Toen ik een half uurtje later van tafel ging, besefte ik opeens dat het eten minder was geweest dan normaal. Misschien verbeeldde ik het me, maar het zou me niets verbazen als het echt zo was. Zou het nu ook al slechter gaan met de markt? Hield heer Erod nu ook al handelaars buiten de deur? Nee, dat kon hij niet maken. Of deed hij het toch? Hij zou toch niet het aller slechtste opwillen met zijn bevolking?

Na het toch een beetje karige ontbijt voelde ik mezelf nogal duf, dus besloot een ommetje te gaan maken om mezelf wat op te frissen. Zoals gewoonlijk liep ik naar de voordeur en wilde ik mijn oude, vertrouwde jas aantrekken, maar tot mijn grote verbazing hing hij niet aan het haakje. Ik fronste mijn wenkbrauwen. Waar kon hij zijn?

'Weet een van jullie waar mijn jas is?' vroeg ik aan niemand in het bijzonder. Friox en Gleane zaten lui onderuitgezakt in hun stoel bij het vuur en leken mijn vraag niet eens te hebben opgemerkt.

Braidh echter keek op van de pannen, die in een dampende bak water met een laag schuim lagen. 'Ik heb hem gisteravond gewassen, hij was verschrikkelijk smerig en stonk een uur in de wind.' Hij lachte terwijl hij er aan terug dacht. 'Hij hangt nu te drogen naast het vuur, ik hoop dat je nog even kan wachten.'

Zuchtend liet ik mijn schouders zakken. Ik kon helemaal niet nog even wachten, ik wilde nú frisse lucht.
'Eigenlijk wil ik nu naar buiten,' zei ik dus maar, schouderophalend.

Braidh dacht even na. Toen leken zijn ogen een ondeugende glinstering te krijgen, verliet hij zijn post bij de pannen en liep rechtstreeks naar mijn kamer. Wat was hij nou weer van plan?

Plotseling kwam er een misselijkmakende gedachte bij me op. Nee, nee, dat niet, dát ding deed ik dus echt niet aan!

En warempel, enkele ogenblikken later kwam Braidh terug de kamer in met zijn hand triomfantelijk in de lucht geheven. 
De leren jas. 
Ik slaakte een diepe zucht terwijl ik besefte dat er niks anders op zat. Ik moest hem wel aan doen, wilde ik geen kou vatten.

Met een betrapt gevoel nam ik het ding aan een hield hem aarzelend voor me. Toen deed ik heel langzaam mijn rechterarm door het armgat en kneep mijn ogen stijf dicht om de bloedtekst in de voering niet te zien.

'Lukt het?' schaterde Braidh met een brede lach op zijn gezicht.

'Nee, het lukt niet,' snauwde ik plotseling, 'sta daar niet zo te kijken man! Natuurlijk kan ik het wel zelf!'

'Nou, sorry hoor,' begon Braidh weer, 'ik wilde je echt niet boos maken of zo.' Gekwetst draaide hij zich om en vervolgde als onverstoord zijn werk bij de pannen.

Ik snoof. Had hij zich maar niet zo met mij moeten bemoeien. 
Het kan dan alweer meerdere weken geleden zijn dat ik die jas voor het eerst vast had, nog steeds was ik er niet aan gewend dat hij als een trofee in mijn kamer hing. Nog steeds droomde ik bijna elke nacht over de bloedrode ogen van de man, die leeg en dood naar de hemel staarden. Nog steeds hoorde ik nog wel eens de stem, die destijds van de wolf was geweest, dat mijn leven nog verder zal veranderen. En nog steeds voelde ik op bepaalde momenten de messteek in mijn keel, die van de vurige Friox afkomstig waren.

Verslagen duwde ik ook mijn linkerarm door de mouw heen en sloot vervolgens de rits. Onwennig streelde ik met mijn vingertoppen over het mooi bewerkte leer. Schokkerig gleden ze langs de randen van de gaten, die nog steeds als angstvallig rafelige openingen de plekken van de pijlen aantoonden.

Wat me wel opviel, was dat de jas me precies paste. Alsof het voor mij speciaal gemaakt was. Maar dat zou toch niet? Ik schudde mijn hoofd. Wat had ik de laatste tijd toch vreemde gedachten, betrapte ik mezelf.

Vermoeid stapte ik de deur uit en voelde een koude wind door mijn haar waaien. Werd het dan nooit eens ietsje warmer? 
Ik liet mijn blik rondgaan en besefte dat er alweer een centimeter of vijftien bij was gevallen vannacht. Het leek net alsof de lucht nooit helemaal leeg zou worden.

Net wilde ik mijn eerste stap zetten, of ik voelde een hand op mijn schouder. Geïrriteerd keek ik op.

'Ik ga met je mee, goed?'

'Nou... oké,' zuchtte ik en wachtte vervolgens ongeduldig totdat hij klaar was.

'Zo,' zei Friox even later, diep weggekropen in de kraag van zijn jack, 'waar was je van plan heen te gaan?'

'Zomaar een rondje ergens in het bos,' mompelde ik, 'het pad dat ik wel eens vaker loop.'
Waarom wilde Friox met me mee? Dat weggetje liep ik liever helemaal in mijn eentje, zodat ik tot rust kon komen en na kon denken. Dat ging nu lastiger worden.

Even bleef het stil. 'Goed,' antwoordde hij toen en alsof hij mijn gedachten gelezen had, vervolgden we de weg verder zonder iets te zeggen.

Toen we een paar minuten later de poort door liepen, viel het me op dat ze een extra wachter hadden neergezet. Wantrouwend keek ik naar de man in het zwart, die ons als een levenloos standbeeld aanstaarde, maar daarentegen precies en levendig onze bewegingen observeerde. Vlug pakte Friox mijn hand en trok me mee over de ophaalbrug tot buiten de muren van de stad.

Zwijgend liepen we verder, tot we bij de rand van het bos kwamen. De bomen torenden hoog en kaal boven ons uit, maar hadden toch niets dreigends in zich. Iets lieflijks zelfs, of gewoon, iets natuurlijks. 
Beneden ons was de sneeuw nog vrijwel helemaal vers, op een paar afdrukken van vogelpootjes na.

'Ik ga niet verder,' zei Friox vanuit de stilte plotseling schuw, 'ga jij maar alleen.'

Ik keek hem schuin aan. 'Ik ga niet zonder jou. Jij gaat met me mee, Friox. Je hebt er net voor gekozen om achter me aan te gaan, dus dan doe je dat ook.' Ik sloeg mijn armen over elkaar.

Hij zette afwerend een stapje achteruit. 'Ik...' zuchtte hij, 'nou, oké dan.'

Hij pakte mijn hand weer vast en liet me schuin voorop gaan. Onze schoenen knerpten in de verse sneeuw en alles leek plotseling extreem stil te zijn. Eindelijk leek mijn hoofd wat tot rust te komen. Ik ademde diep in om mijn longen wat op te frissen, maar in plaats daarvan vulde mijn neus zich met mannengeur. En leer. Ik werd er draaierig van.

Hoe konden één gebeurtenis, één jas, je leven zo anders maken?


Na een minuut of tien begon Friox af en toe wat hummen, maar ik probeerde het slechts te negeren. Hij deed maar irritant. Ik zond hem slechts een kwade blik toe, waarna hij mijn hand losliet. Een ijzige kou leek door mijn lichaam te stromen en ik rilde onwillekeurig.

Na ongeveer twintig meter, sloegen we het eerste pad rechts in. De struiken werden hier groter en ruiger, en krioelden met hun donkere, kale takken over de witte ondergrond. 
Ik wist de weg precies, na bijna elke dag dat ik hier liep. Maar Friox liep nog steeds, wat schichtig om zich heen kijkend, stilletjes achter me aan.
Een klein kwartiertje hield hij het vol om stil te blijven.

'Ehm, Nikore...' begon Friox weer. Zijn hoofd ging schokkerig heen en weer.

'Wat is er nou de hele tijd, je werkt me echt op de zenuwen!' kaatste ik bot terug.

'Dat probeer ik je nou steeds te vertellen, maar jij kraakt me elke keer af!' Gekwetst keek hij me aan.

'O,' antwoordde ik droog, 'vertel het dan nu.' Bazig hief ik mijn hoofd omhoog. Onwillekeurig besefte ik dat ik was veranderd afgelopen tijd. Mijn karakter was minder onderdanig geworden, maar daarentegen meer opvliegend. 
Het kon me op dit moment geen bal schelen.

Friox schudde zijn hoofd. 'Nee. Niet hier.'

'Waarom zou je het niet hier zeggen, als er tóch niemand anders is?' Waar ik mijn woorden vandaan haalde, wist ik niet.

Zijn ogen werden zo groot als schoteltjes. 'Dat ís het nou juist.'

'Doe niet zo geheimzinnig,' zei ik, mijn hoofd schuddend. Maar mijn zintuigen bedrogen me, een vreemd gevoel bekroop me diep van binnen. Wat bedoelde hij nou toch?

Als een speurhond hield hij zijn neus in de lucht. 'Volgens mij worden we gevolgd.'

'Weet je het zeker?' Nu keek ook ik schichtig om me heen, terwijl een beslopen gevoel me begon te beheersen.

'Nee, maar het voelt wél zo.' Hij hief zijn armen in de lucht. Met een schuine blik keek ik hem aan. 'Ik weet het gewoon even niet meer,' fluisterde hij.

Met een korte beweging legde ik mijn hand op zijn schouder. 'Laten we naar huis gaan, het voelt vreemd hier.'

'Nee!' Wanhopig staarde Friox me aan.

Ik zuchtte als antwoord op zijn panische blik. 'Rustig, rustig. Alles komt goed, wat het ook is.'

'Oké.' Hij ademde diep in. 'Ik... ik moet je iets vertellen.' Hij staarde naar het puntje zijn schoenen.

Alles leek verwarrend te werken. Wat was er nou aan de hand? Waarom kon hij niet eens even duidelijk zijn?

'Ik wilde je het al eerder vertellen, maar ik durfde het niet. Maar ermee blijven zitten was ook geen optie, ik zou volledig gestoord worden.'

Ik draaide me resoluut om en begon aan de weg naar huis. 'Wat zit je dwars,' vroeg ik zacht. Mijn kilte van net verdween als sneeuw voor de zon.

Friox volgde me en begon aarzelend. 'Ik droom de laatste tijd steeds over iets, maar ik weet niet wat het betekent.'

Verrast keek ik hem aan, mijn belangstelling gewekt. 'Waar gaat de droom over?' zei ik, terwijl ik zag dat het vertrouwen van Friox aan mij steeg.

Hij begon. 'Een droom, een droom in een kamer. De muren zijn vaalgrijs en het lage plafond oogt dieprood. Ik lig op de grond, met een helse pijn in mijn heup. Als ik overeind probeer te komen, zie ik dat ik een zwart pak aan heb.' Zonder dat ik het merkte, zakte mijn mond open. Zijn adem stokte even, maar vervolgde direct zijn verhaal. 'Een stem komt uit het donkere hoekje van de kamer. Lichtgevende ogen staren me doordringend aan, diep, zo diep dat het onmogelijk verder kan.'

Alle haartjes over mijn hele lichaam stonden recht overeind, stond op het punt om Friox met vragen te beladen, in huilen uit te barsten, maar ik klemde mijn kiezen stevig op elkaar. Hoe kon dit? Was dit echt? Hadden Friox en ik dan echt zoveel met elkaar gemeen?
Mijn hoofd tolde en suisde. 
Laat hem uitpraten Nikore, dwong ik mezelf, laat hem uitpraten.

'Wanneer er een stem begint te praten, weet ik van schrik niet meer wat ik moet doen. Het is de stem. Jóúw stem. En je lokt me naar jou toe. Ik moet een geheim vertellen, al weet ik niet wat het is. Ik héb geen geheim. Je komt tevoorschijn. Je haar is zwart als as en je huid schijnt als de zon, de heetste zomerzon ooit gezien. Ik heb geen geheim, ik zwéér je, ik heb géén geheim.'

Zijn stem ging over in een hysterisch gejammer, alsof hij de droom op dat moment meemaakte. Zijn handen op zijn knieën, half gebukt lopend alsof hij elk moment neer kon storten.

Ik legde een hand op zijn schouder. 'Friox...'

'Nee! Laat me met rust.' Ruw draaide hij zijn hoofd weg, waardoor ik nog net zag dat zijn gezicht glom van de tranen. 'Je vermóórdde me, hoor je het, ik ben dóód.'

'Friox, luister nou eens naar me!' Onbewust gleed er ook een traan over mijn wang. 'Ik weet heus wel wat je voelt.'

'Hoe kan ik jou nog vertrouwen, hoe kan jij nou weten wat ík voel?! Je snapt het niet, Nikore, het is niet wat je denkt.' Hij hoestte en slikte tegelijk, wat er vreemd uit kwam als een eenzame hik. Een ogenblik leek het stil te zijn. 'Overdag voel ik me nu zo anders, zo onzeker.'

'Friox, ik wil dat je nu naar me luistert.' Mijn stem straalde gezag uit, een gevoel dat ik nog niet vaak in mijn leven had meegemaakt. Nog een bewijs dat er iets veranderde, of dat er al iets veranderd was. Ik wuifde het weg.
'Natuurlijk weet ik niet hoe en wat jij voelt, omdat ik jouw gevoel niet heb. Jij weet het ook niet van mij. Het enige wat ik je kan zeggen, is, dat...' Ik slikte hoorbaar en ik beet op mijn lip. Friox keek me afwachtend aan, zijn ogen rooddoorlopen. Ik moest het nu zeggen, wat hij ook over me zou gaan denken. '... dat ik diezelfde droom ook heb.'

Een doodse stilte viel. Tegelijk stopten we met lopen en staarden elkaar aan. Het leek alsof alles bevroor. De weinige vogels die er al waren, stopten met fluiten om niets te missen van wat er nu zou gaan gebeuren. Het geritsel van de muizen en kikkers die eigenlijk in winterslaap hadden moeten zijn, was opgehouden. Enkel het geluid van een zuchtje wind dat door de bladeren speelde, verstoorde de intensheid.

'Nee...' Zijn stem trilde, 'Dat kan niet. Zeg alsjeblieft niet dat het waar is.'

Ik streelde zijn schouder.
'Waarom zou ik iets zeggen dat niet klopt? Om jou te kwetsen?'

Hij keek me bitter aan, maar na een tijdje verzachtte zijn blik en boog hij zijn hoofd. 'Het spijt me, Nikore. Je had gelijk.'

Ik ademde diep in. 'Het is oké. Laten we er nu over ophouden.'

Friox knikte. Hij strengelde zijn warme vingers in de mijne en in stilte vervolgden we de weg naar huis.

*

Toen we een kleine twintig minuten later thuiskwamen, leek het even alsof er niets gebeurd was. Braidh stond nog steeds -nu echter met een chagrijnig gezicht- in de keuken en Gleane was een breiwerkje begonnen. Geen van beiden schonk ons de aandacht.

Een onvoorstelbare vermoeidheid in een mengelmoesje met allerlei gedachten, tolde als een draaikolk rond in mijn hoofd. Na snel wat gegeten te hebben dook ik dan ook mijn bed in. De avondmaaltijd liet ik vandaag maar weer een keer zitten.
Het leek alsof elke gebeurtenis extreem veel energie kostte. 
De geur van leer en mannenlichaam prikte als een trekkende herinnering in mijn neus.

Ik sloot mijn ogen. De slaap trok aan me, als een kar die moeizaam werd voortgetrokken door een drietal paarden.

Of waren het de dromen, die me graag in hun greep wilden houden?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen