Foto bij Gül

Daar stond ze dan.
Ik zag haar, en niet bij toeval omdat ik toevallig na de avondmaaltijd langs Amons vertrekken liep- ik was er bewust op uit gegaan, toen mijn nieuwsgierigheid het had gewonnen van mijn angst. Om haar te zien. Mijn hart klopte snel, omdat ik bang was ontdekt te worden door Amon. Ik gluurde het vertrek binnen waarin ze zaten, vanachter een doorzichtig gordijn.
Amon liep met zijn kind te zwaaien, gooide het jochie in de lucht, kietelde hem. Terwijl ik ernaar keek kon ik een vreemd gevoel niet onderdrukken, een soort onbehaaglijk gevoel dat ik niet kon plaatsen. Het leek een beetje op jaloezie, maar ik kon bijna niet geloven dat ik jaloers zou kunnen zijn op dit tafereel- en waarop, precies? Dat Amon zo trots en vertederd naar het jongetje keek,dat zijn ogen fonkelden van plezier terwijl hij met hem speelde? Dat het net even leek alsof hij toch niet zo arrogant en achterbaks was en dat ík de reden niet was? Dat hij op dit moment níet mijn aandacht had? Ik kon mijn vinger er niet op leggen, maar het gevoel zat me dwars. Ik wendde mijn blik af van Amon en keek naar Gül. Ze zat in kleermakerszit op de grond, en ze was inderdaad beeldschoon, hoewel ze niet zoveel op ons leek. Ze had blauwe ogen en donkerbruin, bijna rossig haar, glanzend en golvend. Haar huid was eerder geelachtig dan gebruind en ze was wat steviger en langer dan ik, wat haar vrouwelijke vormen echter wel benadrukte. Toen ze opstond zag ik haar mooi gevormde heupen en dijen en haar aanwezige boezem. Haar gezicht trok echter de aandacht. Verfijnde gelaatstrekken, een prachtig gezichtje met twee glinsterende, vurige ogen die rusteloos rondkeken. Haar lippen waren vol en rozeachtig en als ze glimlachte verbreedde haar mond zich in een parelwitte, halve maan. Ze was duidelijk ouder dan ik, ouder dan Amon, hoewel niet véél ouder. En toch, ondanks het lieflijke gezicht, was ik ervan overtuigd dat zich onder de oppervlakte een hooghartig karakter bevond. Ik kon er niks aan doen, ik voelde het gewoon. Ik kon nu al zien dat dit een jonge vrouw was die precies wist hoe ze een masker op moest zetten.
Uit de blik die ze naar Amon wierp, kon ik ook een zekere bezitterigheid opmaken. Ze keek naar hem alsof ze een soort alleenrecht over hem had, en ze keek naar hem alsof ze hem begeerde- en hij haar niet. Hij schonk haar inderdaad weinig aandacht en was alleen bezig met zijn kind.
Het jongetje trok met zijn kleine handjes aan de franjeachtige kwasten van Amons mouwloze vestje, probeerde zijn tulband van zijn hoofd te trekken en brabbelde volgens mij over dadels.
'Kom, Jahan. Het is tijd om te eten,' kirde Gül terwijl ze het jongetje uit de armen van zijn vader haalde. Ze had een hoge, slepende stem, sprak langzaam en nauwkeurig. Amon keek geïrriteerd, zette daarna zijn onverschillige masker weer op en sloeg zijn armen over elkaar. Hij wilde net zijn mond opendoen om waarschijnlijk iets bazigs te zeggen, en op dat moment kreeg hij mij op de één of andere manier in het oog. Ik schrok me dood en zette een stap naar achteren, waardoor ik waarschijnlijk een vaas omstootte. Ik vloekte inwendig. Mijn laatste uur had geslagen, ik had het weer voor elkaar.
Amon echter, grijnsde breed. Hij trok zijn gezicht echter vlug weer in de plooi en wendde zich haastig tot Gül. Hij liep op haar af en legde een arm om haar middel.
'Waarom ga je niet naar het eetvertrek, mooie Gül van mij... ik zie je later op de avond weer...' Ze keek hem aan, er verscheen iets van hoop in haar ogen- die ze echter onmiddellijk onderdrukte.
'Vanavond, Amon?,' zei ze spottend. 'Alsof jij me ooit opzoekt 's avonds. Ik moet jou altijd komen zoeken.'
'Wie weet, habibi, wie weet.' Hij streelde haar nek, en ik wist zeker dat hij het expres deed om mij jaloers te maken. Ik werd er boos over, en dat irriteerde me.
Zodra Gül verdwenen was, zag ik Amon naar een tafeltje bij het venster lopen, waar een aardewerken beker en een kruik op stond.
'Waarom bespioneer je me, juweeltje?,' riep hij zonder naar me om te kijken terwijl hij wijn voor zichzelf inschonk. Ik kwam vanachter het gordijn vandaan en liep voorzichtig naar voren. Ik observeerde hem: zijn brede schouders, zijn smalle heupen en zijn goudkleurige sloffen met omhoog gekrulde neuspunten.
Toen ik niet reageerde, draaide hij zich om en nam me van top tot teen in zich op terwijl hij een slok nam.
Hij lachte spottend terwijl hij naar het venster slenterde en een hand op zijn heup zette. Hij slaakte een diepe zucht.
'Iemand heeft je zeker verteld over Jahan.' Er klonk iets bijna eerbiedigs door in zijn stem toen hij de naam uitsprak. Ik was verbaasd. Hij leek anders dan normaal, alsof hij er niet helemaal bij was met zijn hoofd. Normaal gesproken zou hij op me af zijn gebeend, had hij met hooghartige blik mijn gezicht vastgepakt en zich tegoed gedaan aan mijn lichaam. Nu was het alsof hij ergens boven zijn lichaam zweefde. Ik wist niet wat ik ervan moest denken.
'Ja, hij is mijn eerstgeboren zoon... mijn enige,' mijmerde hij langzaam. Hij draaide zich weer naar me om. 'Tot nu toe enige,' voegde hij er grijnzend aan toe. Hij keek me een paar seconden zwijgend en doordringend aan, ik onderdrukte een rilling. Tot nu toe, dacht ik. En voor eeuwig. Als het aan mij ligt, dan.
Hij zette de beker neer op het tafeltje en liep langzaam op me af, zijn armen meezwaaiend op zijn looptempo. Zijn ogen lieten die van mij niet los. Op ongeveer een meter afstand bleef hij voor me staan en keek me aan. Ik keek zenuwachtig weg.
'Ik vraag me nog steeds af of je emoties hebt, Lara,' onderbrak hij de stilte. Ik schrok een beetje van die vraag, of van de toon waarop hij hem uitsprak. Ongemakkelijk keek ik naar beneden, uitdrukkingloos.
'Ik dacht net heel even dat je was komen kijken omdat... om... ' Zijn stem werd zachter. '...Nee. Dat was onmogelijk geweest. Je haat me, toch, mijn tatlim?' Hij sprak nog steeds zacht en grijnzend, alsof hij tegen zichzelf sprak, hoewel hij me nog steeds aankeek. Zijn ogen gleden langzaam over mijn lichaam en bleven even hangen, hier en daar. Hij sloeg zijn armen over elkaar.
'Ik heb zo'n zin om je... maar...' Hij staarde even bedenkelijk voor zich uit, en toen was het net alsof hij op een geniaal idee kwam. Hij keek me weer aan, met grote, glinsterende ogen. Hij grinnikte. 'Je mag gaan, mijn juweeltje.' Hij wierp me een kushand toe en wuifde me weg, ten teken dat ik moest gaan. Ik was een halve seconde verbaasd. Daarna draaide ik me om en haastte me naar de gang, waar ik nog even moest blijven staan. Ik was te verbaasd om verder te rennen. Wat was dat? Hij had me weggestuurd, zonder iets van me te willen. Ongelooflijk. Het voelde goed, dacht ik. Ik maakte dat ik weg kwam, om Dünya zo snel mogelijk over het vreemde voorval te vertellen.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen