Hier ben ik dan weer met een nieuw hoofdstuk.
Dit gaat vooruit!(hoera)(Voor mijn termen dan toch.)

9 januari 2917: heden

Dit keer wist ik me verstandiger te gedragen. Ik liep nu via de binnenwegen, waar er veel minder verlichting was en meteen ook veel minder mensen. Ik voelde me al ietsje beter dan voorheen. Maar nog steeds voelde ik niet veilig. Ik vroeg me af of ik me dat ooit nog zo zou kunnen voelen.
Naarmate ik verder wandelde, verwijderde ik me steeds verder en verder van de stadskern, het paleis, mijn huis. De huizen die zich hier bevonden zagen er anders uit dan waar ik vandaan kwam. Het drong nu pas tot me door dat ik eigenlijk nog nooit in deze buurten was geweest. De hoge flatgebouwen hadden hier plaatsgemaakt voor lagere gebouwen en ze zagen er ook niet zo schitterend uit als de gebouwen uit het centrum.
Ze waren minder luxueus en hadden veel minder opvallende tuinen. Er was hier een daar ook wat zand te vinden op de grond, waarschijnlijk afkomstig uit de zee. Bij deze gedachten dwaalde mijn blik naar de hemel af. Deze was inktzwart en ondoordringbaar. Helemaal in het oosten was een witte schijf te zien. Dit moest de maan voorstellen, die we vanop aarde altijd hadden kunnen zien, maar hier onder water niet mogelijk was.
Hier was het gewoon een grote lichtbol die minder fel licht uitstraalde dan overdag. Men bootste hier het licht na, die wij als mens nodig hadden om te kunnen leven. Regen dat kenden we hier niet, het was hier altijd droog. Wat de warmte betrof, deze werd geregeld door een groot netwerk van verwarming. Moest dit er niet zijn geweest zou het hier niet zo aangenaam zijn geweest.
Ik liet mijn blik verder over het landschap om me heen glijden, het leek wel of ik nu pas besefte hoe mijn thuis er uit zag, alsof Aquacity me wilde tonen wat me ontnomen was, hoewel het me veel pijn bezorgde, bleef ik toch kijken.
Alles probeerde ik me te memoriseren, zodat ik, wanneer ik daar buiten was, terug kan denken aan al het mooie van hierbinnen.
Met al het gemijmer had ik niet beseft dat ik terug op een drukkere baan terecht was gekomen. Ik voelde hoe het zand, die hier opvallend meer aanwezig was, onder mijn voeten knarste. Ik liep aan de rechterkant van een brede baan, waar af en toe een groot voertuig langs zweefde. Langs deze weg stonden er opvallend minder huizen. Het leek wel of ik in een andere wereld terecht was gekomen. Als je naar mijn rechterkant keek, zag je de hoge gebouwen en de verschillende gekleurde lichten van de bewoonde wereld, keek je naar links was er geen huis meer te bekennen. Alles leek verlaten te zijn, het enig dat er te zien was, was een grote open vlakte van hoog en groen zeegras. Verder dan het gras kon ik niet kijken, daarvoor was het veel te donker.
Ik werd verstoord door een grote vrachtwagen die me voorbij flitste. Deze was zwaar beladen met grote containers. Ik moest me dus wel aan de rand van de stad bevinden, de plaats waar al de bedrijven zich hadden gevestigd. Dat zou in ieder geval ook deze grote transportweg verklaren en de grote vrachtwagens.
Ik voelde hoe ik nerveuzer werd, ik bevond me nu niet meer zo ver van een ontsnappingsroute. Er moest toch wel een plaats zijn waarbij je uit deze onderwaterstad kon ontsnappen om zo naar de oppervlakte te geraken? Maar waar moest ik beginnen met zoeken.
Het was maar sinds kort dat ik wist dat er een route naar buiten bestond. Nadat ik mijn vader had afgeluisterd enkele dagen geleden. Dat leek trouwens al weer een eeuwigheid, zeker nu mijn vader...
Ik kreeg een krop in mijn keel en ik knipperde verwoed met mijn ogen. Mijn blikveld werd wazig, maar ik verzette me er tegen. Nu was niet het moment om in te storten. Niet nu er misschien toch nog een beetje hoop was om te ontsnappen.
Ik liep een tijdje vooruit zonder ergens aan te denken, ik liet mijn ogen het totaal nieuw terrein verkennen. Ik was hier nog nooit geweest, ik kende deze plaats alleen maar vanuit één van mijn studieboeken. Als Tsarvna was het paleis verlaten, veel te gevaarlijk, dus daarom heb ik dat ook zelden gedaan.
In de verte kwam er een aantal grote loodsen in zich. Daar kon je de voorraden voedsel van de stad terugvinden. Tussen de loodsen waren er spoorlijnen te zien. Ik bleef eerst wat aarzelend staan en besloot toen maar eens even een kijkje te gaan nemen. Misschien zou ik daar wat eten kunnen stelen. Niemand die dat zou opmerken toch?
Ik bereikte de eerste loods, waarvan de grote schuifdeuren op een kier open stonden. Ik glipte vlug naar binnen. Overal om me heen stonden er grote kisten en containers op elkaar gestapeld. Dit gebouw moest wel enorm zijn, want er waren er zeer veel van. Ze stonden allemaal geordend in rijen. Waarschijnlijk soort per soort. Zou hier ergens voedsel te vinden zijn? Ik kon maar beter eens rond kijken.
Met elke stap die ik zette hoorde ik mijn voedstappen weergalmen in de enorme ruimte. Ik speurde de verschillende kisten af op zoek naar een of andere hint dat er iets te vinden zou zijn die bruikbaar voor me was.
Ergens vond ik het niet echt een tof idee dat ik zou gaan stelen. Het schuldgevoel knaagde aan me, maar die duwde ik vlug opzij.
Ik bleef even staan en toen hoorde ik de stemmen, ik was hier niet alleen. Vlug, maar toch zo stil mogelijk verborg ik me achter de eerste beste palet met grote kartonnen dozen. Ik kon horen hoe hun voetstappen van de personen weerkaatsten, maar wat ze zeiden verstond ik niet.
Door de echo was het moeilijk de achterhalen wat hun woorden waren. Maar van één ding was ik zeker, ze kwamen mijn richting uit. Ik was net van plan om mijn schuilplaats te verlaten en een nieuwe te gaan nemen, toen ik plots heel duidelijk hun stemmen kon horen. Ze waren in mijn gangpad beland. Ik draaide me om en wilde via de andere kant ontsnappen, alleen was deze geblokkeerd door een stapel omgevallen kisten.
Ik zat in de val.
'O, voor ik het vergeet wil jij even die spullen voor me ophalen?' zei een mannenstem en tot mijn schrik herkende ik hem. Ik hoorde hoe een van de mannen wegliep, maar dat deed de ander niet. Even bleef het stil. Ik drukte me tegen de dozen aan en hield mijn adem in, maar toen ik naar rechts keek wist ik dat het met mij gedaan was.
'Ik dacht al dat ik iets gehoord had', zei de jongeman terwijl hij naar me glimlachte.
Mijn adem stokte, voor mij stond Colby, hij had me gevonden. Wat nu? Iets in mij wilde naar hem toelopen en hem omhelzen, maar ik wist dat dat een zeer dom idee zou zijn.
'Dat was het dan', dacht ik, terwijl ik moeizaam slikt.



Er zijn nog geen reacties.


Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen