Foto bij SOTM • December • Gebroken

Hij trekt aan de ketting, waarvan alle oogjes eerst dieper in mijn vlees snijden en zich dan overgeven aan de weg van de minste weerstand. Het sierlijke bedeltje valt als eerst op de grond, waarna de zilveren ketting volgt. Het zal ongetwijfeld met een geluid gepaard gaan, maar mijn zintuigen zijn inmiddels, op mijn zicht na, allemaal uitgevallen. Ik kan mijn blik niet loskrijgen van de grote man tegenover me. Zijn donkerblauwe pak valt losjes, maar tegelijkertijd aangesloten om zijn gespierde lijf. De tegenstrijdigheid past bij hem. Het witte overhemd wijkt af van zijn inktzwarte karakter en dat terwijl ik zoveel om hem geef. Het stadium van houden van ben ik vele malen gepasseerd, in een onophoudelijke cirkel.
‘Wat wens je nu nog?’ Hij buigt naar me toe en ik ruik de eau de cologne die ik zes weken geleden aan hem heb gegeven toen hij 31 werd. Hij heeft me alles laten voelen, van passionele liefde tot allesverslindende haat. Zelfs nu, terwijl mijn knieën steeds onstabieler lijken te worden, weet hij mijn zintuigen te controleren. De sterke geur dringt mijn neus binnen en daarmee mijn lichaam. Het is alsof hij langzaam mijn hele zijn overneemt.
Zwijgend wens ik dat het ooit over zal zijn en hij me opnieuw liefheeft als vier jaar geleden, toen ik hem leerde kennen. Ik weet dat je een wens in stilte moet schreeuwen, zodat het universum ervan doordrongen raakt dat het om iets gaat dat zodanig van belang is dat je zonder het uitkomen van je wens niet verder kunt.
Hard klap ik met mijn achterhoofd tegen de muur, als hij me bij mijn armen vastgrijpt en naar achteren duwt. Hij boort zijn vingers diep in mijn huid en ik ben blij dat het december is, zodat ik de blauwe plekken met lange mouwen kan bedekken. Het is het voordeel van de winter en mijn wapen tegen de hoofdschuddende, maar zwijgende collega’s als ik weer eens met bloeduitstortingen op mijn werk verschijn. Ondanks dat ik mijn lichamelijke schade probeer weg te werken met concealer en foundation, kan ik mijn geestelijke wonden niet behandelen.

Vier jaar geleden wist ik niet dat bloeduitstortingen dieppaars van kleur konden zijn en was ik ervan overtuigd dat liefde alles zou overwinnen. Nu weet ik dat liefde niet altijd iets moois is, maar dat het je ook radeloos en zelfs reddeloos kan maken. Ik lach wrang, wat me pijn doet. Voorzichtig leg ik de zak ijs tegen mijn wang en hoop daarmee de zwelling tegen te gaan.
‘Lieverd, het spijt me.’ Hij knielt voor me neer en pakt mijn rechterhand vast. Met een zekere terughoudendheid, wat alleen als teder omschreven kan worden, drukt hij zijn lippen op de rug van mijn hand. ‘Ik wil je niet kwijt, ik hou van je. Je bent mijn prinses.’
Ik wil tegen hem schreeuwen dat hij me dan niet zo moet behandelen, maar ik houd mijn mond. Zeker mentaal kan ik een nieuwe confrontatie niet aan.
Hij komt naast me zitten op het bed, waar we eergisteren nog de liefde bedreven en slaat zijn arm om mijn schouders. Door zijn kracht word ik enkele centimeters naar hem toe getrokken, terwijl ik in mijn gehele lichaam verstrak.
‘Kan ik iets voor je doen?’ Hij drukt een kus op mijn haar, op de plek waar binnen een uur een flinke verdikking zal verschijnen.
‘Nee hoor. Het gaat wel.’ De leugen steekt minstens even erg als mijn wang. Het is alsof er tientallen spelden in mijn vlees prikken.
‘Goed zo. Zal ik koken? Ik heb het bad al voor je vol laten lopen.’ Hij duwt een haarlok achter mijn oor. Ook die wijkt voor hem.
‘Fijn, dankjewel.’ Ik forceer een glimlach en sta op, zodat ik uit zijn nabijheid kan verdwijnen.
In bad kan ik me relatief goed ontspannen en ik voel de spanning uit mijn spieren glijden. Het naar lavendel geurende badzout zorgt voor een tevreden gevoel. Na vijfentwintig minuten hijs ik mezelf moeizaam uit het bed en droog ik me gehaast af. Zijn geduld is na een half uur op en als ik dan niet aan de eettafel zit, zal er zeer waarschijnlijk nog een stuk van het servies sneuvelen. Ik kleed me aan, wat pijn doet aan mijn lichaam en loop de trap af. Hij glimlacht als hij me ziet en steekt het vierde waxinelichtje aan. Ik laat mijn ongemerkt ingehouden adem ontsnappen en complimenteer hem over het diner, terwijl hij even goed als ik weet dat ik niet van biefstuk houd.

Ik laat de gebroken ketting door mijn hand glijden en pak het bedeltje tussen mijn duim en wijsvinger. De wishbone glanst, alsof het me de onophoudelijke hoop blijft geven die ik zo hard nodig heb. Het sieraad kreeg ik drieënhalf jaar geleden van een vriendin, toen ze ging emigreren. Ze vertelde me dat ik iedere keer als ik de ketting omdeed stilletjes iets moest wensen, zodat ik steeds bewust bezig was met wat ik wilde bereiken. Het zou me kracht en hoop moeten geven, ook in situaties waarin ik het lastig had, zei ze. Juist daarom gaf ze het me, toen onze wegen scheidden. Ik heb de ketting omgedaan en gewenst dat het bij die ene klap, toen drie dagen geleden, zou blijven. Helaas heeft de wishbone me nog weinig opgeleverd. In de eikenhouten kledingkast, die ik hoogstpersoonlijk wit heb geverfd, zoek ik naar het kleine sieradendoosje, waarin ik de kapotte ketting kan bewaren. In gedachten verzonken laat ik mijn vingers over de rode puntjes glijden, die me herinneren aan de keer dat ik met mijn gezicht tegen de lade aanviel en dat resulteerde in een bloedneus.
Abrupt sta ik op en grijp me aan de kast vast, zodat ik overeind blijf. Ik maak de knopen van mijn blouse dicht en trek mijn blazer aan, die ik ook dichtknoop. De blauwe plek op mijn wang heb ik vakkundig weggewerkt en de bult op mijn hoofd valt erg mee. Toch kost het me veel moeite om normaal de trap af te lopen en krimp ik ineen als ik op mijn fiets stap. Ik fiets door de miezerregen naar de basisschool waar ik werk, want de auto heb ik de laatste tijd niet meer tot mijn beschikking. Ik zet mijn fiets op slot naast alle vrolijk gekleurde kinderfietsjes en loop naar binnen.
‘Goedemorgen Annemarie.’ Mijn directrice knikt me vriendelijk toe en zoals elke ochtend groet ik haar minstens even vriendelijk terug. Ze blijft plotseling staan, alsof haar iets te binnen schiet. ‘Waar is je ketting?’
Mijn ademhaling schiet omhoog en ik hap oppervlakkig naar lucht. Overal had ik over nagedacht, maar het ontbreken van mijn ketting stond niet op dat lijstje. ‘Stuk.’ Mijn stembanden lijken te weigeren al te veel geluid te produceren.
‘Ik wil nog iets met je bespreken, heb je twee tellen?’ Ze loopt al weg, waardoor ik weinig anders kan dan haar volgen naar haar kantoor. De ruimte is een directe weerspiegeling van haar warme karakter en de overmatige versiersels lijken allemaal perfect in het overkoepelende plaatje te passen.
‘Waar wilde je het over hebben?’ Ik negeer de kriebel in mijn buik, die ik altijd voel als ik een situatie niet weet te voorspellen.
‘Ga zitten.’ Ze maakt een handgebaar naar de zwarte, ijzeren stoel. Ik heb me altijd verbaasd over hoe de rode, stoffen bekleding bij het kille metaal past. ‘Weet je waar een wishbone voor staat?’
Ik frons. ‘Ja. Het herinnert je telkens aan je wens, iets wat je graag wilt.’ Mijn ademhaling schiet vanuit mijn buik naar hoog in mijn borstkas en ik voel dat ik begin te zweten. Dit is niet een gesprek waar ik op rekende.
‘Een heel mooie gedachte, maar jij weet net zo goed als ik dat passief wensen je geen centimeter vooruit gaat brengen. Je moet keihard werken voor wat je wilt, Annemarie. Ik bewonder jouw tomeloze inzet en dat maakt je een geweldige leerkracht. Ik vraag me alleen af waarom je vlucht in je werk en wat ik ook bedenk, het is geen van allen positief.’ Ze kijkt me doordringend aan en het is alsof ze dwars door dat keiharde masker heen weet te kijken.
Op de gang klinken enthousiaste kinderstemmetjes en ik sta op.
‘Bedankt voor je compliment, Jacqueline. De plicht roept.’ Ik forceer een glimlach en loop de gang op, weg van alles wat ik niet aan kan horen.

‘Had je niet alvast kunnen koken?’ buldert hij, als ik mijn tas op de keukentafel neerzet.
‘Ik ben net thuis.’ Ik durf hem niet aan te kijken, maar ik weet hoe zijn ogen eruit zien. De intense blik, zijn ogen bijna even donker als bij de passievolle nachten die we eerder beleefden. Ergens de haat, verborgen voor de buitenwereld, maar ik weet de schittering inmiddels de plaatsen.
Hij slaat mijn tas van de tafel en de aardrijkskundetoetsen van mijn leerlingen dwarrelen door de keuken. Ik kniel neer en raap de papieren bij elkaar. Ouders vertellen me vaak dat ik een soort tweede moeder voor hun kind ben en ik word dan tegelijkertijd vrolijk en verdrietig. Ik zou zo graag een kind krijgen, een bekroning op de liefde tussen mij en mijn partner, maar ik weiger een kind groot te brengen in deze situatie. Doordat ik in gedachten verzonken ben, komt de trap in mijn zij onverwacht en ik val op de stenen vloer. Gewoonlijk rol ik automatisch in de foetushouding, hopend voor de bescherming die ik nooit zal vinden. Nu wordt mijn ademhaling plots kalmer en lager, in plaats van dat de paniek door mijn lichaam raast. Ik weet dat ik laatste jaren vaker ineen ben gedoken dan dat ik mijn rug heb gerecht. Ik ben mijn kracht, mijn ruggengraat verloren en heb naïef gesmeekt om verbetering. Ik krabbel overeind, mijn tas dicht tegen mijn lichaam geklemd. Het is een bescherming voor mijn vitale organen, maar tegelijkertijd is het mijn identiteit. Ik ben een geboren leerkracht, iemand die de onschuldige kinderen wil beschermen tegen de keiharde wereld waar ze zich later van bewust zullen worden. Ik wil iedereen redden, maar ik heb mezelf in die missie laten staan. Ik loop de keuken uit en hoop dat hij me niet achterna zal komen. Nog één keer kijk ik om en ik zie hem als versteend staat, even overdonderd als ik door mijn onverwachte actie. Mijn lichaam wil al naar boven, om me daar af te zonderen, maar ik besluit mijn rug te rechten en pak mijn grijze jas van de kapstok. Ik haal diep adem, gris de autosleutels van het haakje en stap naar buiten. De massieve voordeur sluit ik zo voorzichtig en geluidloos als ik kan en dan loop ik naar de auto. Als ik wegrijd, zie ik hem pas in de deuropening staan en zijn vragende uitdrukking verandert in extreme woede. De tranen rollen over mijn wangen en vertroebelen mijn zicht, maar ik weet dat ik niet moet stoppen. Hoe verder ik van ons huis, of van wie het nu nog maar mag zijn, verwijderd raak, hoe meer mijn verdriet overgaat in opluchting. Ik zet de auto stil aan de zijkant van de weg en haal mijn mobiele telefoon tevoorschijn. Ik zoek het nummer van mijn directrice op en druk op het groene hoorntje.
‘Met Jacqueline.’
‘Met Annemarie.’ Ik haal diep adem. ‘Ik heb een slaapplek voor vannacht nodig. Verder is alles goed met me.’
‘Wat is er aan de hand?’
Ik hoor de paniek in haar stem. ‘Niets. Niets meer. Ik heb eindelijk voor mezelf gekozen.’ Automatisch breng ik mijn hand naar mijn hals, zoals altijd als ik naar steun verlang, maar ik voel slechts mijn eigen huid en ik weet dat ik de gebroken ketting niet meer nodig heb om mijzelf te helen.

Reacties (3)

  • GossipGirl21

    Ahw das mooi geschreven.

    1 jaar geleden
  • 160917

    Heel mooi geschreven!

    3 jaar geleden
  • Helgenberger

    Wauw. Dit is zo geweldig. Ik hou zo van jou schrijfstijl.

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen