor een muffe sfeer zorgde. Ik hoorde het constante gekuch van de kinderen in de buurt, die speelden met de enorme vuilnishopen langs de kant van de weg.
'Wij, binnen het Human Liberation Front, dachten de oplossing gevonden te hebben. Maar we hadden het mis.' Zijn uitdrukking werd somber. 'We hadden het middel zorgvuldig getest, maar zodra het in contact kwam met het rioolwater, veranderde de samenstelling. Mensen dronken ervan en voor we begrepen wat er gebeurde, was het te laat. Sommigen vielen meteen dood neer, anderen geraakten in een coma en een ander deel verloor hun verstand. Het feit dat jij leeft, betekent dat er nog hoop is. We willen je dan ook graag uit de stad halen en hopen dat je ons komt vervoegen in het enige zuivere plekje dat nog rest.'
De man veranderde van positie, waardoor hij meteen een stuk zakelijker overkwam. 'Het enige wat je moet doen, is ons laten weten dat je nog leeft en dat je nog capabel bent om te functioneren. Natuurlijk zal dit niet zomaar gaan. We hebben bovenaan de trappen van het gemeentehuis een knop geplaatst. Zodra je die indrukt, zullen de deuren van het gemeentehuis open gaan en zal je worden opgehaald.'
Een andere herinnering sloop naar binnen. Het was het beeld van het gemeentehuis waar de man over sprak, groot en statuesk. Ik was daar ooit geweest voor de trouw van mijn ouders. Mijn ouders... wie waren mijn ouders?
De video verbrak mijn gepeins. 'We hopen van ganser harte dat je ons zal vervoegen, zodat we samen naar een oplossing kunnen zoeken. Tot snel en... veel succes.' Met dezelfde gemaakte glimlach zwaaide de man naar de camera en verdween hij.
Een beetje verdwaasd bleef ik naar het scherm staren. Ik pijnigde mijn brein door te zoeken naar een teken van herkenning, wie ik of mijn familie was, waar ik vandaan kwam, maar het verleden bleek een groot zwart gat. Ook de kamer waar ik me in bevond kon geen informatie geven; hij was volledig leeg op het bed, de deur en het scherm na. Ik besefte dat er maar één ding was dat ik kon doen: naar het gemeentehuis gaan, op zoek naar antwoorden.
Het moment dat ik uit het bed stapte, schoof een enorme wand links van me open. Daar vond ik een goed gevulde kledingkast, met verschillende stukken in verschillende maten. Rechts lagen meerdere wapens, die me allemaal angst aanjaagden. Zonder een blik op de wapens te werpen, koos ik uiteindelijk voor een comfortabele broek, t-shirt en een dik leder vest. Ik liep al richting de deur tot ik besefte dat die wapens er niet voor niets zouden liggen. Dus greep ik op het laatste moment nog een klein zwaard mee, even lang als mijn onderarm, die rond het middel van mijn broek kon hangen zonder dat hij me stoorde. Hierop liep ik door de deur de dompige lucht in.
Vaagjes herkende ik waar ik was. Ik zat in het stadscentrum, niet veel verder van het dorpsplein en mijn doel: het gemeentehuis. Ik volgde het gevoel vanuit mijn onderbewuste om naar rechts te gaan en liep langs verlaten straten en winkeltjes. Nieuwsgierig keek ik ergens door de half afgescheurde rolluiken naar binnen. Als een bliksemschicht sloeg de herinnering binnen. Een houten toonbank, het warme licht van de kroonluchter en de geur van vers gebakken brood. Dit was de bakker waar we altijd naar toe gingen. De ruiten waren ingeslagen en de broodplanken hingen scheef tegen de muur, maar toch wist ik het zeker. Ik kon bijna voelen hoe ik in de rij stond, het kleingeld in mijn ene hand en in de andere... de kleine hand van mijn broertje.
Mijn broertje? Had ik een broertje? Ik kon me zo herinneren dat er iemand naast me stond, maar als ik hem probeerde te herinneren, zag ik enkel een leeg gezicht. Onherkenbaar.
Ik schudde het plotse, griezelige gevoel van me af en liep verder naar het stadsplein. Ik was me plots veel meer bewust van mijn omgeving, die me rillingen bezorgde. Om mijn gedachten af te leiden, focuste ik me op de bergen vuilnis langs de straten. Ik herkende de lege blikken voedsel en zag hier en daar wat verdorde etensresten. Ik stopte meteen toen ik de vormen van een mensenlichaam begon te herkennen bovenop de vuilniszakken en liep nog wat sneller door.
Uiteindelijk kwam ik uit op een cirkelvormig plein, met in het midden een fontein waar al lang geen water meer door kwam. Recht voor me zag ik het gemeentehuis opdoemen en ik meende een pilaar te zien staan. Zou daar de knop zijn die me naar de beschaving zou brengen?
Op dat moment hoorde ik het. Een zachte, krakende stem. 'E-Elizabeth?' Met een ruk draaide ik me om. Daar stond een vrouw van middelbare leeftijd. Haar gezicht en armen zaten vol vuile strepen en haar ogen stonden wild in haar diepe oogkassen. Haar gezicht was zo mager dat het meer op een schedel van een skelet leek.
'Ben jij het echt?' kraakte ze.
Ik schudde mijn hoofd. 'Ik weet niet wie ik ben,' zei ik afwerend, waarop ik me omdraaide en aanstalten maakte om verder te lopen. 'Maar ik moet nu gaan, ik-'
'Je bent mijn dochter Elizabeth.' Abrupt stopte ik. 'Je bent mijn dochter. Ik dacht dat ik je voorgoed kwijt was. Maar je bent het echt.' Toen ik me omdraaide, zag ik hoe de vrouw haar gele tanden bloot lachte. Ze opende haar armen.
'Dat kan niet. Als je mijn moeder was, zou ik je toch moeten herkennen?'
'Ach lieverd, je bent gewoon in de war. Ik ben het echt.' Ze liet haar armen weer zakken, teleurgesteld. 'Geloof je me dan niet? Je vader loopt hier ook ergens rond. We hebben je zo gemist.'
Ik schudde mijn hoofd. 'Nee, je liegt.'
'Waarom zou ik tegen je liegen? Kom, we gaan je vader halen en dan zijn we terug een gezinnetje. Zoals het altijd al is geweest, met z'n drietjes.'
Ik voelde hoe mijn hart tegen mijn borstkas bonsde en mijn hand ging bijna vanzelf omhoog, richting het zwaard rond mijn middel. 'Met drie? Ik had een broertje. Zijn naam was Lucas, hij was tien.' Ik had geen idee waar ik die informatie vandaan haalde, maar ik wist wel zeker dat het juist was.
De vrouw fronste haar wenkbrauwen. 'Dat is niet waar, je bent van mij.' Ze greep mijn arm vast en trok me naar zich toe. 'Je bent van mij, hoor je dat. Eén van ons.' Ik wilde me weg trekken maar de vrouw was verrassend sterk. Haar handen klemden ijzersterk rond mijn pols, er was niets dat ik kon doen. Behalve... Met een zwaai trok ik het zwaard uit zijn schede.
'Laat me gaan,' gromde ik. 'Nu.' Op dat moment zag ik hoe er meerdere mensen - wezens - zoals de vrouw op ons afliepen. Allemaal op hun hoede, allemaal met dezelfde wilde ogen die op mij gericht waren.
'Eén van ons,' zei de vrouw weer, waarom ze me richting de groep trok. Ik keek achter me, de sokkel zo dichtbij. Ik had geen idee hoe snel ze konden lopen, maar ik moest er geraken, dat moest.
Met mijn ogen dicht geknepen en mijn tanden op elkaar geklemd, hief ik het zwaard op en liet het met al mijn kracht neerkomen op de vrouw. Ze gilde en liet me voor enkele seconden gaan, waardoor ik me los rukte en richting het gemeentehuis sprintte.
'Ga achter haar aan!' Klonk de schelle stem van de vrouw. Zo snel als mijn benen me konden dragen, rende ik naar het gemeentehuis. Toen ik bij de trappen aankwam, voelde ik hoe iemand mijn enkel vast nam en ik met een bons op de grond viel. Het was een man met net zo'n ingevallen gezicht als de vrouw. 'Eén van ons,' gromde hij.
Met het zwaard maaide ik om me heen, zonder een idee te hebben hoe ik het echt moest gebruiken. Het paarsige bloed van de man spatte op mijn vest en ik hoorde hem gorgelende geluiden maakte, terwijl ik mezelf weer opraapte en richting de sokkel liep. Daar stond een grijzig scherm, dat ik meteen herkende als een handlezer. Ik legde mijn hand erop, waarop de glazen sokkel openging en de rode knop onthulde. In mijn ooghoeken zag ik de menigte bij de trappen komen en hoopte met heel mijn hart dat de deuren van het gemeentehuis meteen zouden sluiten als ik binnen was. Ik drukte op de knop en... er gebeurde helemaal niets.
Mijn ademhaling gleed gejaagd over mijn lippen terwijl ik opnieuw en opnieuw de knop indrukte. Ik rende naar de deuren van het gemeentehuis, maar die bewogen geen millimeter en de menigte kwam steeds dichter. Ik liet me tegen de deur aanzakken, wetende dat ik ze nooit allemaal tegelijk zou aankunnen. Ik sloot mijn ogen en liet de allesoverheersende paniek me overspoelen. Dit zou mijn dood worden.


Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen

Add Your Banner Here