Foto bij Hoofdstuk Vijftig - Ana

Hoofdstuk vijftig alweer! Wat een feest!
Maar ik heb helaas ook een minder feestelijke mededeling:




Abid Jasar, de man die me in Sarajevo van alles heeft verteld over de oorlog, en met wie ik überhaupt heel diep in gesprek ben geweest over leven, politiek en geschiedenis, die ik een vriend van mij durf te noemen, is helaas op 24 november overleden. Omdat ik het overlijdensbericht op Facebook zag langskomen, en omdat deze in het Servo-Kroatisch was, weet ik niet precies waaraan hij is overleden, maar ik weet wel dat hij hiervoor al ziek was (waarvan weet ik niet).

Omdat ik dit verhaal met jullie had gedeeld, vond ik het ook wel waardig om dit ook met jullie te delen, in nagedachtenis voor Abid, die mij zeker heeft geholpen om verder te schrijven aan dit verhaal, en wie ik bij het herschrijven een speciaal plekje zal geven in dit verhaal.


Ik had al een paar keer oogcontact met meerdere van hen gevonden. De meesten keken snel weer weg, misschien omdat ze zich ongemakkelijk voelden, dat weet ik niet. Maar één man was niet bang om me aan te kijken. Mijn norse blik beangstigde hem niet.
      Ik zat aan de tafel in de centrale kamer, enigszins onderuitgezakt op een stoel aan de houten tafel, terwijl ik gedachtevol aan mijn lip plukte en een paar van hen bleef observeren. Ze waren hier niet welkom.
      Ik wist niet wie ze precies waren, maar dat het Serviërs waren, daar was ik snel genoeg achter gekomen. Niet alleen was hun accent feilloos te herkennen, maar het zag er niet uit alsof ze ook maar enige intentie hadden om ons te helpen, of in ieder geval met rust te laten. Dit: dit waren de echte voetbalhooligans. Alleen maar op dit conflict af te komen om hun agressie kwijt te kunnen, maar nu waren ze waarschijnlijk gevlucht, of in ieder geval meer naar het oosten toe gedreven door het Bosnische leger. Of toch eindelijk de VN... Ik wist het niet.
      Ze waren duidelijk een paar dagen onderweg geweest, want ze vroegen direct na aankomst om eten -of nou ja, ze namen het-, en nu, alweer drie dagen later, waren ze nog steeds niet weg. En de blikken, de intimiderende houdingen, die werden me steeds bedreigender... Het werd me steeds duidelijker dat deze mannen niet veel beter waren dan het officiële Republika Srpska leger dat ons hier maandenlang had vastgehouden en ook weer achter gelaten, misschien zelfs nog wel erger. Er leek geen greintje discipline in hen te zitten, niet alleen op de manier waarop ze met elkaar praatten, maar ook hun onbeschoftheid tegenover ons...
      'Zeg, hebben onze Servische broeders nog meer drank achter gelaten?' vroeg één van hen aan Ajla, die in de hoek van de kamer in een stoel had gezeten met een boek dat was achtergelaten, door zijn gesprek met drie andere mannen heen. Ajla keek futloos op.
      'Nee,' antwoordde ze. En dat was bot, ja, dat zou ik toegeven, maar ik verwachtte ook niet anders van haar, aangezien zij net zo erg als ik genoeg had van het gezelschap van bedreigende Servische mannen. Maar zijn overreactie was nog botter, en eigenlijk puur gewelddadig.
      'Jij mag wel een toontje lager zingen,' sprak hij nors. Ajla antwoordde niet en richtte zich weer op haar boek. 'Ik praat tegen je.' Geen antwoord. Plotseling stond hij met luid kabaal op en pakte hij de leuningen van de stoel waarop zij zat vast, zich over haar heen buigend. Alja had haar boek allang in haar schoot gelegd en was duidelijk erg geschrokken. Ze keek hem angstig aan. Na korte stilte had hij eindelijk iets te zeggen.
      'Denk maar niet dat wij niet weten wat hier gebeurd is,' mompelde hij. 'Waar die baby vandaan komt.' Hij wenkte naar Delia's kind, die nog steeds geen naam had gekregen, in de armen van Katjana die naast mij op een stoel zat. Voor slechts een milliseconde ving ik zijn blik op, en keek ik hem argwanend maar kwaad aan.
      'En als jij niet een beetje meer respect toont, dan kan dat zo weer gebeuren.' Dit was de druppel voor mij. Dat nooit meer. Ik stond op, waarbij mijn stoel schrapend over de grond naar achteren schoof. Bijna direct was de aandacht op mij gevestigd, maar dit keer was ik daar niet bang voor, ook al voelde het even alsof de blikken van Darius en Dimitri weer over mij heen streken zoals toen die ondervraagde jongen mij verraadde. Hem hadden ze wel meegenomen...
      'Respect?' Ik spuugde het woord haast in zijn gezicht, ook al stond ik aan de andere kant van de kamer. 'Voor jullie? Nooit. Waarom zouden wij ook maar het kleinste beetje respect moeten hebben voor mensen zoals jullie? Die vechten tegen de vrijheid van hun land, zich tegen hun landgenoten keren en wanneer ze verdreven worden door het leger, ze diegenen komen lastig vallen die genoeg hebben gehad van deze oorlog?' Ik was kwaad. Woedend. Maar ik stond te trillen op mijn benen van spanning. Al maanden had ik nooit zoiets durven zeggen tegen mensen zoals hen, waar ik iedereen die ons hier had achter gelaten ook onder beschouwde, maar nu kwam het er allemaal uit. De man die Ajla had bedreigd reageerde niet, maar iemand anders wel.
      'Het gaat je niet helpen om hier een ideologische kwestie van te maken. Je graaft je eigen graf.' Ik keek op naar de hoek waar de stem vandaan kwam. In een grote leunstoel zat een man, wijdbeens, enigszins onderuit gezakt en met een dikke, rokende sigaar in zijn mond. Hij had lang haar, bij elkaar gebonden in een knot op zijn achterhoofd, en een volle baard, die er vreemd genoeg niet groezelig uitzag. Ik had hem al zien zitten, maar had eigenlijk geen aandacht aan hem besteed, waarom weet ik niet. Hij had daar maar gewoon gezeten, niets gezegd. Maar nu stond hij op, en zag ik pas wat voor figuur hij was. Hij kon niemand anders zijn dan een leider, zeker door de manier waarop alle andere mannen stil vielen terwijl hij sprak.
      Hij zette langzame maar zware stappen op mij af, maar pas toen hij vlak voor me stond zag ik wat voor een beest hij eigenlijk was. Hij torende boven me uit, zeker 2 meter lang en extreem breed geschouderd. Hiermee wilde ik niet beweren dat de anderen er totaal niet angstaanjagend uitzagen, maar hij was wel echt het toppunt hiervan.
      'Jou heb ik wel opgemerkt,' mompelde hij, waarna hij even grinnikte. 'En als ik heel eerlijk mag zijn, denk ik dat jij van iedereen hier...' Hij gebaarde rond naar de rest van de vrouwen in de kamer. '... het minste te klagen hebt.' Hij keek weer terug naar mij, neerbuigend en grijnzend. Refereerde hij naar het feit dat ik het minste lichamelijk geschaad was?
      'Wat heb je gedaan?' mompelde hij zachtjes en oprecht nieuwsgierig. Ik wist niet of andere mensen het konden horen, maar het was duidelijk iets dat hij persoonlijk aan mij vroeg. Ik wist niet wat te antwoorden... 'Heb je jezelf door hun greep heen weten te wringen?' Ik antwoordde niet. Hij had niet gelijk, maar ik wilde zijn ongelijk niet te bewijzen. Hij hoefde niet te weten wat ze met me hadden gedaan, ook al wist hij dat volgens mij zelf al wel.
      'Ik zie door jou heen. En je staat me niet aan.' Hij klonk plotseling veel serieuzer. 'Dus wat mij betreft is jouw graf al gegraven.' Ik slikte. Deze mensen waren bij nader inzien waarschijnlijk nog veel gevaarlijker dan Darius of Dimitri ooit zou kunnen zijn.

Reacties (2)

  • xxJennyxx

    Hopelijk is esma vlakbij

    2 jaar geleden
  • Heronwhale

    Oke darius kom even terug om ana te redden en donder daarna weer op. Of nog beter ESMA KOM NUUUU ANA HEEFT JE NODIG!!!

    En gecondoleerd, met abid. Ik ken hem voor de rest niet maar hij leek me echt heel aardig.

    2 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen