Het was een regenachtige dag in Astra. Een storm was op komst, dat was iedereen wel duidelijk, en dat kon niet veel goeds betekenen. Cerice zat voor het raam een van haar pijlpunten te slijpen voor de jacht van de volgende dag. Er heerste een gespannen sfeer in het kleine stadje Ogron. Iedereen liep te smoezen met elkaar. Iedereen wist waar het over ging. Onheilspellende dingen. Het enige dat men kon doen was speculeren over wat er zou gebeuren. Tot het gevreesde alarm door het stadje galmde. Het was zo ver. De Sylicanen waren gearriveerd.
      "Cerice! Pak je spullen!" gilde een vrouw door het huis. Een hoop kabaal kwam vanaf de eerste verdieping. Een aantal kistjes vielen van de trap af, gevolgd door nog een luide schreeuw. "Je moet hier weg!"
      Cerice stond rustig op en pakte haar koker met pijlen en haar boog. Een van haar broers wierp haar het zwaard toe waar ze altijd mee had geoefend in het bijzijn van haar broers. Het was een geheim tussen haar en haar drie broers geweest. Hun ouders waren niet op de hoogte van de onvrouwelijke capriolen, zoals zij het noemden, die Cerice uithaalde. Het was al een wonder dat ze mee mocht op jacht van haar vader.
      "Cerice," mompelde Axel, de oudste van de vier, "breng jezelf in veiligheid. Wij zullen achter je aan komen. Ga op zoek naar geallieerd gebied. Wij zullen je vinden, al moet ik alle bossen kappen." Haar andere twee broers knikten instemmend.
      "Ik ga nergens heen vluchten. Ik kan best mijn mannetje staan," gromde Cerice en ze prikte in Axels borst. "Ik ga gewoon met jullie mee en ik vecht voor mijn land. Waar heb ik anders zo hard voor geoefend?"
      "Cerice, je bent nog niet goed genoeg om te kunnen vechten voor je land," antwoordde Ibis. "Wij zijn getraind door de commandanten van het leger. Jij bent door ons getraind. We kunnen het niet verantwoorden als jij sterft in het gevecht."
      Een luide bons op de deur stopte het gesprek. "Devon! Iedereen naar buiten en meevechten!" klonk de stem van een commandant. Axel, Ibis en Roden keken Cerice aan en gebaarden dat ze weg moest gaan. Cerice gaf gehoor aan het woordloze commando door te knikken. De drie jongens verlieten het huis in hun wapenuitrusting. Met een zucht ging Cerice op zoek naar brood en fruit voor de weg naar het geallieerde gebied. Ze wist welke kant ze op moest en ze had altijd een kompas bij haar, gekregen op haar vijftiende verjaardag van haar broers.

      Een tas met brood, wat appels en een fles water, een zwaard aan haar riem, en een boog en een pijlenkoker op haar rug was wat ze bij elkaar had weten te sprokkelen. Ze sloeg een mantel om zich heen en zette de capuchon van de mantel op. Ze fluisterde nog een afscheid naar haar huis toen ze het verliet, maar lang blijven staan kon ze niet. Cerice rende weg. Achter de gevechten die overal plaatsvonden langs vluchtte ze weg. Ze had geen keus, ze had haar broers beloofd te vluchten. Ze was halverwege de stad, net voorbij het marktplein, toen ze een van haar broers zag. Tot haar verschrikking had hij een grote wond in zijn buik. De stenen onder Ibis waren donkerrood gekleurd door het bloed dat hij was verloren, de kleding die hij onder zijn uitrusting aan had gehad was ook al doordrenkt, maar toch probeerde Cerice hem te redden. Een snik verliet haar mond toen ze haar handen op de wond legde om deze dicht te houden, maar Ibis duwde ze weg.
      "Cerice, wat hadden we gezegd? Wat had je ons beloofd?" fluisterde hij en met zijn bebloede hand streek hij langs haar wang. "Cerice, je bent een mooie meid. Ik ben altijd trots geweest om jou als zusje te hebben. Beloof me dat je een goed leven zal gaan leiden zonder geweld, alsjeblieft."
      "Ik kan dat niet beloven, Ibis, dat weet je. Ik kan geen rustig huisvrouw leventje lijden," zuchtte Cerice terwijl ze een traan wegveegde. "Ik beloof dat ik uit de problemen blijf."
      "Als je Axel en Roden ooit nog ziet, vertel hen dat ik altijd van ze heb gehouden, ondanks dat ik dat nooit heb gezegd. Ik hou van je, Cerice." Ibis blies zijn laatste adem uit toen hij haar naam zei. Het schuldgevoel kwam direct omhoog bij Cerice. Ze had zijn laatste wens niet willen vervullen. Maar ze kon niet blijven zitten en rouwen om Ibis. Ze veegde de tranen weg, stond wankelend terug op en zette het op een lopen. De vechtende Sylicanen en Astranen hadden geen oog voor haar en ze bleef rennen, zo ver mogelijk het bos in. Ook daar trof ze gevechten aan, alleen waren de Astranen sterk in de minderheid. Met een snelle, behendige beweging trok ze haar zwaard en ging ze ten aanval. Haar broeders vochten voor hun leven, voor het land, en zij vluchtte. Als ze zou vluchten, zou ze zelf de weg naar ander territorium vrij maken. Zij aan zij vocht ze met haar mede Astranen, vaag bekenden en onbekenden. Ze voelde zich met hen verbonden, voor het eerst in heel haar leven voelde ze zich verbonden met haar vaderland en de inwoners van haar volk. De rode ogen om haar heen gaven haar de kracht door te zetten, om de wens van haar broer te vervullen.
      Alles ging in een waas van adrenaline aan haar voorbij. De zwarte vloeistof die uit de lichamen van de Sylicanen over haar zwaard stroomde was het enige waar ze op gefocust was. Hoe meer Sylicaans bloed ze zag, hoe meer vijanden gestorven waren. Het pad dat ze volgde bracht haar dieper het bos in, ver weg van alle gevechten. Toen ze de laatste Sylicaan op haar pad had gedood drong alles tot haar door. Ze had zojuist haar eerste slachtoffers gedood en het voelde goed. Het waren niet alleen haar vijanden, maar vijanden van haar familie en bovenal, vijanden van het koninkrijk Astra, en dat zou ze koste wat het kost beschermen.

Reacties (1)


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen