Foto bij Hoofdstuk 9

Dagen gingen voorbij en mijn leven begon een bepaalde routine aan te nemen. Opstaan in de morgen, met mijn opa in de halfvergane boeken zitten bladeren en mezelf proberen te verdrinken in mijn eigen verdriet. Ik vroeg me af wanneer ik weer naar school zou kunnen gaan. Niet dat ik me daar klaar voor voelde maar ik had nood aan gezelschap.

Mijn opa was nu niet het aangenaamste gezelschap om bij te leven. Hij zat vaak voor zich te staren en zei alleen iets als hij daar een goede reden voor had. Om mij bijvoorbeeld iet nieuws uit te leggen of om me erop te wijzen dat ik beter binnen zou blijven. Ik keek naar de gigantische voordeur en kon me er nog maar net van weerhouden om ze met een luide ruk open te trekken en een diepe teug adem te nemen.

Na enkele minuten staren keek ik voorzichtig om me heen en besloot om het er dan toch maar op te wagen. ‘Het is te proberen’ zei ik in mezelf. Ik trok de deur voorzichtig open en luisterde aandachtig naar de geluiden die van de studeerkamer kwamen. ‘Niets’, ik slaakte een zucht en liep naar buiten.
Buiten was het koud, de geur van winter ging in de lucht. Ik keek nieuwsgierig rond me en nam de omgeving in me op. Het voelde raar om nu pas te weten waar het kasteel gelegen was. Achter het kasteel was een gigantisch eikenbos die zich uitstrekte over de gehele horizon. Ik maakte een verwensing ‘te clichée’. Een kasteel in het midden van een bos waar een oude man in leeft met zijn dochter die soms bezeten wordt door demonen. Gewoon prachtig, klonk als het begin van een slechte horrorfilm.

Ik stapte in de richting van het bos, de zon begon langzaam onder te gaan en de hemel kleurde rood. Het was een prachtig zicht. Ik zigzagde door de bomen en deed enorm mijn best om niet te verdwalen. Toen ik bij een grasveldje aankwam liet ik me vallen op het halfdoorweekte gras. De lucht was intussen blauwzwart geworden en de sterren werden 1 voor 1 zichtbaar. Het was een prachtig zicht. In de stad had ik wel eens naar de nachthemel gekeken maar die was niet zo indrukwekkend als hier. Je kon ganse melkwegstelsels zien, die als een wirwar verspreid lagen over de zwarte leegte. ‘De lichtjes in de nachthemel zijn alle mensen die ooit gestorven zijn’ hoorde ik in mijn herinneringen. Mijn moeders stem klonk zacht en haar bruine ogen wiegden me in slaap. Ik tilde mijn kleine handjes op en probeerde me wanhopig vast te houden aan de leuning van het balkon. Mijn moeder lachte en tilde me op. We keken allebei terug naar de sterren. ‘Zie je die grote ster daar?’ Ik keek haar verward aan en knikte mijn hoofdje. Daar is oma momenteel. Ik staarde haar niet begrijpend aan. ‘Hoe kan oma nu daar zijn?’ Ik wees met mijn vinger naar de lucht. ‘Ik zie haar helemaal niet.’ Mijn moeder lachtte. ‘Dat komt omdat je haar niet moet zien, je moet haar voelen.’ Mijn moeder legde haar hand op mijn borst ‘hier’. Ik bloosde en keek nog eenmaal op naar de sterren. Ik deed mijn best om oma’ s aanwezigheid te voelen, maar mijn borst bleef gevuld met het verdriet van haar overlijden. De herinneringen schoten door mijn hoofd als een speren die door mijn hersenen sneden. Uiteindelijk kon ik het niet meer aan en stond op. Het bos was intussen pikzwart geworden. De maan was nergens te zien in de lucht, dus de sterren waren de enige verlichting die ik had in het donkere bos. ‘Shit’ vloekte ik. Op dit moment zou een smartphone wel handig zijn maar ik was zo dom geweest om die thuis te laten liggen. Ik probeerde tevergeefs mijn weg te vinden door het bos. ‘Dit kon ik toch wel zien aankomen, wat ben je toch dom Lisa, dom.’ Ik probeerde aan de hand van de sterren te bepalen in welke richting ik stapte.

Ik slaakte een zucht toen ik het kasteel in de verte zag opduiken. Het was een wonder dat ik mijn weg terug had gevonden. Ik wilde een spurtje inzetten naar het kasteel maar mijn beweging werd verbroken toen ik een figuur zag opduiken vanuit mijn linkerooghoek. Ik kneep mijn ogen samen en probeerde grove kenmerken te onderscheiden. ‘Opa?’ Ik liep voorzichtig naar de figuur en probeerde mezelf te kalmeren. Toen ik besefte dat er een vrouw voor me stond bleef ik abrupt staan. De vrouw kwam dichter en sloeg haar armen naar me uit. ‘Nee’ Ik beefde en voelde de tranen over mijn wangen rollen. De vrouw kwam dichter. ‘Lisa, ik ben het’. Mijn moeders stem sneed als messen door mijn oren. ‘Dat kan niet’ zei ik met een trillende stem ‘ je bent,…’. ‘Hier’ Antwoorde mijn moeder. Ik wilde geloven wat ze zei maar dat konden mijn hersenen niet. Ik zakte ineen en begon te huilen. Mijn moeder legde haar hoofd op mijn schouder en greep me bij mijn kin. ‘ Ik ben echt’. Ze keek met haar bruine ogen in de mijne en ik wist dat ze het meende.[
/

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen