Foto bij hoofdstuk 8

Mijn slaapkamer is groot en luxieus, het bed slokt me op en ik heb het gevoel dat ik zweef. Zonder me uit te kleden blijf ik liggen, ik sluit mijn ogen en denk aan alle tributen die ik heb gezien. Sterke, slappe, stoere, lange, dunne, kleine... noem maar op.
Opeens voel ik een steek, al die tributen... die kunnen iets, ze kunnen vissen met een drietand, houthakken met een bijl... maar wat kan ik? Ik kan niets. Ik sla mijn dekens weg en kijk naar mijn magere lichaam. Ik maak een vuist en voel aan mijn biceps, er zit geen verschil in. Of ik nou een vuist maak of niet, weet je wat ik ben?
Ik ben mijn vader, 1/4 eraf halen, dan moet je de spieren nog verdunnen en dán moet je die weinige spieren nog verslappen en dán pas heb je mij.
'Hopeloos, hopeloos, hopeloos.' mompel ik.
'Wat is hopeloos?' klinkt de stem van mijn zus.
Ik schrik en val mijn bed uit. 'Niets, ik bedoel...' ik staar in haar ogen, prachtige ogen. Ik voel mezelf rot, een moordenaar, een slappeling. 'Ik ga nooit winnen.' en dan barst ik in tranen uit.
Brinnif komt naast me zitten.'Daar gaan we wel voor zorgen.'
De woorden dringen niet tot me door, eerst moet ik wennen dat ze weer eens iets tegen me zegt.
'Wat?' zeg ik en zucht tevreden terwijl ik me in haar armen duw.
'Jij gaat winnen.'
'Oké... wacht wát?' Ik schiet overeind en kijk haar aan. 'Ik... nee natuurlijk ga ik niet winnen, ik kan niet vechten.'
'Ik ook niet,' zegt ze. 'Maar ik ga jou erdoorheen loodsen, gewoon. Met zus kracht en op het laatst wil ik gedood worden zodat jij nog leefd.' Ze staat op en loopt weg.
'Neeheeheee.' stotter ik huilerig, maar ik kan haar niet achterna gaan. Ik zit vast in mijn bed, opgeslokt, in een gevangenis die me nooit meer zal laten gaan. Tot ik in een diepe slaap ben.

'We zijn er!' Jubbelt Carreema vlak naast mijn oor.
'Waar?' mompel ik.
'In het capitool natuurlijk.'
Ik schiet overeind, duw mezelf uit bed en geef het rolgordijntje een klap, het schiet omhoog en een zee van licht komt me tegemoet. 'Au.' kreun ik. Na even wennen staar ik naar buiten, prachtige, blinkende huizen, gebouwen. Juweel, goud, watervallen... alles past precies, alles is goed, perfect, glad.
Ik wrijf in mijn ogen. Droom ik?
We komen aan bij een station. Op het perron staan duizenden mensen. Met paarse haren, enorme lippen, tatoages, rare pofjurken, gescheerde blauwe benen... de mensen gillen, jubelen en zwaaien, ze kijken naar me, met hun neppe ogen.
Het begint me te duizelen, gekke huizen/paleizen + gekke mensen = droom. Ik val neer en knijp mezelf.
Als het blijkt dat dit geen droom is kijk ik voorzichtig weer uit het raam. Gelukkig wordt het geluid van de schreeuwende mensen gedempt. Anders zou ik het zeker niet overleven.
'Kom, kom, kom!' Careema duwt me een net pak tegemoet. Ik trek het vlug aan. 'Je haar! Och je haar!' krijst hij, pakt een kam en zet die ruw in mijn haar; de kam blijft vast zitten.
'Au.' kreun ik. De mensen buiten beginnen nog gretiger te wijzen. Ik doe een stap van het raam vandaan, nu pas walg ik echt van hun enthousiastme. Ze weten dat ze ons zullen zien sterven en toch zijn ze zo blij.
Ik ren mijn kamer uit, naar de eetcoupé, de trein minderd vaart. Daar staat ze: Brinnif, bij het raam te lachen en zwaaien. Ze houdt dapper stand. Ze houdt pas op als een enorme cabine onze trein opslokt en er geen mens meer te zien is.
Ze draait zich om en ziet me verbaast staan kijken.'Wat zal ik zeggen? Misschien zit er wel iemand met geld tussen.'
Mijn mond blijft open hangen. Brinnif is het publiek nu al voor zich aan het winnen en ik weet dat ze het voor mij doet. Ze wil dat de mensen van haar houden, ze wil dat ze haar alles schenken zodat ze mij stiekem kan beschermen. Om uiteindelijk dood te gaan en mij te laten winnen.
Ik grom en voel dat ik daar een stokje voor moet steken.

Reacties (3)

  • AnnyXX

    O jee

    3 jaar geleden
  • Diago

    Dood is stom

    3 jaar geleden
  • AmeranthaGaia

    Brinnif, meid, iets subtieler graag. Ze wílt gewoon dood.

    3 jaar geleden

Meld je gratis aan om ook reacties te kunnen plaatsen