Foto bij Thuiskomen - schrijfwedstrijd Perffect

De opdracht:
Met de eerste opdracht is het de bedoeling dat jullie een dialoog gaan schrijven. Dit kan tussen twee personen zijn, of meerdere. Is het een goed gesprek, een emotioneel gesprek? Wil de ander luisteren, raakt er iemand gefrustreerd? Hoeveel woorden worden er gewisseld? - allemaal belangrijke vragen voor het verloop van een gesprek.

Maar bij het schrijven van een spannende en goede dialoog komt veel meer kijken. Elk woord, maar ook elke uitspraak moet worden afgewogen. Past dit bij mijn personage, draagt dit bij aan mijn verhaal? En zeggen ze letterlijk wat ik wil dat zij zeggen, of maak ik de boodschap op een andere manier duidelijk?

Het moet een belangrijke dialoog zijn, het moet iets laten zien, een emotie of hoe je personage in elkaar zit - niet alleen maar "Wil je mij het zout aangeven?" Of kun je daarmee een belangrijke dialoog maken?

Belangrijk aan een geschreven dialoog is dat het bijdraagt aan je verhaal, het moet iets opleveren. Daarom is spreektaal en dialect bijvoorbeeld haast niet van toepassing. Elk woord moet worden afgewogen.

Een voorbeeldje: welk personage zegt "Godverdomme!" en welk personage durft dat niet uit te spreken of zegt in een heel enkel geval dan een variatie: verdikkie.



Ik heb gekozen voor één van de meest 'gewogen' dialogen die er bestaan: het gesprek of je een land in mag of niet. De feiten in het verhaal (de procedure) kloppen normaal gezien allemaal, aangezien ik vorig jaar nog recht heb gestudeerd (:
Daarnaast heb ik ervoor gekozen om de vader doof te laten zijn, want men vergeet vaak dat gebarentaal ook een vorm van communiceren is. Ik heb geteld en normaal zitten er 293 gesproken woorden in, waardoor het ook ietsje langer is dan zou mogen.
Hopelijk vinden jullie het iets!





We hadden weken, maandenlang gereisd. Soms leek het wel alsof mijn benen het gingen begeven, maar op één of andere manier geraakten we uiteindelijk altijd op een plek voor dat gebeurde. Iedere slaapplaats was een opluchting, elk bord eten een geschenk. Die dingen: een bed, eten, drinken, dat waren de dingen die mij iedere keer zorgen baarden.
Bij mijn ouders lag dit echter anders. Aan iedere landgrens werden ze weer nerveuzer. Moeder trok dan aan de randen van haar hoofddoek en ik zag vader met zijn handen prullen. Ze hadden ook redenen om nerveus te zijn, want bij iedere landgrens werden we afgewezen, doorverstuurd. Als een pakketje dat op een verkeerd adres is aangekomen.
Vader stak dan telkens weer zijn betoog af, de toespraak die hij nooit tegen de instanties durfde geven. Als hij niet de status van vluchteling verdiende, wie dan nog wel? We konden ons eigen land niet meer binnen, verstoten door de mensen die we vertrouwden. Als we daar zouden blijven, sloten ze vader op en verloor ons gezin zo zijn enige kostwinner. 'Verdomme', sloot hij altijd af. Om dan steeds een boze blik van moeder te krijgen, want 'schelden doe je niet bij de kinderen'.
Daarna namen we onze spullen weer bijeen en vertrokken, steeds met iets minder goede moed dan de vorige keer. Het asielcentrum waar we nu verbleven zag er echter rooskleuriger uit en ik zag het in moeder's ogen: we hadden terug hoop.
De kamer waar we in verbleven, leek een beetje op ons huis in Turkije. Het was een kleine, betonnen ruimte dat we deelden met een oude man. Ook een vluchteling, natuurlijk. Overdag maakte hij grapjes en knipoogde dan hartelijk naar me, als ik zijn dialect weer eens niet goed begreep. 's Nachts was er van zijn vrolijkheid echter niets meer te bekennen en kon ik hem vanaf mijn stapelbed rasperig horen adem halen, om zijn snikken te verbergen.
Het was ook diezelfde man geweest die ons informeerde dat onze zaak eindelijk door de commissie beraad werd. Nu zaten we met ons klein gezinnetje - mama, papa, mijn zusje en ik - in het bureau van de Commissariaat-generaal. Hij had ons dossier voor zich liggen en bekeek het aandachtig - alsof hij nog niet wist welk antwoord hij ons ging geven. Naast de man in het pak zat een vrouw van middelbare leeftijd, met zachtbruine ogen. Ze had geglimlacht toen we binnen kwamen en ik had meteen geweten dat we deze keer wel een goede tolk hadden voor vader. Ons Engels was erg goed, maar we vonden niet veel tolken die de gebarentaal voor vader kende.
'Goed, meneer en mevrouw Habisha?' hij keek met opgetrokken wenkbrauwen naar mijn ouders, om zeker te zijn dat hij onze achternaam juist uitsprak. Mijn vader las zijn lippen en knikte.
'Het Dublin-onderzoek heeft uitgewezen dat dit land bevoegd is voor jullie zaak,' ik zag hoe vader's nerveuze ogen naar de handen van de tolk vlogen. Ze luisterde goed naar de generaal en haar dunne vingers maakten de tekens die vader kon lezen. 'Dus hebben we jullie zaak dubbel zo goed bekeken. Meneer Habisha, klopt het dat u in de verzetsgroep zat die de regering omver wou werpen?' Het bleef stil in de kamer, terwijl vader de handen van de tolk las. Daarna zuchtte hij diep, incapabel om gewoon antwoord te geven. Zijn handen vormden een antwoord en de tolk zei: 'Hij bevestigt het, maar er zit meer achter het verhaal dan u denkt.'
De generaal grinnikte lichtjes en mompelde: 'Dat is er altijd, nietwaar.' Prompt schoten mijn vaders handen in de lucht. De tolk las zijn bewegingen en vertaalde: 'Meneer vraagt of hij het woord mag.' De generaal rolde nog net niet met zijn ogen, toen hij eruit stootte: 'Goed dan.'
Mijn vader begon zijn verhaal en zijn bewegingen werden steeds feller, steeds groter. Hij hield zijn gezicht niet meer onder controle en zijn ogen schoten vuur toen hij bij het einde kwam. Hij bracht zijn handen terug naar zijn schoot en ik zag ik hem lichtjes hijgen.
'Meneer vertelt dat ze met een grote groep waren, een gezworen broederband. Maar toen ze na maanden van plannen hun project tot uitvoering wouden brengen, kwam enkel de helft opdagen. Zodra ze op hun afgesproken plek de laatste voorbereidingen maakten, stormde de Özel Harekat binnen.' De tolk onderbrak zichzelf even om aan de generaal uit te leggen dat dit het Turkse arrestatieteam was. 'Ze waren verraden door de mensen die ze vertrouwden en als broeders beschouwden. Nu kan de helft van hun groep nooit meer terug het land in, terwijl de schuld hen allemaal zou moeten treffen. Ook de lafaards.' De tolk leek even van haar stuk gebracht door het verhaal. 'Dat waren zijn exacte woorden,' sloot ze af.
De generaal nam ons dossier in zijn handen en klopte er even mee op de tafel. 'Wie de blaam treft is hier de vraag niet. U hebt een overtreding begaan, waardoor u uw land niet meer binnen kan en aan onze landgrenzen komt kloppen. Wie zegt dat u hier niet hetzelfde zal proberen?' Hij zuchtte, alsof hij het een spijtige zaak vond. 'Helaas, meneer Habisha. De raad heeft besloten uw gezin te weigeren, net zoals u een weigering zal vinden in andere landen. Het spijt me.'
De man stond op en mijn vader deed hetzelfde. Zijn handen vormden de woorden die hij al maandenlang wou zeggen tegen de instanties, hoeveel we geleden hadden, hoeveel we hoopten op een thuis. Maar de generaal staarde er enkel nietszeggend naar.
'Er is niets dat ik kan doen. De zaak is gesloten.' Mijn vader stootte geluiden uit die ik nog nooit gehoord had. Het waren de woorden hij zo wanhopig probeerde over te brengen via zijn handen. Zijn lippen hadden al jarenlang niet meer gesproken en de woorden klonken vervormd, infantiel. Ook wij konden er niets uit opbrengen.
Bijna onopmerkzaam, zag ik hoe de generaal een knop indrukte. Door de deur kwamen twee mannen in een bruin kostuum, die mijn vader hardhandig vastgrepen. 'Dit kan u niet doen!' schreeuwde ik, waarop er een derde man binnen stormde. Deze greep mij vast, terwijl ik worstelde om vrij te komen. Mijn moeder hield mijn zusje in haar armen en huilde zachtjes.
'Komt u morgen terug als u bekoeld bent? We hebben nog enkele zaken te bespreken.' Met die woorden verliet de generaal het vertrek.

De volgende dag werd vader inderdaad opgehaald, deze keer zonder ons. Hij kwam terug met rode, vermoeide ogen. Zijn handen vormden de woorden: 'Ik heb een afspraak gemaakt met de generaal. Ik zal terug gedeporteerd worden naar Turkije, zodat jullie hier kunnen blijven.' Hij glimlachte. Bijna meteen stond ik op en bokste uit onmacht in papa's buik. 'Nee, nee, nee!' schreeuwde ik, op het ritme van mijn slagen. Ook moeder stond op en haar handen vormden: 'Jij gaat nergens heen. Niet zonder ons.' Ik liet me hijgend tegen papa's buik zakken, vechtend tegen de tranen. 'Je mag niet weg. Je mag ons niet alleen laten.'
Zo gezegd, zo gedaan. We vertrokken weer, maar wel met z'n allen. Geen enkel huis zou aanvoel als thuiskomen, moest vader er niet zijn met zijn berenknuffels en goede raad.
Als ik nu - jaren later - terugkijk op onze reis is dat wat me het meeste bijblijft. Je kan een huis vinden, bakstenen muren en een dak boven je hoofd. Maar zonder een liefhebbende familie zal dat huis nooit meer zijn dan dat: een lege kamer. Het is de warmte en liefde van je familie die het een thuis maken. Iets waar je onherroepelijk naar zal blijven snakken, tot je het vindt en - eindelijk - gelukkig kan zijn.







Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen