Samen met de jongen stapte ik de deur uit. Een waterig zonnetje scheen op mijn gezicht en ik knipperde even met mijn ogen. Gleane sloot de deur achter ons en vergrendelde hem vanaf de binnenkant, zodat er niemand meer naar binnen kon. Ik keek naar de gladgesleten stenen op de grond, vervolgens naar het plein en meteen kreeg ik een soort buitengesloten gevoel. Het voelde koud in mijn hart. Alsof de warmte van binnen naar buiten geduwd was en er niet meer in kon. Waar het vandaan kwam, wist ik niet. Ik besloot het maar weer te vergeten.

De stilte was ongemakkelijk en ik zag de bruinharige jongen naar het puntje van zijn schoenen kijken.

'Hoe heet je,' vroeg ik kortaf.

'Braidhian,' zei hij kort terug, 'maar zeg alsjeblieft gewoon Braidh.'

'Oké, Gewoon Braidh.' Ik was echt niet in de stemming voor dit soort grapjes, maar toch lachte ik in mezelf, gewoon, omdat het zo dom was.

Toen hij niets terug zei, begon ik maar weer.

'Je moest me toch zo nodig het centrum laten zien?'

Hij murmelde een onduidelijk 'Ja,' en maakte zijn blik van de grond los.

'Laten we gaan dan.'

Er was een markt in volle gang en Braidh groette enkele mensen, waarschijnlijk bekenden van hem. We liepen door de hoofdstraten, die zo druk waren dat je er nauwelijks aan één stuk door kon lopen. Ik had het gevoel dat ik door honderden ogen aangestaard werd, maar dat zou vast verbeelding zijn. Hoopte ik. Zoveel aandacht zou ik toch niet getrokken hebben, toen op die tribune?

Braidh liet me de achterbuurten zien met hun smalle steegjes, en vertelde daarbij dat je daar beter maar niet kon komen.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik iets zwarts een steegje inglippen, en als ik me niet vergiste, flitste er wat roods naast. Ik reikte met mijn hals om achter de muur te kunnen kijken, en nog net zag ik twee gestaltes de hoek om verdwijnen. Ik rilde, en besefte dat Braidh gelijk had. Hier zou ik nooit in mijn eentje durven komen.

Toen we het wijkje helemaal verkend hadden, liepen we over een grindpad met aan beide kanten bomen, in de richting van het plein. We kwamen uit op de markt, waar het ondertussen al wat rustiger geworden was, maar waar normaal gesproken tientallen mensen hun koopwaar aanboden aan de bewoners van Talluron.

De tijd vloog voorbij, ik dacht achteraf dat we wel een paar uur in het dorp geweest zijn. Mijn chagrijnige bui verdween langzaam terwijl ik om me heen keek. Handelaars braken hun kramen af, tot er alleen nog wat witte, ruw getrokken strepen als afbakening stonden. 
Ik staarde naar de houten stellage, achter de witte strepen. De tribune. Het onbehaaglijke gevoel kwam terug en kroop als opkomend maagzuur in mijn keel. Ik slikte.

'Waarom kan ik het niet gewoon vergeten,' fluisterde ik, niet doorhebbend dat Braidh me kon horen.

'Wat vergeten?'

'Niks.' Ik richtte mijn blik naar de grond, waar troep van wat gesmolten sneeuw naast me op een hoop was geveegd.
Vanuit mijn ooghoeken zag ik Braidh zijn schouders ophalen.

'We gaan naar huis, oké?' zei hij een beetje verveeld. 'We zijn wel lang genoeg weg geweest en je hebt zo'n beetje alles wel gezien. Veel meer interessants is er eigenlijk niet.'

Ik knikte, en liet mijn blik nog voor de laatste keer over het plein dwalen.

'Trouwens,' zei hij plotseling, zijn blik schuin op mijn gezicht gericht, 'die actie van jou vond ik best dapper, toen met die man en die pijlen.'

Ik keek op. 'Wat was daar dapper aan dan?' vroeg ik, en mijn stem begon te trillen.

Hij keek me nu recht aan. 'Weet ik niet,' antwoordde hij een beetje timide.

Ik haalde mijn schouders op. Hij deed maar een beetje geheimzinnig, vond ik.
Maar uiteindelijk moest ik zeggen dat die rondleiding toch nog best leuk was geweest, het had gewoon voor wat afleiding gezorgd.

Terwijl we naar huis liepen, vroeg ik me plotseling iets af, en ik wist mijn dat ik het antwoord zelf niet kon weten. Ik besloot het gelijk aan Braidh te vragen.
'Ben jij eigenlijk een broertje van Friox? Jullie lijken echt helemaal niet op elkaar, alleen jullie stemmen klinken precies hetzelfde.'

'Ja, klopt. Waarschijnlijk heb ik de kenmerken van mijn vader, terwijl Friox die van onze moeder heeft. Kijk maar naar de kleur van hun ogen, ik bedoel zo, bijna niemand heeft die lichtblauwe kleur. Vroeger had Gleane ook al licht haar. Maar dat onze stemmen op elkaar lijken, is gewoon toeval. Denk ik dan.'

'Ah ja,' zei ik matig geïnteresseerd, 'En wie is jullie vader?' Ik had hem nog niet gezien, dus daarom vroeg ik het voorzichtig.

'Verdwenen.' Zijn stem klonk neutraal, waaruit ik kon opmaken dat hij zijn vader waarschijnlijk toch niet goed gekend heeft. 'Ook al vind ik het toch een beetje jammer,' beantwoordde hij mijn gedachten. Ik knikte maar.

Het begon ondertussen alweer een beetje te schemeren toen Gleane voor ons de deur open deed. De behaaglijke warmte stroomde terug in mijn lijf terwijl ik naar binnen stapte.

Maar het verdween meteen weer.
Het was iets, wat er vanmorgen nog niet was geweest.

Over de stoel bij de tafel, hing een leren jas. En het gebeurde weer. Als automatisch liep ik er naartoe, en voor ik het wist, streelden mijn vingers het goed afgewerkte leer.

'Nee...' fluisterde ik. Dit kon niet waar zijn. Al mijn spieren stonden gespannen en mijn hersenen gingen tekeer. 
Ik nam het ding aarzelend in mijn handen en liep ermee naar de kamer, waar ik vannacht geslapen had. Met een diepe zucht ging ik op het bed zitten, de jas om mijn schouders geslagen. 
Zo zat ik daar een tijdje. 

Plotseling schrok ik op van een geluid bij de deur. Gleane stond in de deuropening en bekeek me nieuwsgierig.

'Hé, Nikore.' Ze zond me een vriendeljke glimlach. 'Ik wist wel dat je hem wilde hebben.' Haar handen stonden uitdagend in haar zij.
Het huilen stond me nader dan het lachen, terwijl ik het ding van me aftrok. Het voelde zo raar, zo vreemd, zo dubbel.

'Waarom zou ik dít willen hebben?' vroeg ik door mijn tranen heen.

Gleane haalde haar schouders op. 'Gewoon. Wie weet voelt het als een overwinning.'

Ik walgde van afschuw, toen ik nog eens naar de drie gerafelde gaten in de voorkant keek. Een stuk daaromheen was het omringd met bloedspetters.

'Eh, ik ga maar weer eens,' zei Gleane en ze gaf me een knipoog, 'Het eten staat aan te branden.' En ze verdween weer door de deur. 
Hoe oude mensen toch zo tegenstrijdig konden zijn, dacht ik bij mezelf.

Ik bracht de jas naar mijn gezicht en rook eraan. Leer. Vermengd met mannengeur. Het liet me duizelen en even voelde ik me één met het materiaal. Alsof ik er zelf in zat, alsof ik zelf op de tribune had gestaan en mijn leven op een verschrikkelijke manier was afgelopen. Met een zucht legde ik hem op mijn schoot neer, en streelde met mijn hand over de met wol gevoerde binnenkant.

Opeens trok iets plakkerigs mijn aandacht, maar eigenlijk durfde ik niet te kijken.

Toch deed ik het.

En ik schrok.

"Do bhàs, mo bheatha."

De letters. De bloedrode letters in de wollen voering.
Ik voelde hoe het bloed uit mijn gezicht wegtrok, toen ik het fluisterend voor me uit sprak.

'Het spijt me,' prevelde ik er achteraan, mijn ogen naar het plafond gericht. Een eenzame traan biggelde naar beneden.
Ik liet me op mijn bed vallen, en sloot mijn ogen. Het was leeg van binnen. Zo leeg, en tegelijkertijd liep het over van verschillende gevoelens. Het was intens vermoeiend.
Ik dacht aan een paar dagen geleden, toen ik nog gewoon thuis geweest was en hout was gaan halen. Toen mijn moeder nog riep dat ik de deur dicht moest doen, en vóór het donker thuis moest zijn. Het leek allemaal al zo lang geleden. Ik miste het, alles. Ook al werd ik toen misschien maar gebruikt als een soort huisslaaf, ik miste het. Alles was veranderd, nu al.
Met een schok besefte ik dat de zwarte wolf gelijk had gekregen. En al snel ook. 
En de droom met de vlammende Friox dan? Wat had dat hier mee te maken? Of was dat gewoon toeval?
Ik piekerde over wat het nog meer zou kunnen betekenen, want ik vóélde gewoon, dat dit niet het enige zou zijn. Ik rilde.

Tegelijkertijd bedacht ik me nog wat anders. Hoe was Gleane aan de jas gekomen? Het leek me nogal onlogisch dat ze hem zomaar had gepakt en de man had laten liggen, zonder dat iemand iets gemerkt had. Was het iets anders dan? Rijk was ze niet, dus kopen leek uitgesloten. Maar wat zou het dan moeten zijn?
Het werd allemaal steeds vreemder.

Terwijl ik mijn ogen opnieuw sloot, probeerde ik mijn gedachten uit te zetten. Het piekeren kreeg ik echter niet gestopt. 
Wat zou er allemaal nog meer gebeuren? Zou het nog vreemder worden, of rare tekens die zouden uitkomen?
En zouden ze thuis aan me denken? Ik miste ze zelf in ieder geval wel. 
Langzaam overdacht ik nog een keer alles wat was gebeurd afgelopen dagen, en dwong mezelf te rusten.

Stukje bij beetje nam de vermoeidheid mijn gedachten over en liet het als een zwarte deken over me heen glijden.

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen