Isolatie. Het was één woord, maar voor Ander was het zijn hele leven. Nooit had hij contact gehad met anderen. Vanaf het begin van zijn prille leventje tot de dag van vandaag had hij iedere dag alleen op een bankje gezeten, terwijl hij uitkeek over het plein. Steeds opnieuw zag hij jongetjes van zijn leeftijd met elkaar spelen. Hij wenste dat hij ook ooit met anderen kon spelen, maar hij was zo giftig als de pest, en hij wilde geen doden op zijn geweten.
      Ander had bijna aanvaard dat hij zijn hele leven in eenzaamheid zou moeten doorbrengen, toen er plots een jongetje naast hem op het bankje kwam zitten. ‘Hallo,’ zei de jongen. ‘Ik ben Quinn.’ Anders oog viel op de bal in Quinns handen. ‘Denk snel!’ riep hij, terwijl hij de bal naar Ander wierp.
      Ander maakte niet eens een aanstalten om de bal te vangen.
      ‘Wat is dat nu weer?’ zei de jongen een beetje op zijn tenen getrapt. ‘Je kunt op zijn minst proberen om hem op te vangen. Ik doe enorm veel moeite voor de groepssfeer hier, en jij laat het zomaar aan je voorbij gaan.’ Hij sprong van het bankje en liep naar zijn bal. Ander overwoog in de tussentijd weg te lopen, maar er was iets wat ervoor zorgde dat hij vastgenageld was aan het bankje.
      ‘Vang.’ Opnieuw wierp Quinn de bal.
      Dit keer knalde hij tegen Anders hoofd. ‘Oh, komaan, zo lijk ik echt op een pestkop,’ zei de jongen. Hij boog voorover om zijn bal terug van de grond rapen.
      Ander zag het gebeuren, schoot overeind en riep zo luid zijn stemgeluid toeliet: ‘Nee, niet doen!’
      Geschrokken deinsde Quinn achteruit. Geschokt merkte hij dat er een groene schimmel op de bal gevormd was. Een net zo grote schimmel als degene die binnenin Ander huisde. Het gebeurde niet altijd, maar soms droeg Ander zijn gif onvrijwillig over op de dingen die hij aanraakte. Daarom raakte hij zo weinig mogelijk dingen aan – en al zeker geen personen.
      De jongen keek met grote ogen naar de bal, maar niet met de walging die Ander had verwacht. ‘Hoe doe je dat?’ Hij keek op. ‘Kun je toveren? Ja, geef het maar toe! Je bent een tovenaar!’ Zijn ogen blonken. ‘Kun je het me leren?’
      ‘Dit wil je niet leren. Ik ben giftig.’ Het was de harde waarheid, en het was hard om het te vertellen. ‘Ik kan alleen maar dingen dood maken.’
      ‘Heb je ooit al eens geprobeerd dingen te helen?’
      Dat had Ander niet zien aankomen. ‘Huh?’
      ‘Wel, als slimste jongen van de klas’ – hij rechtte zijn schouders en maakte zichzelf groot – ‘weet ik dat heel veel mensen negatief denken, en als je negatief denkt, gebeuren er negatieve dingen. Dus misschien moet je gewoon eens proberen positief te denken.’
      Ander schudde zijn hoofd. ‘Zo simpel is het niet. Je kunt iets doods niet levend maken door alleen maar positief te denken.’
      ‘Niet als je op die manier denkt, nee,’ zei Quinn. ‘En trouwens: proberen kan geen kwaad.’
      ‘Wel als er levens van afhangen.’
      ‘Niemand gaat hier dood.’ Het was de onschuldige naïviteit van een kind, en Ander besefte plots dat hij ook nog maar een kind was. Hij had echter nooit de kans gekregen om naïef te zijn. ‘Ik zal je beschermen.’
      ‘Je kunt jezelf niet eens beschermen. Trouwens, ik ben de enige hier die geen bescherming nodig heeft.’
      ‘Bescherming tegen die negatieve gedachten,’ verduidelijkte Quinn. ‘Dus kom hier en geef me een hand.’ Quinn stak zijn hand uit.
      Duizenden – nee, miljoenen – keren had Ander zichzelf ingebeeld hoe hij iemand de hand zou schudden. Helaas had hij nooit een uitgestoken hand aan zijn adres gezien, en nu het gebaar toch eindelijk daar was, durfde hij het niet aan te nemen.
      Zijn handen zaten veilig weggestopt in handschoenen, net zoals het grootste deel van zijn lichaam verborgen ging onder een dikke laag beschermende kledij. Simpelweg het geven van een hand zou nooit iemand kunnen doden. Toch bleef de angst aan het uiterste van zijn ziel knagen.
      ‘Kom dan,’ zei Quinn, wiens gezichtsuitdrukking niets verraadde. ‘Mijn arm begint zwaar te worden.’
      Nooit was er ook maar iemand geweest die de moeite had genomen hem te benaderen. In het weeshuis werd hij gemeden als de pest die hij was, buiten het weeshuis voelde iedereen dat er iets mis was. Nu hij eindelijk iemand gevonden had, kon hij hem niet verliezen uit angst voor een stomme handdruk.
      Voorzichtig stak hij zijn hand uit, enerzijds twijfelachtig, anderzijds zelfzekerder dan hij zich ooit eerder had gevoeld.
      Zodra Quinn de hand omhoog zag komen, schoot zijn hand naar voren om het gebaar af te maken, voordat Ander zich kon bedenken. ‘Zie je,’ zei Quinn. ‘Zo moeilijk was dat toch niet?’ Hij grijnsde breed, zoals enkel Quinn kon grijnzen. ‘Hoe heet je trouwens?’
      Ander wilde zijn mond opentrekken om de vraag te beantwoorden, maar voor hij zover was, vulde een knal zijn oren. Quinn zakte door zijn knieën. Een felrode plek verspreidde zich over het wit van zijn shirt.
      ‘We hebben hem!’ hoorde Ander iemand roepen. Zijn ogen schoten naar de man van wie het geluid afkomstig was. Hij hield het geweer nog steeds in zijn handen. De euforie spatte van zijn gezicht, alsof hij blij was dat hij zonet een onschuldig jongetje had neergeschoten. Nee, niet alsof: hij was blij.
      Ander liet zich nu ook door zijn knieën zakken en omhelsde Quinn om ervoor te zorgen dat hij niet omver zou vallen. De angst gleed van zijn lichaam: of hij het nu zou verpesten of niet, Quinn zou sowieso sterven. Hij had niet langer iets te verliezen, en iemand die niet langer iets te verliezen had, was gevaarlijk.
      Hij drukte zijn hand tegen de wonde in Quinns rug en fluisterde: ‘Ik denk positief. Ik denk positief.’ Hij probeerde eerder zichzelf te overtuigen dan Quinn. ‘Ik ben Ander, en ik denk positief.’
      ‘Ik ben Quinn,’ bracht Quinn moeizaam uit. Het bloed droop van zijn mondhoeken over zijn kin. ‘En ik geloof in Ander.’
      Op dat moment werd Ander getroffen door een gevoel dat hij nog nooit eerder had ervaren: zijn hart klopte als een wilde in zijn borstkas en zijn bloed kookte in zijn aderen. Hij klemde Quinn dichter tegen zich aan en keek vol afschuw naar de mannen die juichend met hun geweren stonden te zwaaien, en de kinderen die gestopt waren met spelen om de militairen te bedanken voor het goede werk dat ze hadden geleverd.
      Iets in Anders hoofd knapte, waardoor de ziekte die hij was niet langer gevangen kon worden gehouden in de kooi van zijn lichaam. Zijn gif, in de vorm van een onschuldig uitziende schimmel, kroop over het gras, wat meteen afstierf en als een zwarte smurrie op de grond bleef liggen. Het bereikte ook de mensen. In een mum van tijd was het plein, ooit zo vrolijk, bedekt met lijken.
      De dood was overal rondom hem. Nee, hij was de dood. En hoewel hij er op dat moment van was overtuigd dat hij enkel en alleen vernieling kon zaaien, begon de fatale wonde van Quinn onder zijn hand opnieuw te helen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen