Het rumoer van lage stemmen wekte me uit mijn slaap. Het doffe gekraak van hout drong maar half tot me door, en met een diepe zucht draaide ik me nog eens om. Wat moesten ze nou zo vroeg in de morgen? Het was nog niet eens licht.

Plotseling zwaaide de deur open en in het zwakke licht zag ik Braidh naar binnen strompelen. Haastig sloot hij de deur achter zich, en ondanks de duisternis kon ik de angst zijn ogen zien schitteren.

'Wakker worden! Je moet hier weg!' Hij hijgde van inspanning.

'W-wat?' stamelde ik slaapdronken tegen de gestalte, terwijl ik kreunend de dekens van me afduwde.

'Ze zijn gekomen van heer Erod, ik leg het later wel een keer uit. We moeten echt weg hier voor het te laat is!' Hij rukte me haastig overeind. Mijn blote voeten raakten de koude vloer en een rilling liep over mijn rug. Ik staarde naar de dichte deur, waarachter een gedempt geluid te horen was.

Een enorme kraak en een gil bereikten mijn oren en ik sloeg mijn hand voor mijn mond. Wat was dat?

'De deur heeft het begeven,' hoorde ik de onstabiele stem van Gleane zachtjes prevelen, 'Alsjeblieft, laat het niet te laat zijn.'

Een brok kroop in mijn keel. Gestamp van zware laarzen bonkten op het hout en een harde stem snauwde een bevel.

'Waar is ze?! Jullie kunnen niks voor ons achterhouden, we weten dat ze hier is!'

Ik wist niet wat ik moest doen. Verbijsterd staarde ik naar de deur, waarachter nu een heleboel geschreeuw vandaan kwam. Verlamd stond ik aan de grond genageld. 

'Kom op!' schreeuwde Braidh en hij trok aan mijn trui om me weer naar het heden te krijgen.

'Waarheen?!' vroeg ik hijgend van schrik. Ik keek de kamer rond, op zoek naar een toevallige verstopplek of een geheim luik. Maar er was niks in mijn kamer behalve mijn bed, de kast en wat stro op de grond.

'Je moet door het raam! Naar buiten!' Zijn stem trilde en ik voelde een vreemde, dreigende angst opborrelen in mijn onderbuik.

'Is dat handig?' Ongelovig keek ik naar het kleine vierkante raampje, dat ongeveer op schouderhoogte zat. 
Nog een snauw kroop door het hout van de deur heen. Een hardnekkige knoop wrong zich in mijn maag.

'Nee, maar het moet. Nu!' Hij duwde me naar de muur toe, terwijl hij een geruite zakdoek uit zijn zak haalde en om zijn hand wikkelde.

'W-wat ga je doen?' vroeg ik angstig, mijn handen in elkaar wrijvend om ze niet al te erg te laten trillen.

'Het raam inslaan, natuurlijk. Wil je anders zomaar door het glas heen stappen, ofzo? Alsjeblieft, werk een beetje mee. Gleane en Friox kunnen ze niet lang ophouden met hun praatjes.' Gerinkel, gevolgd door een schreeuw kwamen uit de huiskamer en ik perste mijn lippen op elkaar om het niet uit te gillen van schrik en angst.

'Friox...' fluisterde ik. Mijn knieën knikten. 'Ze laten hen toch wel leven?'

'De handhavers van heer Erod kunnen je elk moment komen je halen, dus je moet hier nu echt weg. Friox legt hen op dit moment uit dat je gisteravond de stad hebt verlaten door met een handelaar mee te reizen. Maar lang zal het smoesje niet werken.'

'M-maar...'

'Ik neem aan dat ze niemand doden,' beantwoordde hij mijn gedachten, al klonk het niet erg overtuigend.

Ik hoorde gestommel op de gang en knipperde met mijn ogen.

'Vlug!'

Ik keek nagelbijtend toe hoe Braidh zijn hand, omwikkeld met zijn zakdoek, naar achteren trok en zich klaar maakte voor de klap. Met zijn vrije hand beschermde hij zijn gezicht, toen hij met een enorm gerinkel het glas brak. Splinters en scherven vlogen door de kamer.

Paniekerig wees hij van mij naar het open raam. 'Snel, klim er doorheen!' 
Een golf van adrenaline stroomde door mijn lichaam en opgejaagd door de angst greep ik het randje van het kozijn. Glasscherven boorden zich diep in mijn huid toen ik me probeerde op te trekken. Ik klemde mijn kiezen op elkaar en probeerde opnieuw mijn lichaam door het raampje te duwen.

Plotseling schoot er een akelige gedachte door mijn hoofd heen. 
Nee. Nee, alsjeblieft niet! 
Ik draaide mijn hoofd om en zag precies op dat moment hoe de deur open zwaaide en twee zwarte gestalten in het licht stonden.

'Braidh!' schreeuwde ik en mijn stem sloeg over, 'De jas!'

Zijn hoofd ging schokkerig heen en weer, alsof hij om zich heen zocht naar iets wat hij niet herkende. 'Wat bedoel je?'

Ik had de neiging om hard op hem te gaan schelden, maar beperkte het tot een korte vloek. Zonder te aarzelen liet ik me weer op de grond vallen en berekende met een schuin oog dat ik in een paar stappen kon ik bij de jas zijn.

'Nee Nikore, niet doen!' Wanhopig staarde hij naar de deuropening, waar nu een drietal in zwart gehulde mannen stonden. Maar ik lette er niet op.

Ik richtte nu al mijn aandacht op het ontsnappen. Maar niet zonder de jas, dat kon ik niet, niet nu ik al zo ver was. 
Ik griste hem van de grond en half struikelend begaf ik me weer naar het raam aan de andere kant. Nog meer gestamp van harde laarzen op hout, drongen tot diep in mijn oren door.

De drie mannen hadden ondertussen al in de gaten wat er aan de hand was en kwamen met grote stappen op me af gelopen.
Een bevel rolde als een donderslag door de lucht en bezorgde me kippenvel.

'Hela! Blijf staan jij.'

Vanuit mijn ooghoeken registreerde ik een rode lichtflits, maar ik negeerde het. 
Het was nu of nooit.

Ik veerde licht door mijn knieën en zette af. In één sprong zat ik in het kapotte raam en greep naar de zijkanten van de kozijnen om mijn evenwicht te behouden. Met de jas stevig onder mijn arm geklemd, staarde ik met wijd open ogen het duister in. Ik bereidde me al voor om naar buiten te springen door mijn spieren te spannen. 
Toen duwde ik met mijn voeten mijn lichaam weg en bereidde me voor om al bijna op de grond te landen, maar plotseling gleed mijn linkerbeen van de vensterbank. Ik gilde toen een scherpe rand van het glas diep in mijn zij sneed.

Ik probeerde nog omhoog te komen, maar ook mijn andere been bungelde nu hopeloos een eindje boven de vloer. Twee handen klemden zich om mijn middel, en ik krijste van de pijn toen de man de pijnlijke plek in mijn zij aanraakte.

'Laat me los!' gilde ik, wild spartelend met mijn benen.

'Jij gaat met ons mee,' snauwde de man met de lage stem. Wacht. Waar had ik die stem eerder gehoord? Ik spitte in mijn hersens en schudde mijn hoofd, maar daarbij schoot er een hevige pijn door heel mijn lichaam.

De tranen stroomden over mijn wangen en ik schreeuwde tot ik geen stem meer had. 
Plotseling zag ik een donkere vlek op de grond liggen.
De jas!

'Nee!' Het schuim stond op mijn lippen en ik schreeuwde als een bezetene. Maar hoe meer ik me verzette, hoe steviger de greep van de man werd. Met mijn arm reikte ik naar de jas op de vloer om hem te kunnen pakken, maar de man achter mij was me voor. Een gemene grijns kroop over zijn gezicht en hij lachte treiterend, gaf een harde trap tegen de jas zodat hij onder het bed schoof. Ik kreunde zachtjes en vervloekte mezelf.

Ze droegen me de slaapkamer uit, door de gang naar de verlichte huiskamer. Ongelovig keek ik toe hoe Gleane, Friox en Braidh beschamend tegen de muur stonden naar de vloer staarden. Ik balde mijn vuisten. Waarom deden ze niets? Ze konden op z'n minst nog wat tijd zien te rekken.

Maar... wat had dat eigenlijk nog voor zin? Ze konden niets tegen deze drie Dubadhs doen, het zou een hopeloze, tevergeefse mislukking worden.

Wat waren ze met me van plan? Ik knarste met mijn tanden en gilde, gilde nog één keer, dit keer in de oor van de man.

'Laat me los!' Mijn stem sloeg over, maar het kon me niks meer schelen.

'Hou je even in, wil je!' siste hij angstvallig dichtbij, 'Het helpt toch niet om te schreeuwen. Je raakt er alleen maar meer van streek van. Bespaar je krachten liever een beetje, je zult ze binnenkort hard nodig hebben.'

Ik wist niet of het goed of kwaad bedoeld was, maar het kon me niks schelen. Wat maakte dat nou weer uit? Het enige wat telde was dat ik nu los kon komen. Met een aanvalskreet trapte ik mijn hak diep in zijn maag, waarna een grove vloek door de lucht suisde.

'Je kunt doen wat je wilt, eigenwijze troela, maar je zult jezelf er in elk geval niet méér voordeel mee doen.'

Ruw haalde ik mijn schouders op, wat echter niet zo slim bleek te zijn toen ik een allesoverheersende pijn door mijn lichaam voelde schieten. Het was alsof ik in brand stond, alsof er bliksem en energie van me uitging en ik waagde nog één poging. Ik draaide mijn nek, greep het oor van de man tussen mijn tanden en klemde mijn kaken zo hard als maar kon op elkaar. Meteen volgde er een helse brul en proefde ik een metaal achtige, warme vloeistof in mijn mond.

'Haal haar van me af!'

Stevige handen klemden zich om mijn voorhoofd. Tussen al het lawaai en de pijn door, hoorde ik plotseling een maar al te bekende stem. 'Nikore, rustig aan! Laat zien dat je sterk bent door jezelf te beheersen.'

Friox' woorden lieten alle bellen in mijn geheugen rinkelen, maar mijn lijf en hersenen waren niet stil te krijgen.

'Pak de anesthesia!'

Ik voelde een korte prik in mijn nek. In eerste instantie gebeurde er niks, maar na een halve minuut voelde ik iets suizen in mijn hersenen. Eén voor één vielen mijn spieren uit en trok er een witte waas voor mijn zicht. 
Ik wist, ik wist plotseling dat de man gelijk had. Het zou niet tot mijn voordeel zijn.

Een laatste steek schoot door mijn zij en ik kreunde. Nog één keer keek ik achterom, recht in de ogen van Friox. Zijn ogen stonden vol spijt, alsof hij begreep wat ik ook dacht. Zijn lippen bewogen en vormden een woord. Een schaduw viel over mijn gezicht en ik kneep mijn ogen tot spleetjes om me, door de dikke mist heen, te concentreren op wat Friox probeerde te zeggen.

"Hou vol."

Mijn ogen lichtten op, Friox knikte zachtjes. Toen sloot de deur en werden onze blikken gescheiden.

Mijn keel was droog geworden en plotseling verdween ook het laatste restje energie uit mijn lichaam. 
Ik was leeg, kapot. Gekwetst en beschaamd staarde ik voor me uit, terwijl de tranen onafgebroken over mijn wangen liepen. Waarom deden ze me dit aan? Wat had ik fout gedaan?

De innerlijke pijn overweldigde alle gevoelens. Ik wilde niet zwak zijn, maar soms begreep ik mezelf niet. Diep van binnen was ik een loser. Eentje die te langzaam reageerde op noodzakelijke gebeurtenissen en die haar gevoelens te snel naar buiten liet. 
Ze hadden alles gedaan wat ze voor me konden doen. Als ík niet zo eigenwijs was geweest om die jas te willen pakken, was ik nu gewoon vrij geweest en waren Friox, Braidh en Gleane gewoon verder gegaan met hun dagelijks leven. Ik had een handelaar kunnen opzoeken, die me naar huis kon brengen.
Of hadden de zwarte Dubadhs me alsnog achtervolgd, ook al was ik het huis uit gevlucht?

De vriendschap tussen Friox en mij was in ieder geval kort geweest, bedacht ik triest.

Een koude windvlaag blies mijn haar voor mijn ogen. Ik voelde me koud en verlaten in de duisternis, precies op dit moment miste ik thuis het meeste. 
Thuis, bedacht ik opeens. Hoe lang had ik daar al niet meer aan gedacht? Ze waren me vast al lang vergeten.

Ik was zodanig in mijn gedachten verzonken, dat ik niet opmerkte dat we een smal steegje insloegen, recht tegenover de ingang van het gemeentehuis.

Precies aan de verkeerde kant van onze bestemming dus.

Waren deze mannen eigenlijk wel echt Dubadhs, echt van heer Erod?

Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen