Foto bij Tylwyth - FanFiction schrijfwedstrijd

Opdracht:
De finaleopdracht zelf is vrij simpel: schrijf een verhaal waarbij sciencefiction en fantasy elkaar ontmoeten; het verhaal moet dus beide genres bevatten.

Daarnaast krijgt ieder van jullie een bepaald 'thema' toegewezen waar jullie rond mogen schrijven. Om het lekker spannend te maken, passen we hetzelfde systeem toe als bij opdracht drie. Jullie hebben de keuze uit tien getallen, en achter ieder getal schuilt een (heel erg leuk) thema. Dus, laat het kiezen beginnen!


Ik kreeg het thema: een cactus - je beste vriend.
Het is een langer verhaal, dus veel leesplezier ^^

De zon scheen die dag hoog aan de hemel. De temperaturen liepen op naar veertig graden en de geautomatiseerde airconditioning in ieders huis draaide onvermoeid. Er was op zo'n dagen maar één plaats waar ik mijn tijd door wilde brengen: de tuin, achterin het huis.
De glazen schuifdeuren schoven vanzelf uiteen toen ze me voelden aankomen en het koude briesje verwelkomde me. Hoewel er een glazen koepel over de tuin hing - tegen de giftige stoffen die zich verspreidden in ons district - voelde het er aangenaam fris, dankzij de nieuwste snuifjes die vader onlangs in huis had gehaald. Ik liep langs het rozenperk van diezelfde persoon en de moestuin van mijn moeder, waar ze experimenteerde op verschillende gemuteerde groenten. Tomaten in de vorm van aubergines, sla met de smaak van komkommer,... dankzij de nieuwste zaadjes kon het allemaal.
Ik liep door tot helemaal achterin de tuin, waar ik mijn eigen stukje grond had gekregen. Veel stond er niet in; een aantal bloemen die iedere dag water kregen door de gemechaniseerde regenwolk, een klein pompoenplantje dat maar niet wou groeien en... de trots van mijn kleine tuintje. In het midden van het veld stond hij: mijn cactus. Hij was niet erg groot maar ik had hem al sinds mijn geboorte, aangezien mijn ouders hem rond diezelfde tijd geplant hadden. Ik had niet veel vrienden in de omgeving en om één of andere reden bracht dit kleine plantje me heel wat troost. Ik maakte er dan ook een zaak van minstens drie keer per week te komen kijken hoe hij het deed. Nu zag ik dat door de warmte enorme bloemen rond zijn stekels groeiden, gericht naar de zon achter de koepel.
Hoewel de regenwolk hem meer dan genoeg water zou geven, pakte ik mijn eigen gieter en vulde het met ijskoud water en een klein zakje dat ik gekregen had van mijn nonkel, de wetenschapper. Hij zei dat de substantie mijn cactus nog meer zou doen groeien en tot nog toe had hij gelijk.
Terwijl ik zorgzaam het water over mijn cactus liet vallen, merkte ik op dat er een gelachtige substantie langs de stekels liep. Dit had ik nog nooit eerder gezien, dus het moest wel door de inhoud van het zakje komen.
Bedachtzaam schraapte ik het sap bijeen op mijn vinger en bracht het impulsief naar mijn mond. Het smaakte een beetje zoals honing, als ik mijn moeder moest geloven. De bijen waren al sinds het jaar 3065 uitgestorven maar iedere keer als we iets zoets aten, bracht ze uit 'dat moet smaken zoals de honing van vroeger!'
Een laatste keer liet ik mijn ogen tevreden over het tuintje glijden, waarna ik opstond en richting de glazen deuren liep. Maar plots begon de wereld te draaien en voelde ik een enorme misselijkheid over me heen walsen. Het zweet brak me uit en ik zakte op mijn knieën. Wat was er aan de hand? De duizeligheid nam de bovenhand en ik smakte met mijn gezicht tegen de grond. Alles werd zwart.

Nog steeds verdwaasd opende ik mijn ogen in een fel verlichte ruimte. Door de immens grote ramen zag ik de nacht en schudde verward mijn hoofd. Waar was ik? Hoe lang was ik bewusteloos geweest?
'Je bent wakker!' hoorde ik een opgewonden stem zeggen. Ik draaide me om en daar stond de mooiste vrouw die ik ooit had gezien. Ze had grote, amandelvormige ogen en lang, wit haar dat achter haar puntvormige oren stak. Ze stak haar hand naar me uit en hielp me uit het zachte bed.
'Waar ben ik?' vroeg ik met een schorre stem.
'In ons koninkrijk,' zei de vrouw met een verrassend lichte stem. 'Je bent in Tylwyth. We hebben erg lang op je gewacht.'
'Op mij? Hoezo?'
'Je bent gezonden om ons te helpen, net zoals de profetie zei. Wat zijn we blij dat je er bent!' Hoe meer de vrouw zei, hoe meer het me begon te duizelen. Ik snapte er geen snars van. 'Welke profetie? Wat bedoelt u?' Voor een kort moment leek er een teleurstellende blik in haar ogen te liggen, maar het was weer weg voor ik hem helemaal kon vatten.
'Er is ons verteld geweest dat in tijden van hoge nood, een vreemdeling uit een ver land ons zou komen redden. Ons land heeft nooit een groter gevaar gekend dan nu en jij bent inderdaad een vreemdeling. Dit kan geen toeval zijn.' Ik fronste mijn wenkbrauwen en ging iets rechter zitten, plots nieuwsgierig.
'Over welk gevaar hebben we het hier?'
De vrouw wees naar de grote kaart die op de muur hing, duidelijk een landkaart. Boven de linkerhelft van de kaart stond Eleodwyn, boven de rechter stond Odor.
'Mijn broer Odor heerste over het rechtse deel, ik over het linkse,' zei de vrouw - duidelijk Eleodwyn genaamd. 'We konden altijd erg goed opschieten, Odor en ik. Maar hij is een aantal jaar geleden uit mijn handen geslipt. Sinds zijn dood heeft de duisternis zijn deel van het land opgeslokt. De wezens die er leven zijn donker, slecht maar zolang ze niemand kwaad deden, liet ik ze hun gang gaan. Dit kan ik echter niet onopgemerkt voorbij laten gaan.'
Ze zuchtte en ging recht staan, duidelijk gespannen. 'Ze hebben een drakenei.'
Mijn ogen werden groot. 'Wacht wat? Dràken?' Ze knikte. 'Draken zijn al eeuwenlang deel van ons land. Ze vormen ons, net zoals wij hen vormen. Maar nu hebben de wezens een drakenei gestolen en we moeten het terug hebben, koste wat het kost.'
Ik probeerde al die informatie op een rijtje te zetten. 'Jullie willen het drakenei voor jullie zelf?' Ze schudde haar hoofd. 'Het heeft niets te maken met hebzucht of macht. Een drakenei is fragiel en bezit de meeste toverkracht in heel onze dimensie. Hij moet zorgzaam behandeld worden.'
Ze nam me mee naar het balkon dat aan mijn kamer grensde en bracht haar blik naar boven. 'Zie je de sterren? Enig idee hoe ze daar komen?'
'Natuurlijk,' zei ik en herinnerde me de digitale schilderijen op school. 'Het zijn stukken steen,' Ze glimlachte. 'Elk volk heeft zo zijn eigen theorie, maar er is enkel één juist. Elke ster is de schittering die nablijft wanneer een drakenei geopend wordt. Wat je boven je ziet, zijn de miljoenen draken die in onze dimensie geleefd hebben. Maar,' haar gezicht versomberde, 'als een drakenei fout geopend wordt, vormt de schittering geen ster maar een meteoriet. Een meteoriet die ons hele land kan doen verwoesten, in één slag. En dat is precies wat de wezens in gedachten hebben.'
Langzaam begonnen de stukjes van haar verhaal een plaats te krijgen in mijn hoofd. Ik knikte. 'En nu wilt u het drakenei terug bemachtigen. Ik denk dat ik het begrijp. Maar hoe kan u verwachten dat ik alleen op zo'n gevaarlijke missie ga?'
Ze glimlachte dromerig. 'Wie zei dat je alleen moest gaan?'

Eleodwyn had gelijk, alleen zou ik niet zijn. Ik kreeg haar trouwste soldaten mee, een glimmend harnas, een speer en daarbovenop... mijn eigen draak. Hij had enorme, blauwe vleugels en scherpzinnige ogen, die zo door me heen leken te kijken. Een zadel lag klaar op zijn rug en toen ik mijn hand naar hem uitstak, boog de draak zijn hoofd en legde die onder mijn vingers, steeds met diezelfde doordringende blik.
Toen zowel ik als de soldaten plaats hadden genomen op onze zadels, sprak Eleodwyn me toe. 'Je draak weet waar hij naartoe moet, de rest zal volgen. Wees voorzichtig, houd je hoofd en hart op de juiste plek en keer veilig terug. We denken aan je.' Hierna floot ze op haar vingers en bewogen de vleugels van mijn draak in een opwaartse beweging. Ik hield me stevig vast terwijl we hoger en hoger vlogen en Eleodwyn enkel nog een klein stipje was. Het leek een beetje op de lucht-scooter die ik thuis had, alleen was dit stukken magischer.
We vlogen over besneeuwde bergtoppen en fonkelende meren. De soldaten zeiden niet veel zodat ik al mijn aandacht op het landschap kon richten, overweldigd door zoveel pracht. De wind strook langs mijn gezicht en toen mijn draak een kleine salto maakte, gierde ik het uit.
Het landschap veranderde echter meteen toen we in het rijk van Odor kwamen. De sfeer werd een stuk grimmiger en de soldaten hielden helemaal hun mond. We landden in een soortgelijk kasteel als dat waar ik ontwaakt was en lieten onze draken achter bij de poort.
Het was verrassend makkelijk om het kasteel binnen te geraken. We waren uiterst op ons hoede, maar dat leek nergens voor nodig te zijn. Met het grootste gemak geraakten we tot het binnenplein.
'Deze kant op,' gromde één van de soldaten. Snel maar voorzichtig liepen we door een lange gang die in een zaal uitmondde. Daar, in het midden, zweefde het gouden drakenei. Het moment dat we echter één stap zetten in de zaal, kropen er verschillende wezens uit de schaduwen, klaar om ons te stoppen. Natuurlijk, het was allemaal veel te makkelijk geweest. Ze sisten, fluisterden dingen in een taal die ik niet kon verstaan. Drie wezens stapten naar voren en ik hapte naar adem.
Ze hadden alle drie de hemelse schoonheid van Eleodwyn, al hadden ze elk donker, sluiks haar. Hun ogen onderzochten mijn kleine groepje, dat klaar stond met hun speren.
'Wat zoeken jullie hier?' sprak de middelste.
'Het drakenei,' begon ik. 'Het hoort niet hier. We zijn gezonden in naam van Eleodwyn. Het behoort haar toe.' Ze glimlachten tegelijkertijd, zo synchroon dat het bijna griezelig was. 'Maar natuurlijk,' sprak de middelste weer, tot mijn grote verrassing. 'Je krijgt het ei meteen.' Ik zette een stap vooruit. 'Als je onze raadsels kan oplossen.'
Ik voelde hoe de soldaten achter me een beetje onwennig heen en weer bewogen. 'Goed,' zei ik, wetende dat dit de enige manier zou zijn. 'We luisteren.'
De linkse vrouw - nimf - deed een stap naar voren en fluisterde zachtjes: 'Het eerste raadsel: als je mijn naam roept, verdwijn ik. Wat ben ik?'
Al snel herinnerde ik dit raadsel uit mijn jeugd. 'De stilte,' zei ik zelfzeker. De linkse nimf boog haar hoofd, duidelijk teleurgesteld met mijn juiste antwoord en stapte terug in het rijtje.
De middelste nimf sprak: 'Ik ben wat ik ben. Maar als men weet wat ik ben, ben ik mezelf niet meer. Wat ben ik?' Ik liet haar woorden langzaam binnen druppelen en dacht na. Net toen ik wilde opgeven, sprong het me binnen. 'Een geheim!'
Ook de tweede nimf boog haar hoofd en zette een stap achteruit. Ik voelde hun ongerustheid, verborgen achter hun lichte ogen. Was iemand al ooit zo ver geraakt?
De derde nimf zette een stap vooruit. 'Als ik leef, eet ik alles wat er in mijn pad komt. Als ik drink, sterf ik. Wat ben ik?' Ik staarde naar haar, sprakeloos. Dit was onmogelijk. Ik peinsde mijn brein, maar niets kwam in me op. Een hogere mannenstem doorbrak de stilte, murmelend. Ik keek achterom en zag dat één van de soldaten, met stip de jongste, verlegen naar me keek. 'Ik denk dat ik het weet.' Licht paniekerig, nam ik hem bij de arm zodat hij naast me stond. Het schaamrood steeg naar zijn wangen en hij zei stamelend: 'Het - het antwoord is vuur.'
Een verdovende stilte viel over de ruimte. 'Grijp ze,' fluisterde de derde nimf, zo stil dat ik het bijna niet hoorde. Meteen kwamen alle schaduwen los van de muren, waar ze al die tijd hadden zitten wachten. Ze scheerden op ons af en een pikzwarte zee overdonderde ons. Iedere keer als een schaduw me raakte - al was het maar lichtjes - voelde ik me zwakker en zwakker worden. Ik maaide met de speer rond me heen, maar het leek hen niets te deren. Achter me hoorde ik de soldaten kreunen en we werden op onze knieën gedwongen, machteloos. Dit zou onze dood worden.
Op dat moment hoorde ik in de verte een hoog gebrul en gestamp. De draken stormden de zaal binnen, groot en machtig. De drie nimfen schreeuwden het uit en renden naar een andere uitgang. Ik voelde hoe mijn laatste krachten verloren gingen en zag door mijn betraande ogen hoe de draken met hun verwarmend vuur alle schaduwen wegjoegen. Vuur was het antwoord op het laatste raadsel en het was vuur dat ons nu zou redden. De schaduwen rond ons maakten een klagelijk geluid, als een wenend kind, waarop ook zij wegvluchtten. Ik probeerde met alle macht bij bewustzijn te blijven, beroofd van alle kracht die ik had.
Ineens voelde ik hoe er iets tegen mijn voorhoofd streek. Ik opende mijn ogen en zag het reusachtige hoofd van mijn draak voor me, met zijn intense ogen. Hij ademde uit en de warme dampen omringden me, haalden me terug. Beetje bij beetje werd het terug helder in mijn hoofd. Ik legde mijn hand op het hoofd van mijn draak, wilde dat ik hem kon bedanken, op welke manier dan ook. Maar in zijn grote ogen zag ik dat hij het begreep.
Toen ik opstond, zag ik dat de soldaten rond me ook één voor één recht werden geholpen door hun draak. Nog lichtjes wankelend liep ik naar het drakenei en nam het voorzichtig uit de schijn. Met het ei onder mijn arm, haastten we ons uit het kasteel en vlogen zo snel mogelijk terug naar Eleodwyn. Terug naar de belofte aan veiligheid.

De mooiste muziek die ik ooit had gehoord, vulde de ruimte. Er werd gelachen, gedanst en gevierd op onze geslaagde missie. Ik stond aan de rand te kijken, overweldigd door de wezens die zoveel licht en geluk uitstraalden. Ze kwamen me allen één voor één bedanken, om dan weer op te lossen in het feestgedruis.
'Dit is allemaal dankzij jou,' hoorde ik ineens naast me. Daar stond Eleodwyn en ze keek liefkozend naar haar volk. 'Kom je even mee? Ik wil je iets laten zien.' Zonder op mijn antwoord te wachten, draaide ze om en liep naar het balkon waar ze me eerder naartoe had gebracht. Daar, op een gouden schaal omringd met veren, lag het drakenei.
'Jij, van alle mensen, zou dit moeten zien.'
'Wat bedoel je?' Ze glimlachte enkel en legde beide handen rond het ei. Ze sloot haar ogen en spande zich zichtbaar in. Een witte gloed ontsprong langs haar lichaam en ik zag hoe het gouden ei begon te bewegen. Alsof er iets levend in zat, dat er doodgraag uit wilde.
Een enorme lichtflits verblindde me en door zijn enorme kracht, viel ik op de grond. Met mijn hand boven mijn ogen zag ik hoe de flits naar boven schoot. Het leek wel op vuurwerk, alleen bleef het lichtpuntje in de hemel staan. Een nieuwe ster.
Ik keek terug naar de schaal, stomverbaasd. Daar, in het bedje van veren, lag een baby-draak. Het kraaide en bewoog traag met zijn poten. Eleodwyn stak teder haar vinger uit en het draakje nam het gretig vast.
Ik kwam naast haar staan en onverwachts legde Eleodwyn haar vrije hand op mijn wang. 'We zullen je voor eeuwig dankbaar zijn. Maar het is nu tijd om terug te keren.' Ze glimlachte een laatste keer, betoverend. 'Het ga je goed.'
Niet-begrijpend voelde ik hoe de wereld rondom me vervaagde en hoe mijn lichaam alle kanten op werd gesleurd... om mijn ogen weer te openen in mijn eigen bed. Leina, mijn zusje, zat naast mijn hoofd.
'Eindelijk, je bent wakker!' kirde ze, waarop ze me een harde stomp gaf. 'Wat ben je voor een oen? Zomaar drinken van dat cactus-sap, je had wel dood kunnen zijn!'
'Auw,' reageerde ik droog en wreef over de pijnlijke plek op mijn arm. 'Wat bedoel je?'
'Vader vond je in de tuin en heeft meteen nonkel gebeld. Die knoopte alles bijeen en zei dat je van je cactus had gedronken. Dankzij die zakjes van hem krijgt het sap een hallucinerende werking en blijf je even bewusteloos.'
Ik bleef even stil. Eleodwyn, de draken,... alles was gewoon een illusie? De droomwereld was niets meer dan dat geweest - een droom. De teleurstelling droop van mijn gezicht, maar ik raapte mezelf bijeen. Natuurlijk kon het niet echt zijn. Prachtige, mystieke nimfen bestonden niet en draken evenmin.
'Neer,' zei ik tegen mijn zwevend bed, waarop dat langzaam naar de grond vloog. Ik pakte mijn zusje bij de hand. 'Kom, laten we iets leuk gaan doen.'
Haar gezicht fleurde op. 'Verstoppertje?' Ik knikte en ze schoot de gang in, naar de simulatie-kamer. Als het aan haar lag, zouden we weer verstoppertje spelen in een bos vol vriendelijke wezentjes die de simulatie zou creëren. Nog steeds volop in gedachten verzonken liep ik mijn kamer uit.
Men kan het toeval noemen, of gewoon een bizarre twist van het lot. Je kan me geloven, me een leugenaar noemen of de waarheid in het midden laten. Maar die nacht, toen de zon onder was en de maan zijn plek nam, fonkelde er een nieuwe ster aan de hemel.




Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen